Centrale Raad van Beroep, 14-12-2015 / 15/7036 WMO-VV


ECLI:NL:CRVB:2015:4697

Inhoudsindicatie
Voorlopige voorziening afgewezen. Niet gebleken is dat het advies van Argonaut dat het college aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, onzorgvuldig is voorbereid of dat de daarin getrokken conclusies niet gedragen kunnen worden door de bevindingen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-14
Publicatiedatum
2015-12-28
Zaaknummer
15/7036 WMO-VV
Procedure
Voorlopige voorziening
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

15/7036 WMO-VV

Datum uitspraak: 14 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. V.Y. Jokhan, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 september 2015, 15/1527 (aangevallen uitspraak). Voorts is een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Verzoekster heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2015. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. Jokhan. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E. Woerlee.

OVERWEGINGEN


1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Verzoekster is bekend met artrose aan haar rechterpols en -hand. Op

22 mei 2014 heeft zij bij het college een aanvraag om hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning ingediend.


1.2.

H.J. Dijkstra, arts bij Argonaut Advies BV (Dijkstra), heeft bij rapport van 6 oktober 2014 aan het college medisch advies uitgebracht. Dit advies houdt onder andere het volgende in. Bij verzoekster is sprake van medische beperkingen, maar deze staan het uitvoeren van huishoudelijke taken in principe niet in de weg, aangezien de artrose van verzoekster zich in een beginnend dan wel matig stadium bevindt. Het is ten aanzien van de artrose belangrijk dat verzoekster blijft bewegen, dus ook dat zij haar handen en schouders blijft gebruiken, ook al brengt dat pijn met zich mee. Het ontlasten van de pols, handen en vingers zal het artroseproces namelijk doen versnellen. Het inzetten van huishoudelijke hulp kan in die zin dus als anti-revaliderend beschouwd worden. Het is vanuit medische optiek wél zinvol om verzoekster kortdurend te ontlasten, om haar de tijd te gunnen zich aan te passen aan de nieuwe situatie (toegenomen pijnklachten rechterhand/pols), teneinde overbelasting aan de linkerarm en -hand te voorkomen. Verzoekster zal zich alternatieve schoonmaakmanieren moeten aanleren, zo nodig met behulp van hulpmiddelen. Daarnaast zal verzoekster moeten aanleren dat zij het gebruik van de linkerhand en de voorkeurshand (rechts) voldoende afwisselt. Geadviseerd wordt om verzoekster een viertal maanden te ontlasten met betrekking tot de zware huishoudelijke taken. Hierna zullen de pijnklachten van verzoekster niet verdwenen zijn, want dit is inherent aan de diagnose artrose. Wel zal verzoekster dan een modus hebben kunnen vinden om zelfstandig alle voorkomende huishoudelijke taken te doen, zonder hierbij de linkerarm te overbelasten. Belangrijk is dat verzoekster de werkzaamheden in kleine porties over de week verdeelt.


1.3.

Bij besluit van 20 oktober 2014 heeft het college verzoekster onder verwijzing naar het advies van Dijkstra in aanmerking gebracht voor hulp bij het huishouden, type HH2, voor maximaal één uur en 45 minuten per week en voor de periode van 27 oktober 2014 tot en met 27 februari 2015.


1.4.

Bij besluit van 26 februari 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 20 oktober 2014 ongegrond verklaard.


1.5.

Dijkstra heeft in een aanvullend rapport van 6 juli 2015 een reactie gegeven op de door verzoekster in de beroepsfase overlegde stukken. Deze stukken hebben niet tot een wijziging van het advies van 6 oktober 2014 geleid.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Verzoekster heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan. Het verzoek strekt ertoe dat aan haar met onmiddellijke ingang hulp bij het huishouden wordt toegekend, nu zij sinds

27 februari 2015 geen hulp bij het huishouden meer heeft gehad en de belasting die met het verrichten van huishoudelijke taken gepaard gaat, te zwaar voor haar is.


4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.


4.2.

Voor het treffen van een voorlopige voorziening als in dit geval gevraagd, moet worden bezien of op grond van een afweging van de wederzijds in aanmerking komende belangen bij een al dan niet onmiddellijke uitvoering van de aangevallen uitspraak, het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. Daarbij komt ook in beeld de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in die procedure.


4.3.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat het door het college aan de besluitvorming ten grondslag gelegde advies van Dijkstra van 6 oktober 2014 onzorgvuldig is voorbereid of dat de daarin getrokken conclusies niet gedragen kunnen worden door de bevindingen. Dijkstra heeft in zijn rapport van 6 juli 2015 gemotiveerd waarom de in beroep door verzoekster verstrekte stukken niet tot een wijziging van het advies hebben geleid. Verzoekster heeft tot nog toe geen contra-expertise van een reumatoloog of revalidatiearts overgelegd waaruit blijkt dat zij ook na de overname van de zware huishoudelijke taken voor een periode van vier maanden niet in staat is om die taken zelf te verrichten. De wel door verzoekster ingebrachte verklaringen van medische aard zijn onvoldoende voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van de bevindingen en conclusies van de rapporten van Dijkstra.


4.4.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak naar verwachting in stand zal kunnen blijven. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook afwijzen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.



Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van

N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2015.




(getekend) R.M. van Male




(getekend) N. van Rooijen





IJ