Centrale Raad van Beroep, 19-02-2015 / 13-4199 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2015:472

Inhoudsindicatie
Weigering periodieke uitkering. Nu (...) in 2007 nog door een geneeskundig adviseur, de arts N.F. Vogel, is vastgesteld dat toen geen sprake was van causaal invaliderend letsel in de zin van de Wubo, is er onvoldoende aanleiding het standpunt van verweerder dat de werkbeëindiging in 2003 niet ten gevolge van de oorlogsinvaliditeit heeft plaatsgevonden, voor onjuist te houden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-19
Publicatiedatum
2015-02-23
Zaaknummer
13-4199 WUBO
Procedure
Eerste en enige aanleg
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4199 WUBO

Datum uitspraak: 19 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 5 juli 2013, kenmerk BZ01628438 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn tante [naam tante]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant, geboren in 1944, heeft in 1995 verzocht om toekenningen krachtens de Wubo. Bij besluit van 22 april 1996 is erkend dat appellant is getroffen door oorlogsomstandigheden als bedoeld in de Wubo. De verzochte toekenningen zijn echter geweigerd omdat bij appellant geen blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo is vastgesteld. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.


1.2.

Appellant heeft in 1999, 2007, 2008 en 2009 verzocht om herziening van het besluit van 22 april 1996. Deze verzoeken zijn telkens afgewezen vanwege het nog steeds ontbreken van op de geverifieerde calamiteiten terug te voeren blijvende invaliditeit. Appellant heeft alleen tegen het besluit op zijn verzoek uit 2007 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is ongegrond verklaard. Appellant heeft daartegen geen beroep ingesteld.


1.3.

In januari 2013 heeft appellant wederom een herzieningsverzoek ingediend. Na hernieuwd geneeskundig onderzoek is vastgesteld dat nu wel sprake is van blijvende invaliditeit als gevolg van de geverifieerde calamiteiten. Bij besluit van 13 mei 2013 zijn aan appellant toegekend een toeslag ter verbetering van levensomstandigheden, een vergoeding voor huishoudelijke hulp en een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer. Afgewezen is de aanvraag om een periodieke uitkering.


1.4.

Appellant heeft tegen het besluit van 13 mei 2013 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2. Appellant heeft zich in beroep gekeerd tegen de weigering van verweerder hem een periodieke uitkering te verstrekken. Hij heeft aangevoerd dat zijn ontslag in 2003 bij [bedrijf] het gevolg is geweest van zijn psychische klachten als gevolg van de door hem ondervonden oorlogsomstandigheden.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


3.1.

Verweerder heeft de weigering van de periodieke uitkering gebaseerd op de conclusie van zijn geneeskundig adviseur, de arts R.J. Roelofs, dat weliswaar in 2013 alsnog sprake is van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo, maar dat het ontslag in 2003 niet ten gevolge van het oorlogsletsel heeft plaatsgevonden.


3.2.

De Raad ziet geen aanleiding verweerder niet in dit standpunt te volgen. Appellant en zijn tante hebben ter zitting van de Raad uitvoerig verklaard over de psychische toestand van appellant ten tijde van het ontslag en over de problemen die appellant als gevolg van zijn psychische klachten ondervond in de uitvoering van zijn werkzaamheden. Deze verklaringen komen de Raad op zichzelf beschouwd niet ongeloofwaardig voor. Daar tegenover staat evenwel dat in het sociaal rapport uit 2007 andere oorzaken voor de werkbeëindiging dan de bedoelde klachten worden genoemd en dat medische gegevens uit die tijd geheel ontbreken. Appellant heeft in de bewuste periode nimmer zijn huisarts bezocht. Nu bovendien in 2007 nog door een geneeskundig adviseur, de arts N.F. Vogel, is vastgesteld dat toen geen sprake was van causaal invaliderend letsel in de zin van de Wubo, is er onvoldoende aanleiding het standpunt van verweerder dat de werkbeëindiging in 2003 niet ten gevolge van de oorlogsinvaliditeit heeft plaatsgevonden, voor onjuist te houden.


3.3.

Het beroep van appellant moet ongegrond worden verklaard.


4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2015.




(getekend) A. Beuker-Tilstra




(getekend) E. Heemsbergen




HD