Centrale Raad van Beroep, 11-02-2015 / 12-4762 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:460

Inhoudsindicatie
Bekendmaking besluit, geen verwevenheid met een andere procedure, termijnoverschrijding niet verschoonbaar.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-11
Publicatiedatum
2015-02-23
Zaaknummer
12-4762 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/98
  • NJB 2015/471
  • JB 2015/63
  • USZ 2015/107
Uitspraak

12/4762 WAO

Datum uitspraak: 11 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van12 juli 2012, 12/364 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2014. Namens appellant is verschenen mr. Van Dijk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN


1.1.

Op 9 mei 2001 is appellant uitgevallen voor zijn werkzaamheden als metaalmedewerker voor 28,8 uur per week bij [naam werkgever]. Het Uwv heeft appellant met ingang van 8 mei 2002 een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Sinds 1 september 2003 is appellant weer werkzaam bij [naam werkgever] voor 8 uur per week.


1.2.

Bij besluit van 2 december 2010 heeft het Uwv bepaald dat de WAO-uitkering van appellant onder toepassing van artikel 44 van de WAO per 1 maart 2009 wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, wegens de inkomsten uit arbeid bij [naam werkgever]. Bij besluit van eveneens 2 december 2010 heeft het Uwv de toepassing van artikel 44 van de WAO per 1 maart 2010 beëindigd, omdat de inkomsten bij [naam werkgever] lager werden. Namens appellant heeft mr. Van Dijk bezwaar gemaakt tegen deze besluiten van

2 december 2010. Bij besluit van 23 mei 2011, verzonden aan mr. Van Dijk, heeft het Uwv de bezwaren tegen de besluiten van 2 december 2010 ongegrond verklaard. In dit besluit van

23 mei 2011 heeft het Uwv onder meer het volgende vermeld:


“Uit onze gegevens blijkt dat uw loon inmiddels weer is verhoogd. Wij hebben onze primaire afdeling gevraagd om te beoordelen ingaande welke datum artikel 44 weer toegepast moet worden en er mogelijk weer recht bestaat op toeslag vanwege het verlagen van uw WAO-uitkering. Dienaangaande ontvangt u nog een primair besluit.”


Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.


2.1.

Bij besluit van 22 augustus 2011, verzonden aan appellant, heeft het Uwv bepaald dat de WAO-uitkering van appellant in verband met inkomsten uit arbeid bij [naam werkgever] onder toepassing van artikel 44 van de WAO per 1 februari 2011 wordt uitbetaald naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid.


2.2.

Bij besluit van 22 september 2011, verzonden aan appellant, heeft het Uwv de over de periode van 1 februari 2011 tot en met 30 juni 2011 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering van € 1.563,39 van appellant teruggevorderd.


2.3.

Namens appellant heeft mr. A. Mulder, kantoorgenoot van mr. Van Dijk, op 31 oktober 2011 een inleidend bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 22 september 2011. In het aanvullend bezwaarschrift van 4 januari 2012 heeft mr. Van Dijk tevens bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 augustus 2011.


2.4.

Bij besluit van 13 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 augustus 2011 niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet-verschoonbare termijnoverschrijding, en het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 september 2011 ongegrond verklaard.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv niet gehouden was het besluit van 22 augustus 2011 (tevens) aan de gemachtigde van appellant te versturen. Volgens de rechtbank heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 augustus 2011 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het Uwv gehouden is een onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. Het feit dat het besluit van 22 augustus 2011 in rechte vast staat, betekent dat het Uwv terecht en op juiste gronden tot terugvordering is overgegaan. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is de rechtbank niet gebleken.


4.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 22 augustus 2011 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Appellant heeft betoogd dat in dit geval sprake was van een nauwe verwevenheid tussen het besluit van 23 mei 2011 en het besluit van 22 augustus 2011, nu het Uwv in het besluit van 23 mei 2011 heeft aangekondigd dat rechtstreeks uit dat besluit voortvloeiende consequenties in een nader primair besluit neergelegd zullen worden. Het Uwv had het besluit van 22 augustus 2011 daarom (tevens) moeten toesturen aan de bij het Uwv bekende gemachtigde van appellant. Nu dat niet is gebeurd, is het besluit van 22 augustus 2011 niet op de juiste wijze bekend gemaakt.


4.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1.

Ter zitting heeft appellant te kennen gegeven dat zijn hoger beroep uitsluitend ziet op de in het bestreden besluit neergelegde niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar tegen het besluit van 22 augustus 2011.


5.2.1.

Ingevolge artikel 2:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mag een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.


5.2.2.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.


5.2.3.

Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt deze termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Ingevolge artikel 3:42, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.


5.2.4.

Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.


5.3.1.

Niet in geschil is dat mr. Van Dijk zich niet als gemachtigde van appellant heeft gesteld ten aanzien van het besluit van 22 augustus 2011. De vraag is of het Uwv dit besluit toch aan mr. Van Dijk had moeten toezenden, alvorens dit besluit op voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.


5.3.2.

Op grond van vaste rechtspraak van de Raad dient bij een nauwe verwevenheid tussen besluiten een opvolgend besluit (ook) aan de reeds bij het bestuursorgaan bekende gemachtigde te worden toegezonden (zie bijvoorbeeld CRvB 18 november 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN9715 en CRvB 17 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2959). Als dit niet is gebeurd, is het besluit niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt.


5.3.3.

In dit geval was het weliswaar zo dat mr. Van Dijk gemachtigde was van appellant in de bezwaarprocedure tegen de besluiten van 2 december 2010. Maar zoals in 1.2 is omschreven, heeft het Uwv bij besluit van 23 mei 2011 de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 2 december 2010 ongegrond verklaard. Aangezien appellant geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen dit besluit, is daarmee deze procedure geëindigd. Daarom kan geen sprake zijn van een nauwe verwevenheid als gevolg waarvan het Uwv het besluit van 22 augustus 2011 (ook) aan mr. Van Dijk had dienen te verzenden.


5.4.

Uit 5.3 volgt dat het Uwv het besluit van 22 augustus 2011 met de verzending aan appellant op de juiste wijze bekend heeft gemaakt. Niet in geschil is dat dit besluit aan appellant is verzonden, zodat de bezwaartermijn van zes weken is aangevangen op

23 augustus 2011. Nu verder niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest, heeft het Uwv terecht geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 augustus 2011

is dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.


5.5.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5.6.

Er is geen aanleiding om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente.


6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:


- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente af.



Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2015.




(getekend) C.C.W. Lange




(getekend) J.R. van Ravenstein






NK