Centrale Raad van Beroep, 11-12-2015 / 14/5202 WWAJ-T


ECLI:NL:CRVB:2015:4534

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Afwijzing aanvraag (laattijdige) Wajong-uitkering. In het onderhavige geval heeft appellant middels een tweetal rapporten die uitvoerig zijn gemotiveerd, zijn aanvraag onderbouwd, terwijl hij in beroep nog een derde uitgebreid rapport heeft overgelegd. Uit die rapporten komt naar voren (zoals ook door de verzekeringsarts is geconstateerd) dat hij rond zijn zeventiende en achttiende jaar aan een of meer aangeboren psychische aandoeningen leed die als ziekte of gebrek te kwalificeren zijn. Stappenplan als interne richtlijn en hulpmiddel. Opdracht herstel gebrek.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-11
Publicatiedatum
2015-12-16
Zaaknummer
14/5202 WWAJ-T
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5202 WWAJ-T

Datum uitspraak: 11 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

7 augustus 2014, 14/1649 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2015, waar namens appellant mr. Brauer is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN


1. Appellant, geboren [in] 1975, heeft op 15 oktober 2013 een aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij vermeldde hij dat hij lijdt aan autismespectrumstoornissen, slaapproblemen en ADHD; een rapport van 3 oktober 2013 van PsyQ, opgesteld door de psycholoog drs. E. Steins en de psychiater drs. A. Shazad, is in het kader van die aanvraag overgelegd. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellant op het spreekuur onderzocht. In het medisch onderzoeksverslag van 14 november 2013 vermeldt de verzekeringsarts onder meer dat de cognitieve mogelijkheden van appellant licht beneden gemiddeld zijn en dat de diagnose autistische stoornis door PsyQ is gesteld. Tevens wordt vermeld dat eerder in 2008 bij een psychologisch onderzoek een andere ontwikkelingsstoornis was vastgesteld en dat deze nu als uitgestelde diagnose was gesteld. Blijkens de brief van PsyQ van 3 oktober 2013 luidt deze uitgestelde diagnose ADHD; daarbij is de verzekeringsarts van opvatting dat de diagnosticeerde aandoeningen aanwezig waren in het zeventiende en achttiende levensjaar van appellant, nu het om een ontwikkelingsstoornis gaat. Aan het einde van haar rapport concludeert de verzekeringsarts dat zij wegens onvoldoende objectieve gegevens niet tot een oordeel kan komen over de belastbaarheid van appellant in zijn zeventiende en achttiende jaar. Kennelijk om deze reden heeft de verzekeringsarts geen Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld en is een arbeidskundig onderzoek achterwege gebleven. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 19 november 2013 de aanvraag van een Wajong-uitkering afgewezen, omdat het Uwv niet heeft kunnen vaststellen dat appellant vanaf 27 maart 1993 arbeidsongeschikt was en er daarom van uitgaat dat hij arbeidsgeschikt was.


2. Appellant heeft tegen het besluit van 19 november 2013 bezwaar gemaakt. Daarbij is een arbeidsreïntegratieadvies van 13 juli 2009, dat onder meer is opgesteld door

drs. S.P.M. Frissen, klinisch psycholoog, overgelegd. In de achtergrondinformatie die in dat advies is opgenomen, wordt een uitvoerig overzicht gegeven van de voorgeschiedenis van appellant, waarbij ook wordt ingegaan op de situatie van appellant omstreeks zijn zeventiende en achttiende jaar. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft kennisgenomen van de hiervoor genoemde gegevens betreffende de gezondheidstoestand van appellant en van het bezwaarschrift; na de hoorzitting heeft hij een gesprek met appellant gevoerd. Op grond daarvan is hij tot de conclusie gekomen dat de bezwaren geen aanleiding vormen de medische grondslag waarop de primaire beslissing berust, te herzien. Daarna heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 23 april 2014 (bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat Uwv zich verenigt met het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Voorts is daarbij overwogen dat sprake is van een laattijdige aanvraag, waarbij de omstandigheid dat door het tijdsverloop de medische situatie niet meer verantwoord is vast te stellen voor risico blijft van degene die (alsnog) de aanvraag doet. Het bestreden besluit vermeldt onder meer de artikelen 2:3, 3:1 en 3:3 van de Wajong als wettelijke grondslag.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant, die in beroep nog een rapport van Mondriaan, instelling voor geestelijke gezondheid, van 19 december 2008 in het geding heeft gebracht, tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het Uwv zijn besluitvorming kon baseren op het standpunt dat sprake is van een laattijdige aanvraag, waarbij de omstandigheid dat door tijdsverloop de medische suatie niet meer is vast te stellen voor risico van appellant blijft.


4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de beoordeling door het Uwv onzorgvuldig is geweest en dat dit ten onrechte door de rechtbank niet is onderkend. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het Uwv op basis van de gegevens die thans ter beschikking staan, een serieuze beoordeling had moeten doen en niet de vaststelling van beperkingen achterwege had mogen laten met een beroep op bewijsrisico dat op appellant rust door zijn laattijdige aanvraag. De ter beschikking staande stukken over de gezondheidstoestand van appellant hadden naar zijn opvatting in onderling verband moeten bezien moeten worden.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1.

In zijn uitspraak van 8 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1111) heeft de Raad aanleiding gezien om over aanvragen om toekenning van een uitkering op grond van de Wajong die zijn ingediend na 1 januari 2010 door personen die geboren zijn voor 1 januari 1980, wat betreft het toepasselijke recht, anders te oordelen dan de Raad heeft gedaan in zijn uitspraak van

9 mei 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1600). Gelet op de uitspraak van 8 april 2015 dient de beoordeling van de aanspraken van appellant plaats te vinden aan de hand van het bepaalde in de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), zoals luidende ten tijde van het zeventiende en achttiende levensjaar van appellant.


5.2.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de AAW, zoals deze bepaling destijds luidde, is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die ten gevolge van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is om met arbeid, die voor zijn krachten en bekwaamheden is berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep hem in billijkheid kan worden opgedragen, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht of op een naburige soortgelijke plaats, te verdienen, hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen, van dezelfde soort en opleiding, op zodanige plaats met arbeid gewoonlijk verdienen.


5.3.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW heeft recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde, die op de dag, waarop hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.


5.4.

In dit geding verschillen partijen van mening over de medische toestand en de daaruit voortvloeiende beperkingen van appellant in zijn zeventiende en achttiende levensjaar. Anders dan bij een tijdige aanvraag dient bij een laattijdige aanvraag als de onderhavige een retrospectieve beoordeling plaats te vinden over een tijdvak in een (ver) verleden. Deze omstandigheid betekent, zoals door de rechtbank met juistheid is overwogen, overeenkomstige de vaste jurisprudentie van de Raad dat, als onvoldoende gegevens over de gezondheidstoestand van appellant in het betreffende tijdvak beschikbaar zijn, deze omstandigheid voor risico van betrokkene komt. Hieruit vloeit voort dat slechts beperkingen kunnen worden aangenomen voor zover de wel beschikbare medische gegevens daartoe voldoende grondslag vormen. Het hoort daarbij tot de medische deskundigheid van de verzekeringsarts om te beoordelen in hoeverre die wel beschikbare gegevens aannemelijk maken dat destijds bepaalde beperkingen golden en op welke wijze die beperkingen in een FML moeten worden neergelegd.


5.5.

In het onderhavige geval heeft appellant middels een tweetal rapporten die uitvoerig zijn gemotiveerd, zijn aanvraag onderbouwd, terwijl hij in beroep nog een derde uitgebreid rapport heeft overgelegd. Uit die rapporten komt naar voren (zoals ook door de verzekeringsarts is geconstateerd) dat hij rond zijn zeventiende en achttiende jaar aan een of meer aangeboren psychische aandoeningen leed die als ziekte of gebrek te kwalificeren zijn. Onder die omstandigheden kon het Uwv - anders dan de rechtbank meent - niet volstaan ter motivering van de afwijzing van de aanvraag dat de beperkingen en de arbeidsongeschiktheid niet meer zijn vast te stellen en zulks voor risico van appellant komt. Het op appellant rustende bewijsrisico dat voortvloeit uit een laattijdige aanvraag, ontslaat het Uwv in die situatie niet van de verplichting tot een medisch en arbeidskundig oordeel te komen op grond van de beschikbare gegevens. Daarbij is het mogelijk dat die vaststelling met minder dan de gebruikelijke zekerheid moet geschieden en in dat geval kunnen die resterende onzekerheden voor risico van appellant gebracht worden in de zin dat in zoverre geen beperkingen worden aangenomen.


5.6.

De Raad vestigt er daarbij nog de aandacht op dat voor de beoordeling van laattijdige Wajongaanvragen het Uwv een “stapsgewijze beoordeling van laattijdige aanvragen” (Stappenplan) heeft ontwikkeld. De Raad gaat ervan uit dat dit Stappenplan slechts een interne richtlijn en hulpmiddel is en geen verbindende kracht toekomt; desondanks kan het niet iedere betekenis worden ontzegd bij de beoordeling of een laattijdige aanvraag voldoende gemotiveerd is afgewezen. In dat Stappenplan staat onder het kopje gegevens verzamelen en beoordelen o.a. het volgende vermeld.


“Er gelden bij het verzamelen van gegevens en het doen van onderzoek twee principes: de klant moet informatie verstrekken en gegevens aanleveren en het Uwv heeft een onderzoeksplicht: informatie dient geverifieerd en aangevuld te worden waar nodig is. Als gegevens van derden ondanks inspanningen ontbreken of onduidelijkheden blijven bestaan over een periode in het verleden, moet het advies opgesteld worden op basis van de zelf verzamelde feiten, het eigen oordeel en de eigen conclusies. (….) Dit betekent dat het dilemma niet wordt opgelost met argumenten als omkeerde bewijslast. Aan de andere kant: als wij niet kunnen beargumenteren dat klant arbeidsongeschikt was, gunnen wij hem niet het voordeel van de twijfel, tenzij de klant het tegendeel kan bewijzen. Het oordeel wordt ook bij hiaten en onduidelijkheden op basis van vakinhoudelijke argumenten gegeven.”


Uit deze passage leidt de Raad af - in lijn met het onder 5.1 tot en met 5.5 overwogene - dat een afwijzing in beginsel niet gebaseerd dient te zijn op argumenten die uitsluitend of hoofdzakelijk ontleend zijn aan het op een verzekerde rustende bewijsrisico, maar op een inhoudelijke medische beoordeling.


6. Uit overwegingen 5.1 tot en met 5.6 volgt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd, zodat het besluit niet in stand kan blijven wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het Uwv zal een aanvullende deugdelijk beargumenteerde en onderbouwde beoordeling van de aanvraag van appellant moeten maken, wat de opstelling van een FML en een arbeidskundig onderzoek impliceert. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv op te dragen de gebreken in het besluit van 23 april 2014 te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en H. van Leeuwen en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2015.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) J.R. van Ravenstein




RB