Centrale Raad van Beroep, 09-12-2015 / 14/4761 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:4507

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor haar arbeid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-09
Publicatiedatum
2015-12-15
Zaaknummer
14/4761 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4761 ZW

Datum uitspraak: 9 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 juli 2014, 14/2010 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. Bingöl, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2015. Voor appellante is verschenen mr. Bingöl. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante was werkzaam als zorgcoördinator voor 24 uur per week, toen zij voor dit werk op 13 augustus 2013 is uitgevallen wegens psychische klachten. Op 6 september 2013 is haar dienstverband met [werkgeefster] beëindigd. Appellante heeft aansluitend een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Appellante heeft naar aanleiding van deze ziekmelding twee maal het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts, voor het laatst op 26 november 2013. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van

2 december 2013 weer geschikt kan worden geacht om haar arbeid in de functie van zorgcoördinator voor 24 uur per week te verrichten. Bij besluit van 26 november 2013 heeft het Uwv vervolgens het recht op ziekengeld van appellante per 2 december 2013 beëindigd.


1.2.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 november 2013 is onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 28 januari 2014, bij besluit van 28 januari 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de intensiteit van de werkzaamheden van appellante heeft onderschat. Tevens is de rechtbank ten onrechte voorbij gegaan aan de medische verklaring van haar behandelaar bij PsyQ. Deze heeft immers geconstateerd dat sprake is van een ernstige depressie met psychotische kenmerken. De klachten zijn volgens appellante sinds de ziekmelding zodanig toegenomen dat zij niet meer in staat is haar arbeid te verrichten. Daarbij heeft appellante verwezen naar de informatie van PsyQ van 18 maart 2014. Ter nadere onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een brief van 18 november 2014 van PsyQ overgelegd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW, heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak moet onder “zijn arbeid” worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. In dit geval is dat het werk van zorgcoördinator voor 24 uur per week. Bij de beoordeling van de geschiktheid van appellante voor dit werk beschikten de betrokken verzekeringsartsen over de ‘Vragenlijst ziekte en re-integratie’. Hierin is door appellante op 23 september 2013 een uitgebreide beschrijving gegeven van de belasting in dit werk. Met deze beschrijving hadden de verzekeringsartsen een voldoende duidelijk beeld van de aard en de zwaarte van het laatst verrichte werk van appellante.


4.2.

Het medisch onderzoek door de betrokken verzekeringsartsen is zorgvuldig geweest. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat een verzekeringsarts dossieronderzoek heeft verricht en appellante tweemaal psychisch heeft onderzocht. Er lijkt volgens deze verzekeringsarts sprake te zijn van een normale fysiologische aanpassingsreactie op haar nieuwe omstandigheden (verlies van werk). De oude problemen die nu naar boven lijken te komen, stammen uit een ver verleden en appellante heeft hiermee duurzaam haar eigen werk verricht. Voor haar geclaimde vermoeidheidsklachten gebruikt appellante geen slaapmedicatie, terwijl ze wel vaak bij de huisarts komt. Hieruit volgt volgens deze verzekeringsarts dat appellante voldoende belastbaar is te achten om de maatgevende arbeid te hervatten.


4.3.

Vervolgens heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep naar aanleiding van het bezwaar dossieronderzoek verricht en appellante op het spreekuur van 24 december 2013 onderzocht. Daarbij beschikte deze arts over de informatie van de huisarts van 20 januari 2014. In het rapport van 28 januari 2014 heeft deze verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven dat niet ontkend wordt dat appellante stemmingsklachten ervaart, echter dat deze klachten al jaren bestaan. Met deze klachten heeft appellante de maatgevende arbeid jaren kunnen uitoefenen, zodat deze arbeid niet als stresserend kan worden beschouwd. Bij dit soort klachten gaat van werken juist een gunstige invloed uit. Ook zijn er geen aanwijzingen dat in 2013 alsnog een ernstige psychiatrische stoornis is ontstaan die tot een langduriger decompensatie heeft geleid of van een dusdanige ernst is die arbeidsongeschiktheid veroorzaakt. Deze verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dat kader nog opgemerkt dat iemand die een reis van een maand naar een ver gelegen land kan ondernemen, psychisch niet is gedecompenseerd. Tevens past het tot nu toe gevoerde behandelbeleid, waaruit geen frequente en intensieve behandeling blijkt, niet bij een ernstige psychiatrische ziekte. Appellante moet dan ook per 2 december 2013 geschikt worden geacht om haar werk als zorgcoördinator voor 24 uur per week te verrichten.


4.4.

De in beroep en hoger beroep overgelegde informatie van PsyQ heeft het Uwv geen aanleiding gegeven om het onder 4.3 verwoorde standpunt te wijzigen. In een rapport van

28 oktober 2014 heeft de eerder bedoelde verzekeringsarts bezwaar en beroep allereerst vermeld dat het onderzoek waar de psycholoog naar verwijst meer dan drie maanden na de datum in geding is verricht. Ook beschrijft de psycholoog geen onderzoeksbevindingen die overtuigend het bestaan van een ernstige depressie onderbouwen. Hoewel is verwezen naar een psychiatrisch consult, zijn de tijdens dit consult gedane bevindingen bij psychiatrisch onderzoek niet duidelijk beschreven. Ook blijkt dat is uitgegaan van ernstige cardiale problemen en dat ook nader neurologisch onderzoek zou volgen. Uit de ontvangen informatie van de cardioloog van 28 maart 2013 volgt echter niet dat sprake is van ernstige cardiale problematiek. Ook uit de informatie van de huisarts volgt dat lichamelijk onderzoek en aanvullend doppleronderzoek aan de rug en de benen geen afwijkingen hebben laten zien. Dit versterkt de indruk dat de GGZ het bestaan van een ernstige depressie aanneemt op basis van de als ernstig gepresenteerde klachten.


4.5.

Uit de ter zitting verstrekte toelichting bij de buitenlandse reis van enkele weken, zou kunnen worden afgeleid dat deze een minder belastend karakter had dan door het Uwv is aangenomen. Dit laat echter de beoordeling van de geschiktheid van appellante voor haar werk onverlet.4.6. Met de onder 4.3 en 4.4 genoemde rapporten heeft het Uwv het standpunt dat appellante met ingang van 2 december 2013 geschikt kan worden geacht om haar arbeid in de functie van zorgcoördinator voor 24 uur per week te verrichten, voorzien van een inzichtelijke en begrijpelijke motivering. Hieruit volgt dat het Uwv op goede gronden het recht op ziekengeld met ingang van 2 december 2013 heeft beëindigd.


4.7.

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2015.




(getekend) H.G. Rottier




(getekend) L.L. van den IJssel




UM