Centrale Raad van Beroep, 16-12-2015 / 14/4297 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:4601

Inhoudsindicatie
Vaststelling en terugvordering niet-verantwoord pgb.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-16
Publicatiedatum
2015-12-17
Zaaknummer
14/4297 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4297 AWBZ

Datum uitspraak: 16 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 juni 2014, 14/566 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

CZ Zorgkantoor (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2015.

Appellant is niet verschenen. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S.A.M. Clijsen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Bij besluit van 16 maart 2012 heeft het Zorgkantoor op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) aan appellant voor 2012 een persoonsgebonden budget (PGB) toegekend van € 9.172,20 voor verschillende zorgfuncties.


1.2.

Bij besluit van 12 april 2013 heeft het Zorgkantoor het PGB over 2012 vastgesteld op

€ 3.403,50 en een bedrag van € 5.768,70 van appellant teruggevorderd.


1.3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 april 2013 en aangevoerd dat een bedrag van € 3.600,- van hem is gestolen en hij € 1.400,- heeft besteed aan een verhuizing. Hij zou € 15,- per maand kunnen afbetalen. Meer kan hij niet afbetalen, omdat de Belastingdienst beslag heeft gelegd op zijn uitkering.


1.4.

Bij besluit van 23 december 2013 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Zorgkantoor ten grondslag gelegd dat appellant de besteding van het PGB over de tweede helft van 2012 niet heeft verantwoord, zodat hij niet heeft voldaan aan de aan het PGB verbonden verplichtingen als bedoeld in de Regeling subsidies AWBZ. Het Zorgkantoor was daarom bevoegd om het PGB over 2012 lager vast te stellen dan het bij de verlening bepaalde bedrag. Het Zorgkantoor heeft geen reden gezien om af te zien van terugvordering.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat vast staat dat het PGB over de tweede helft van 2012 onverschuldigd is betaald. Het Zorgkantoor vordert onverschuldigd betaalde bedragen in beginsel terug. De rechtbank acht dit niet onredelijk omdat het PGB niet is besteed aan AWBZ-zorg. In de door appellant gestelde betalingsonmacht is geen grond gelegen voor het oordeel dat het Zorgkantoor niet tot terugvordering heeft kunnen overgaan. Dit doet immers niet af aan het feit dat appellant geld heeft ontvangen waarop hij geen recht had.


3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij onvoldoende financiële draagkracht heeft om de terugvordering te kunnen betalen en verzocht om kwijtschelding van de terugvordering.


3.2.

Het Zorgkantoor heeft geconcludeerd tot bevestiging van de aangevallen uitspraak. Ter zitting heeft het Zorgkantoor verklaard dat het nog openstaande bedrag wegens oninbaarheid is afgeboekt.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

Het Zorgkantoor dient bij de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid tot terugvordering van onverschuldigd betaalde PGB-voorschotten rekening te houden met de in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de door appellant in dat kader aangevoerde omstandigheid dat hij onvoldoende financiële draagkracht heeft niet kan leiden tot het oordeel dat het Zorgkantoor niet redelijkerwijs tot terugvordering heeft kunnen overgaan. Daarbij is van belang dat het Zorgkantoor bij de inning of invordering van de geldschuld rekening moet houden met de bescherming van de beslagvrije voet.


4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015.




(getekend) J.P.A. Boersma




(getekend) D. van Wijk



UM