Centrale Raad van Beroep, 17-12-2015 / 13/6460 WAJONG


ECLI:NL:CRVB:2015:4685

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek terug te komen van eerdere weigering Wajong-uitkering. Duuraanspraak. 1) Verleden. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in art. 4:6 Awb. 2) Toekomst. Het Uwv heeft op goede gronden het standpunt ingenomen dat uit de door appellant gestelde feiten en ingezonden stukken
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-17
Publicatiedatum
2015-12-24
Zaaknummer
13/6460 WAJONG
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6460 WAJONG

Datum uitspraak: 17 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

5 november 2013, 13/2140 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door C.M.H. van der Velden-Bentvelsen. Het Uwv heeft zich, met bericht,

niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is geboren [in] 1970 en heeft op 16-jarige leeftijd als gevolg van een bromfietsongeval een schedelbreuk opgelopen en twee weken in coma gelegen. Op 7 april 2001 heeft appellant een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingediend. In zijn aanvraag heeft appellant vermeld dat hij na het ongeval veel problemen heeft gehad, nooit heeft gerevalideerd en steeds meer last heeft gekregen van zijn beperkingen. Werk heeft hij nooit lang vol kunnen houden en van behandelingen door psychologen en psychiaters heeft hij geen baat gehad. Een verzekeringsarts heeft op basis van eigen onderzoek, de anamnese en informatie van de huisarts van appellant vastgesteld dat appellant sinds 1 april 1999 als gevolg van psychische klachten beperkt belastbaar is, met name op aspecten als conflicterende functie-eisen, verantwoordelijkheid en conflicthantering. Vervolgens is bij besluit van 16 juli 2001 vastgesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Appellant is niet als jonggehandicapte aangemerkt, omdat hij niet heeft voldaan aan de voorwaarde dat hij op de dag dat hij 17 jaar oud werd arbeidsongeschikt was en ook niet aan de voorwaarde dat hij in het jaar voorafgaande aan zijn arbeidsongeschiktheid gedurende tenminste zes maanden studerende in de zin van de Wajong was. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 juli 2001 is na onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts bij besluit van 25 februari 2002 ongegrond verklaard.


1.2.

Appellant heeft op 26 september 2002 opnieuw een aanvraag voor een Wajong-uitkering ingediend, vergezeld van een verslag van het door appellant ondergane traject bij de kliniek voor niet aangeboren hersenletsel (NAH) van Groot Klimmendaal. Het Uwv heeft bij besluit van 10 oktober 2002 meegedeeld niet terug te komen van het besluit van 16 juli 2001, omdat niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die er toe leiden dat het besluit van

16 juli 2001 onjuist zou zijn. Bij besluit van 24 april 2003 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 oktober 2002 ongegrond verklaard, met de motivering dat de informatie van het revalidatiecentrum, de Rio Rivierenland en de revalidatiearts in essentie geen nieuwe medische gegevens bevatten.


1.3.

Een derde aanvraag om toekenning van een Wajong-uitkering met verwijzing naar een bijgevoegd rapport van Argonaut heeft geleid tot een besluit van 16 augustus 2004, waarbij het Uwv opnieuw heeft besloten niet terug te komen van de beslissing van 16 juli 2001, omdat niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die er toe leiden dat de genomen beslissing onjuist zou zijn. De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 27 juni 2005 ongegrond verklaard het beroep van appellant tegen de beslissing op bezwaar van 5 januari 2005, waarbij het besluit van 16 augustus 2004 is gehandhaafd. De Raad heeft bij uitspraak van 15 februari 2008 de uitspraak van de rechtbank Arnhem bevestigd en daarbij onder meer overwogen dat op grond van de door appellant ingebrachte medische gegevens niet tot de conclusie kan worden gekomen dat appellant wegens hersenletsel als gevolg van het bromfietsongeval al veel eerder arbeidsongeschikt is geworden dan op 1 april 1999.


1.4.

Het Uwv heeft in reactie op een vierde en een vijfde aanvraag om Wajong-uitkering bij besluiten van 21 januari 2008 en 25 juni 2008 geweigerd terug te komen van de beslissing van 16 juli 2001, wegens het ontbreken van nieuwe feiten en omstandigheden.


1.5.

Op 30 oktober 2012 heeft appellant opnieuw een aanvraag om toekenning van een Wajong-uitkering ingediend. Bij die aanvraag heeft hij een besluit meegezonden, waaruit blijkt dat appellant voor een periode van vijf jaar, die aanvangt op 3 maart 2010, een indicatie heeft voor 2 tot 3.9 uur per week individuele begeleiding. Het Uwv heeft bij besluit van

16 november 2012 meegedeeld niet terug te komen op de beslissing van 16 juli 2001, omdat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 november 2012 en in de loop van de bezwaarprocedure een brief van gedragsneuroloog K. Arts en neuropsycholoog A.J. de Beaufort van 26 februari 2013 toegezonden. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport 13 maart 2013 weergegeven dat en waarom de door appellant ingezonden medische gegevens geen nieuwe feiten of omstandigheden opleveren. Hij heeft daaraan toegevoegd dat ook op het moment van zijn beoordeling en met de gegevens van dat moment, bij de allereerste beoordeling in 2001 is uitgegaan van het juiste medische feitencomplex, zoals verwoord door de revalidatiearts Verhulsdonk in 2001. Het Uwv heeft het bezwaar van appellant bij besluit van 18 maart 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hem ten onrechte een

Wajong-uitkering wordt onthouden. Volgens appellant had hij met zijn NAH nooit kunnen en mogen werken. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij verwezen naar indicatierapporten van Rio Rivierenland uit 2001 en 2003, de eerder genoemde brief van Arts en De Beaufort, en een medisch consult van 18 november 2013, uitgebracht door de

arts D. Overwater op verzoek van de Sociale Dienst Bommelerwaard.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Zoals is overwogen in de uitspraak van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1) moet een aanvraag voor arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld.


4.2.

De aanvraag van appellant moet overeenkomstig zijn strekking niet alleen worden opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 16 juli 2001, maar ook als een verzoek om een Wajong-uitkering voor de toekomst. In de in bezwaar ingezonden verklaring van Arts en De Beaufort wordt op meerdere gronden bepleit om toekenning van een

Wajong-uitkering. Het Uwv heeft dat onderkend en in de beslissing op bezwaar meegedeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onderzocht of de eerdere beoordeling juist was, zoals blijkt uit het rapport van deze arts van 13 maart 2013. Dit rapport is als bijlage meegezonden met het bestreden besluit en maakt daarvan deel uit.


4.3.

De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat wat appellant ter onderbouwing van zijn aanvraag van 30 oktober 2012 en zijn bezwaar naar voren heeft gebracht, niet kan worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het in hoger beroep ingezonden rapport van Overwater geeft een goed beeld van de talloze neuropsychologische, psychische en lichamelijke stoornissen van appellant, als gevolg waarvan appellant volgens Overwater zich niet in het sociale verkeer kan handhaven, niet in staat is tot een reguliere dagbesteding en ook niet tot vrijwilligerswerk. Deze toestand geldt op het moment waarop Overwater zijn onderzoek verrichtte. De bevindingen van Overwater hebben geen betekenis voor de situatie op de dag dat appellant 17 jaar oud werd, 24 januari 1987. Daarmee is dit rapport geen nieuw feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.


4.4.

Toepassing gevend aan rechtspraak van de Raad voorafgaand aan de eerder genoemde uitspraak van de Raad van 14 januari 2015 heeft de rechtbank zich beperkt tot de toetsing of het Uwv een juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6 van de Awb. De vraag die nu nog moet worden beantwoord is of het Uwv op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat uit de door appellant gestelde feiten en ingezonden stukken niet kan worden afgeleid dat het besluit van 16 juli 2001 een onjuist besluit is. Die vraag wordt bevestigend beantwoord op grond van de volgende overwegingen.


4.5.

Arts en De Beaufort hebben in hun brief te kennen gegeven dat, hoewel appellant na het bromfietsongeval gewerkt heeft, zij vanuit de polikliniek neuropsychiatrie redenen hebben om aan te nemen dat appellant niet in staat is betaalde arbeid te verrichten, en meer specifiek, na zijn verworven hersenletsel in 1986 als arbeidsongeschikt aangemerkt had moeten worden. Het Uwv is terecht aan deze visie voorbij gegaan. De vraag of een betrokkene als arbeidsongeschikt op grond van de Wajong moet worden aangemerkt vergt namelijk een verzekeringsgeneeskundige en zonodig arbeidskundige beoordeling. Bovendien zijn zij volledig voorbij gegaan aan alle beschikbare medische informatie uit de periode vanaf het bromfietsongeval. In hun brief hebben zij verder gemeld dat appellant in zijn jeugd ernstig is mishandeld door zijn schizofrene vader, hetgeen waarschijnlijk heeft geleid tot de huidige, ernstige persoonlijkheidsstoornis van appellant. Verder hebben zij melding gemaakt van het brommerongeval op 16-jarige leeftijd, de ernstige contusio cerebri, de twee weken coma en de zes weken ziekenhuisopname. Revalidatie en begeleiding zijn, mede door gebrek aan coöperatie van appellant, nooit van de grond gekomen, vele pogingen om appellant binnen de GGZ te behandelen hebben nooit tot een significante verbetering geleid en zonder resultaat zijn meerdere medicamenteuze behandelingen uitgeprobeerd.


4.6.

De medische informatie die Arts en De Beaufort opvoeren ter ondersteuning van hun standpunt dat appellant in aanmerking zou moeten worden gebracht voor een

Wajong-uitkering is en was al reeds vele jaren bekend bij het Uwv. Uit die medische informatie kan niet de conclusie worden getrokken dat het besluit van 16 juli 2001 een onjuist besluit was. In 2008 heeft de Raad geoordeeld dat er geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat appellant als gevolg van het brommerongeluk al veel eerder dan op 1 april 1999 arbeidsongeschikt is geworden. Het betoog van Arts en De Beaufort kan daar niets aan afdoen.

4.7.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2015.




(getekend) M.C. Bruning




(getekend) M.S.E.S. Umans




IJ