Centrale Raad van Beroep, 17-12-2015 / 14-3740 WUV


ECLI:NL:CRVB:2015:4608

Inhoudsindicatie
Nu niet is voldaan aan de onder 2.1.1 genoemde maatstaf, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat bij betrokkene geen sprake is van een verminderd functioneren in de zin van de Wuv. Betrokkene is daarom terecht niet in aanmerking gebracht voor een periodieke uitkering. Er zijn geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerder in navolging van zijn geneeskundig adviseurs ingenomen standpunt. Er zijn geen medische gegevens voorhanden die daartoe aanleiding zouden kunnen geven.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-17
Publicatiedatum
2015-12-18
Zaaknummer
14-3740 WUV
Procedure
Eerste en enige aanleg
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3740 WUV

Datum uitspraak: 17 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

de erven en/of rechtverkrijgenden van [betrokkene] te [woonplaats] (appellanten)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 mei 2014, kenmerk BZ01717526 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2015. Daar is namens appellanten verschenen [naam A.] , bijgestaan door mr. Van Berkel als gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

In juni 2013 heeft [betrokkene] , geboren in 1942 en overleden op 20 december 2013, hierna: betrokkene, een zogenoemde samenloop-aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 dan wel de Wuv.


1.2.

Bij besluit van 7 januari 2014 is betrokkene erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. Aanvaard is dat de psychische klachten van betrokkene in verband staan met de vervolging. Een dergelijk verband is niet aanvaard voor de lichamelijke klachten (eczeem, longklachten, overgewicht, slaapapneusyndroom, suikerziekte en de hart- en vaatklachten). Aan betrokkene zijn vergoedingen toegekend voor één dagdeel huishoudelijke hulp, vervoer voor medische behandelingen in verband met psychische klachten en niet-gedekte medische behandeling en medicijnen in verband met psychische klachten, en een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer. Voor zover de aanvraag zag op toekenning van een periodieke uitkering heeft verweerder die aanvraag afgewezen op de grond dat de psychische klachten niet hebben geleid tot een verminderd functioneren. De eveneens gevraagde vergoeding voor meer dan één dagdeel huishoudelijke hulp is afgewezen op de grond dat deze voorziening niet medisch noodzakelijk is.


1.3.

Het tegen het besluit van 7 januari 2014 gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.


1.4.

Appellanten hebben zich in beroep op het standpunt gesteld dat de psychische klachten van betrokkene bij hem wel hebben geleid tot een verminderd functioneren, dat de lichamelijke klachten wel in verband staan met de vervolging en dat betrokkene was aangewezen op meer dan één dagdeel huishoudelijke hulp.


2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Periodieke uitkering


2.1.1.

Van verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdsgenoten in het kader van de Wuv is volgens het beleid van verweerder sprake als er tenminste matige beperkingen bestaan in drie van de vier aan de American Medical Association (AMA) ontleende rubrieken, dan wel matige beperkingen in één rubriek en aanzienlijke of ernstige beperkingen in een andere. Deze maatstaf is door de Raad in vaste rechtspraak aanvaard (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1565).


2.1.2.

Verweerder heeft zijn standpunt in het primaire besluit gebaseerd op het door de geneeskundig adviseur A.J. Maas, arts, uitgebrachte advies. Dat advies is tot stand gekomen na een door deze arts op 15 november 2013 bij betrokkene verricht medisch onderzoek. Daarbij is ook betrokken de van de huisarts ontvangen informatie. Maas concludeerde dat bij betrokkene sprake was van psychische klachten (PTSS-kenmerken) die wel in verband staan met de internering, maar niet leidden tot beperkingen in de onder 2.1.1 genoemde rubrieken. De lichamelijke klachten waren constitutioneel dan wel degeneratief en leeftijdgebonden van aard, aldus Maas.


2.1.3.

In de bezwaarfase is advies gevraagd aan een andere geneeskundige, de arts

R.J. Roelofs. Hij heeft het advies van Maas onderschreven. Op basis van het bezwaar concludeerde hij dat de vaste beoordelingssystematiek voor het vaststellen van invaliditeit/beperkingen (als gevolg van de psychische klachten) correct is toegepast. In bezwaar zijn geen nieuwe medische feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan het eerdere medische advies zou moeten worden heroverwogen, aldus Roelofs.


2.1.4.

Anders dan namens appellanten is aangevoerd acht de Raad het bestreden besluit op grond van de advisering van Maas en Roelofs deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Uit de voorhanden zijnde gegevens blijkt niet dat bij betrokkene sprake was van beperkingen als onder 2.1.1 vermeld. Medische gegevens op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat de beperkingen van betrokkene zijn onderschat zijn niet aanwezig. Mogelijkerwijs heeft betrokkene zich tijdens het onderzoek van Maas beter voorgedaan dan dat hij was, maar dat vindt geen steun in de (medische) stukken. Anders dan namens appellanten is bepleit kan een nader gesprek tussen de echtgenote van betrokkene en een geneeskundig adviseur niet leiden tot een ander oordeel. Met betrekking tot de lichamelijke klachten heeft de Raad in de medische gegevens geen aanknopingspunt gevonden om te twijfelen aan het ingenomen standpunt dat deze klachten niet aan het oorlogsgeweld konden worden toegeschreven. In het in het dossier aanwezige sociaal rapport is weliswaar vermeld dat betrokkene tijdens de internering bacillaire dysenterie, Engelse ziekte en oedeem heeft opgelopen, maar, wat hiervan verder ook zij, dat zijn fysieke klachten daaraan zijn toe te schrijven vindt geen steun in de medische gegevens. Van het gericht stellen van vragen aan de behandelend longarts of cardioloog, zoals namens appellanten is bepleit, heeft verweerder in dit geval kunnen afzien nu de huisarts op basis van informatie van deze behandelaars de hart-, vaat- en longaandoening uitgebreid heeft beschreven. Met de hier ontvangen informatie is dan ook voldaan aan de eis een zo actueel mogelijk beeld te verkrijgen van de gezondheidstoestand van betrokkene.


2.1.5.

Nu niet is voldaan aan de onder 2.1.1 genoemde maatstaf, heeft verweerder terecht geconcludeerd dat bij betrokkene geen sprake is van een verminderd functioneren in de zin van de Wuv. Betrokkene is daarom terecht niet in aanmerking gebracht voor een periodieke uitkering.


Uitbreiding huishoudelijke hulp


2.2.1.

Verweerder hanteert het beleid dat aan een persoon van 70 jaar en ouder, zoals betrokkene, een vergoeding voor twee dagdelen huishoudelijke hulp per week kan worden toegekend indien hij op grond van het totaal van zijn medische beperkingen - zowel causale als niet-causale - niet meer in staat is lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten.


2.2.2.

Het niet toekennen van meer dan één dagdeel huishoudelijke hulp heeft verweerder hoofdzakelijk gebaseerd op het rapport van Maas. Dat laat duidelijk zien dat betrokkene toen nog in staat was om lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten, zoals afstoffen, boodschappen doen, de vaatwasser uitruimen en helpen bij de maaltijdbereiding.


2.2.3.

Er zijn geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerder in navolging van zijn geneeskundig adviseurs ingenomen standpunt. Er zijn geen medische gegevens voorhanden die daartoe aanleiding zouden kunnen geven.


2.3.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.


3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2015.




(getekend) A. Beuker-Tilstra




(getekend) M.S. Boomhouwer




HD