Centrale Raad van Beroep, 14-12-2015 / 13/3236 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:4526

Inhoudsindicatie
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat gesproken moet worden van een kennelijk andere oorzaak van de arbeidsongeschiktheid als die ten grondslag heeft gelegen aan de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 oktober 1984. Aan de gedingstukken ontleent de Raad onvoldoende aanwijzingen dat een toename van de arbeidsongeschiktheid van appellant is ingetreden op basis van dezelfde klachten die ten grondslag hebben gelegen aan de beoordeling voorafgaand aan 1 oktober 1984.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-14
Publicatiedatum
2015-12-16
Zaaknummer
13/3236 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3236 WAO

Datum uitspraak: 14 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

22 mei 2013, 11/6001 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.A.A. Lelijveld, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontvangt sinds 16 augustus 1983 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), aanvankelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Per 1 oktober 1984 is de WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Na een herbeoordeling in 1995 is appellant per 19 maart 1995 toegenomen arbeidsongeschikt geacht en is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 25 tot 35%. Bij besluit van 10 december 2004 heeft het Uwv appellant, naar aanleiding van een melding van toename van zijn arbeidsongeschiktheid, ongewijzigd 25 tot 35% arbeidsongeschikt geacht.


1.2.

Appellant heeft bij het Uwv per 27 april 2009 een toename van zijn arbeidsongeschiktheid geclaimd. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 25 juli 2011 appellant bericht dat de WAO-uitkering niet wordt herzien, omdat de toegenomen arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een andere ziekteoorzaak, waarvoor appellant niet is verzekerd.


1.3.

Bij besluit van 9 november 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 25 juli 2011 gehandhaafd, onder verwijzing naar het rapport van 3 november 2011 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Op 1 oktober 1984 was sprake van nekklachten en nekbeperkingen (cervicale slijtage) en die aandoeningen zijn destijds reden geweest voor de toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Nu er geen sprake is van toename van arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak, is er terecht geen arbeidskundig onderzoek verricht. Voorts heeft het Uwv gesteld dat er ook geen aanleiding is om terug te komen van de beslissing over de arbeidsongeschiktheid per 1 oktober 1984, omdat er geen sprake is van nieuwe medische feiten die zien op de arbeidsongeschiktheid per 1 oktober 1984.


1.4.

Het Uwv heeft appellant tijdens de beroepsprocedure opgeroepen voor een persoonlijk onderzoek. In zijn rapport van 15 maart 2012 heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep hiervan verslag gedaan en een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Tevens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderzoek verricht, waarvan verslag is gelegd in het rapport van 12 april 2012. De mate van arbeidsongeschiktheid blijft ongewijzigd 25 tot 35%.


2.1.

De rechtbank heeft het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar tevens bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv naar aanleiding van de melding van toename van de arbeidsongeschiktheid eerst na het bestreden besluit, namelijk naar aanleiding van het door appellant ingestelde beroep, een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek heeft verricht. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en niet in stand kan blijven.


2.2.

De rechtbank heeft vervolgens bezien of de door appellant geclaimde toename van arbeidsongeschiktheid kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid ter zake waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering per 1 oktober 1984 wordt ontvangen, is voortgekomen. De rechtbank heeft in de beschikbare gegevens die zien op de datum 1 oktober 1984 geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat als oorzaak voor de toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering klachten van psychische aard of andere fysieke klachten dan de nekklachten een rol hebben gespeeld. Deze klachten zijn bij de beoordeling van de door appellant gestelde toename van de klachten door het Uwv terecht als niet-verzekerde klachten buiten beschouwing gelaten. Dat appellant ten tijde van de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid per 1 oktober 1984 - en mogelijk ook al eerder - wel psychische klachten heeft ervaren en het feit dat de verzekeringsarts in 1983 in zijn rapport een opmerking heeft gemaakt over de (dysfore) stemming van appellant, maakt dit niet anders, nu niet blijkt dat die psychische klachten of stemming mede bepalend zijn geweest voor de toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 15 maart 2012 geconcludeerd dat er in essentie ten opzichte van 1 oktober 2004 geen wijziging is opgetreden in de belastbaarheid van de nek. Bij de beoordeling in 1985 door neuroloog Teunissen worden de klachten grotendeels van tendomyogene aard geacht. Bij beoordelingen nadien zijn geen aanwijzingen meer gevonden voor recidief HNP op cervicaal niveau, evenmin in 2004 in Oostenrijk, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. In de rapporten van 15 maart 2012 en 13 juni 2012 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd waarom volgens hem geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid ten aanzien van de verzekerde klachten per 27 april 2009. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd in zijn aanvullende rapport van 23 oktober 2012 dat de door hem opgestelde FML van toepassing is op 27 april 2009. Voorts heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank in zijn rapporten van 12 april 2012 en 29 juni 2012 voldoende gemotiveerd dat appellant per

25 juli 2011 ingedeeld blijft in arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.


3.1.

Appellant kan zich met deze uitspraak niet verenigen en heeft daartoe in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd onder verwijzing naar de gegevens in het dossier, dat er bij aanvang van de WAO-uitkering ook al sprake moet zijn geweest van psychische problematiek en klachten aan de benen en dat deze problematiek ten onrechte buiten beschouwing is gelaten bij het huidige medische onderzoek. Voor ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant gewezen op verklaring van M.R.P.Velthuis, GZ-psycholoog, van 20 november 2014 en een verslag van een psychodiagnostisch onderzoek van 2 juni 2015.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In het bestreden besluit heeft het Uwv het standpunt neergelegd dat verhoging van de WAO-uitkering van appellant niet kan plaatsvinden omdat er op 1 oktober 1984 alleen sprake was van nekklachten en nekbeperkingen en dat de geclaimde toename van psychische en andere aandoeningen niet verzekerd is en bij de herbeoordeling niet meegewogen kunnen worden. Tevens zijn geen nieuwe medische feiten of omstandigheden aanwezig om de beslissing van19 september 1986 over de situatie per 1 oktober 1984 niet te handhaven.


4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat gesproken moet worden van een kennelijk andere oorzaak van de arbeidsongeschiktheid als die ten grondslag heeft gelegen aan de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 oktober 1984. Aan de gedingstukken ontleent de Raad onvoldoende aanwijzingen dat een toename van de arbeidsongeschiktheid van appellant is ingetreden op basis van dezelfde klachten die ten grondslag hebben gelegen aan de beoordeling voorafgaand aan 1 oktober 1984. De Raad onderschrijft dienaangaande het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank. In hoger beroep heeft appellant geen gegevens van medische aard ingebracht die aanleiding geven voor een ander oordeel. Ook de verklaring van

GZ-psycholoog Velthuis en het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek bieden hiertoe geen aanknopingspunten, nu de bevindingen van dit psychodiagnostisch onderzoek niet van invloed zijn op de bevindingen van destijds. Ook het gestelde in de brief van appellant van

20 oktober 2015 levert geen ander inzicht.


4.3.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1) moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Uit de gedingstukken valt af te leiden dat het hier niet slechts gaat om een verzoek om verhoging maar ook, zoals het Uwv heeft neergelegd in het bestreden besluit, om een verzoek om terug te komen van het besluit van 19 september 1986 over de situatie per 1 oktober 1984. Op basis van de voorhanden zijnde stukken moet worden gesteld dat er geen medische gegevens zijn die het standpunt van appellant ondersteunen.


4.4.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaan geen aanleiding.













BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van

J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

14 december 2015.




(getekend) C.P.J. Goorden




(getekend) J.R. van Ravenstein




AP