Centrale Raad van Beroep, 15-12-2015 / 12/1523 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:4550

Inhoudsindicatie
Ingangsdatum toekenning bijstand. Geen bijstand met terugwerkende kracht. Appellant heeft alsnog een verblijfsvergunning gekregen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-15
Publicatiedatum
2015-12-21
Zaaknummer
12/1523 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/1523 WWB

Datum uitspraak: 15 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

2 februari 2012, 11/2197 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.E. Jalandoni, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jalandoni. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W. van Beveren.

De Raad heeft op 18 december 2014 het onderzoek heropend en partijen onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 27 mei 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1900) en

9 september 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3030) gevraagd of zij hierin aanleiding zien voor een nadere standpuntbepaling. Partijen hebben hierop schriftelijk gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 3 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jalandoni. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Beveren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Op 15 augustus 2008 heeft appellant de Afdeling Sociale Zaken van de gemeente Utrecht bezocht voor een “voor-intake” ten behoeve van een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Tijdens het gesprek heeft appellant een brief van de Solidariteitsorganisatie voor vluchtelingen en migranten zonder verblijfsvergunning (STIL) van 25 juli 2008 overgelegd, waarin wordt vermeld dat appellant in aanmerking komt voor het zogeheten Generaal Pardon en dat STIL voor appellant een aanvraag om bijstand wil indienen. In het door een consulent en appellant op 15 augustus 2008 ondertekende formulier “voor-intake” is vermeld dat met appellant is afgesproken dat hij zich moet melden zodra hij een verblijfsvergunning heeft ontvangen.


1.2.

Bij besluit van 7 januari 2011 heeft de toenmalige minister voor Immigratie en Asiel het aanbod aan appellant op grond van de Regeling Afwikkeling Nalatenschap oude Vreemdelingenwet alsnog gestand gedaan en appellant een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend, met ingang van 15 juni 2007 en geldig tot 15 juni 2008, onder gelijktijdige verlening van een vergunning voor voortgezet verblijf voor de duur van vijf jaar, geldig tot 15 juni 2013. De Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft op 21 januari 2011 het verblijfsdocument afgegeven.


1.3.

Op 17 februari 2011 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingediend.


1.4.

Bij besluit van 18 maart 2011 heeft het college appellant met ingang van 21 januari 2011 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande.


1.5.

In bezwaar heeft appellant betoogd dat de ingangsdatum van de bijstand 15 juni 2007 dan wel 15 augustus 2008 moet zijn.


1.6.

Bij besluit van 6 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het college - onder herroeping in zoverre van het besluit van 18 maart 2011 - aan appellant met terugwerkende kracht vanaf

15 augustus 2008 bijstand verleend en de bijstand over de periode van 15 augustus 2008 tot 21 januari 2011 beperkt tot een bedrag van € 850,-. Het college heeft aan het bestreden besluit - kort samengevat - ten grondslag gelegd dat appellant zich op 15 augustus 2008 voor het eerst heeft gemeld voor een aanvraag om bijstand en dat hij eerst op 17 februari 2011 een aanvraag om bijstand met terugwerkende kracht heeft ingediend. De omstandigheid dat appellant met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning heeft gekregen is niet zodanig bijzonder dat in afwijking van de artikelen 43 en 44 van de WWB met terugwerkende kracht volledige bijstand kan worden verleend. Omdat appellant aannemelijk heeft gemaakt dat bij hem in de periode van 20 januari 2009 tot en met 11 mei 2009 een reële schuld van in totaal

€ 850,- jegens STIL is ontstaan, heeft het college de bijstand tot dat bedrag beperkt. Verder is niet gebleken dat appellant anderszins over onvoldoende middelen heeft beschikt om in de kosten van het bestaan te voorzien.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.


4.2.

De beroepsgrond dat als uitgangspunt voor de aanvang van volledige bijstandverlening de datum van 15 augustus 2008 moet worden genomen omdat hij op die datum een aanvraag om bijstand heeft ingediend, slaagt niet. Zoals onder 1.1 is vermeld heeft op 15 augustus 2008 een voor-intake plaatsgevonden en heeft appellant tijdens het gesprek een brief van STIL van

25 juli 2008 overgelegd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant bij deze

voor-intake op 15 augustus 2008 geen aanvraag om bijstand heeft ingediend. Het college heeft dan ook terecht de aanvraag van 17 februari 2011 als uitgangspunt genomen.


4.3.

Volgens vaste rechtspraak inzake de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB (uitspraak van 21 maart 2006, ELCI:NL:CRVB:2006:AV8690) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.


4.4.

Zoals de Raad in zijn uitspraak van 27 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1900, heeft overwogen, bestaan in beginsel bijzondere omstandigheden om met terugwerkende kracht het recht op bijstand te beoordelen en vast te stellen, indien aan een vreemdeling met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning wordt verleend. Dit laat echter onverlet dat bij aanvragen om bijstand de bewijslast van bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager rust.


4.5.

Het aanvullende karakter van de WWB brengt mee dat appellant als aanvrager aannemelijk moet maken dat hij over de achteraf te beoordelen periode kosten voor levensonderhoud heeft gemaakt en tot welke omvang, en dat daarin nog niet is voorzien. In lijn met de in 4.4 genoemde uitspraak mag van appellant worden verlangd dat hij over de achteraf te beoordelen periode zo gedetailleerd en nauwkeurig mogelijk opgave doet van de wijze waarop hij zijn leven heeft ingericht en hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Daarbij dient hij zo mogelijk bewijsstukken over te leggen en in ieder geval concrete aanknopingspunten te verschaffen voor onderzoek en verificatie door het bijstandverlenend orgaan. Van appellant mag bijvoorbeeld worden verlangd dat hij de namen en adressen noemt van degenen die hem hebben voorzien van onderdak en levensbehoeften en dat hij zoveel mogelijk precieze data en bedragen opgeeft van aangegane leningen. Het college heeft de verplichting om de aanvraag en de aldus gegeven onderbouwing zorgvuldig te onderzoeken en te verifiëren aan de hand van het verschafte bewijs en de gegeven aanknopingspunten. Indien appellant slaagt in zijn bewijsvoeringslast, dient de bijstandsverlening beperkt te blijven tot de som van de gemaakte kosten van levensonderhoud.


4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant, gelet op de door hem overgelegde verklaringen van STIL, over de periode van 20 januari 2009 tot 11 mei 2009 van STIL in totaal een bedrag van € 850,- aan voorschotten heeft ontvangen die hij aan STIL moet terugbetalen. Dat betekent dat appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij over de periode tot 21 januari 2011 tot een bedrag van € 850,- niet heeft kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij tot een hoger bedrag dan € 850,- niet heeft kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Appellant heeft naast de verklaringen van STIL geen gedetailleerde en nauwkeurige opgave gedaan van de wijze waarop hij zijn leven heeft ingericht en hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Anders dan appellant heeft gesteld bieden de verklaringen van STIL, waarin alleen de voorschotbedragen tot een totaal van € 850,- zijn vermeld en de verplichting tot terugbetaling, geen concreet aanknopingspunt voor nader onderzoek door het college hoe appellant overigens in zijn kosten van levensonderhoud heeft voorzien.


4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. Hillen en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2015.




(getekend) W.H. Bel




(getekend) C. Moustaïne




HD