Centrale Raad van Beroep, 22-12-2015 / 14/2062 WWB e.v.


ECLI:NL:CRVB:2015:4747

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Verzwegen gezamenlijke huishouding. Hoogte terugvordering: op de bijstand worden inkomsten uit arbeid in mindering gebracht ongeacht de aard en het niveau van de arbeid en het motief om deze arbeid te verrichten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-22
Publicatiedatum
2015-12-29
Zaaknummer
14/2062 WWB e.v.
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2016/19
Uitspraak

14/2062 WWB, 14/2063 WWB, 14/2064 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Amsterdam van

30 mei 2013, 12/4125, 12/4580 en 12/6109 (aangevallen tussenuitspraak) en de einduitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 maart 2014, 12/4125, 12/4580 en 12/6109 (aangevallen einduitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2015, gevoegd met de zaak 14/2060 WWB en 14/2061 WWB van [P.] (P). Appellant is verschenen, bijgestaan door P. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren. In de zaak 14/2060 WWB en 14/2061 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft vanaf 6 oktober 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een toeslag van 20%.


1.2.

Naar aanleiding van een melding dat appellant tweemaal niet is verschenen op een afspraak bij de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) waardoor het vermoeden is ontstaan dat hij mogelijk niet verblijft op het opgegeven [adres 1] in [woonplaats], hebben handhavingsspecialisten van de DWI een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand. Dit onderzoek heeft onder meer bestaan uit een gesprek met appellant op het kantoor van de DWI op 22 maart 2012 en daarop aansluitend een huisbezoek aan de woning van appellant. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 28 maart 2012.


1.3.

De onderzoeksbevindingen hebben het college aanleiding gegeven om bij besluit van

5 april 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 juli 2012 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellant met ingang van 1 augustus 2011 in te trekken op de grond dat hij een gezamenlijke huishouding voert met P waarvan hij aan het college geen opgave had gedaan. Bij besluit van 10 mei 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 juli 2012 (bestreden besluit 2), heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 augustus 2011 tot en met 31 maart 2012 tot een bedrag van in totaal € 8.191,50 (€ 5.525,35 bruto over 2011 en € 2.666,16 netto over 2012) van appellant teruggevorderd. Bij besluit van

29 augustus 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 oktober 2012 (bestreden

besluit 3), heeft het college bepaald dat per maand € 46,77 op de bijstand van appellant wordt ingehouden ter aflossing van de vordering en de vakantietoeslag in mei zal worden verrekend met de openstaande vordering.


2.1.

Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college terecht tot de conclusie is gekomen dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Het college heeft evenwel ten onrechte niet onderzocht of, uitgaande van de gezamenlijke huishouding van appellant en P. en gezien de inkomsten van P, voor appellant in de periode vanaf

1 augustus 2011 recht op bijstand bestond. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld het geconstateerde gebrek te herstellen.


2.2.

Het college heeft van de geboden gelegenheid gebruik gemaakt. Dit heeft geleid tot het besluit van 5 juli 2013 (bestreden besluit 4), waarbij het college met inachtneming van de door P verstrekte inkomensgegevens het bezwaar tegen het besluit van 10 mei 2012 in zoverre gegrond heeft verklaard dat de terugvordering van bijstand over de periode van 1 augustus 2011 tot en met 31 maart 2012 is gematigd tot een bedrag van in totaal € 7.239,53 bruto

(€ 4.899,42 over 2011 en € 2.340,11 over 2012).


2.3.

Bij de aangevallen einduitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard, het beroep tegen het bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk verklaard en de beroepen tegen de bestreden besluiten 3 en 4 ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak, voor zover daarbij de beroepen tegen de bestreden besluiten 1, 3 en 4 ongegrond zijn verklaard, gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 augustus 2011 tot en met 5 april 2012, de datum van het intrekkingsbesluit.


4.2.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van WWB wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Op grond van het derde lid van dit artikel is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.


4.3.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.


4.4.

De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.


4.5.

Anders dan appellant, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag bieden voor de het standpunt van het college dat appellant en P in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de woning van appellant. Daartoe komt zwaarwegende betekenis toe aan de verklaring die appellant op 22 maart 2012 heeft afgelegd. Daarbij heeft appellant verklaard dat P vanaf augustus 2011 continu bij hem in zijn eenkamerwoning verblijft en zeven dagen per week bij hem overnacht. Gedurende de eerste periode van circa vier maanden heeft P bij appellant verbleven, omdat haar woning was geschilderd met verf op oliebasis waarvoor zij volgens appellant allergisch is. Daarna is de situatie niet veranderd. P heeft een sleutel van de woning van appellant. Voorts heeft appellant verklaard dat zij gezamenlijk de was doen in de wasmachine in zijn woning, dat P meestal kookt, zij samen eten, dat P ook boodschappen voor hen doet en dat zij hem helpt met schoonmaken van de woning. Appellant heeft tevens verklaard dat zij een gezamenlijke reisverzekering hebben omdat ze samen op vakantie gaan en dat P onlangs een abonnement op een krant heeft genomen, die zij op zijn adres laat bezorgen. Appellant heeft de verklaring per pagina ondertekend.


4.6.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn verklaring niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. Zijn enkele stelling dat de handhavingsspecialisten van de DWI een vergaande inbreuk hebben gemaakt op zijn privacy door impertinente vragen te stellen, hem het recht op privacy hebben ontzegd en hem onder valse voorwendselen zijn handtekening hebben laten zetten, is daartoe niet toereikend. Ook de in bezwaar ingebrachte informatie over de psychische gesteldheid en behandelingen die appellant in het verleden heeft ondergaan, is daartoe niet toereikend. Appellant heeft bij het college geen klacht ingediend over de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd. Daarbij is tevens van belang dat de gedetailleerde informatie die appellant tijdens het gesprek op 22 maart 2012 heeft verstrekt ondersteuning vindt in het feit dat bij het huisbezoek in de woning van appellant diverse persoonlijke eigendommen van P zijn aangetroffen, waaronder (onder)kleding, schoenen, poststukken, mappen met administratie, breiwerk, boeken en persoonlijke verzorgingsartikelen. Bovendien heeft P ter zitting van de rechtbank op 19 april 2013 verklaard dat zij bij appellant verbleef in verband met haar gezondheid, dat zij in haar eigen huis niet terecht kon, dat zij af en toe naar haar huis ging om te kijken of zij er alweer kon wonen, dat zij en appellant samen het eten betaalden en dat zij vaak de boodschappen deed. Dat P op haar eigen adres een abonnement heeft op het internet, is geen bewijs, zoals appellant meent, dat geen sprake was van een gezamenlijke huishouding.


4.7.

Appellant bestrijdt op zichzelf niet dat het college bij het bestreden besluit 4 is uitgegaan van de juiste bedragen die P ten tijde hier van belang aan inkomen uit haar beide dienstbetrekkingen heeft ontvangen.


4.7.1.

Appellant is evenwel primair van mening dat het onredelijk is dat deze inkomsten bij de berekening van de terugvordering in aanmerking worden genomen omdat deze baantjes ver onder het niveau van P lagen en zij daardoor geen beroep op de bijstand hoefde te doen. Deze grond slaagt niet omdat op de bijstand inkomsten uit arbeid in mindering worden gebracht ongeacht de aard en het niveau van de arbeid en het motief om deze arbeid te verrichten.


4.7.2.

Daarnaast is appellant van mening dat het college ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de WWB een deel van de arbeidsinkomsten van P had moeten vrijlaten. Deze beroepsgrond slaagt evenmin, reeds omdat het college de vaste gedragslijn hanteert dat het de inkomensvrijlating niet toepast indien het gaat om deeltijdarbeid waarvan de belanghebbende geen melding heeft gemaakt. Zoals de Raad ook al in de uitspraak van

12 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8315, heeft geoordeeld gaat deze vaste gedragslijn een redelijke wetsuitleg niet te buiten. Deze gedragslijn is eveneens van toepassing als de betrokkene heeft verzwegen dat hij een gezamenlijke huishouding voert en dus ook niet heeft gemeld dat zijn partner inkomen uit deeltijdarbeid ontving.


4.8.

Volgens appellant heeft het college bij de nadere berekening van de onverschuldigd betaalde bijstand ten onrechte geen rekening gehouden met de vaste lasten, zoals huur van de woning en fietsenstalling en vaste kosten van water en energie, die P heeft gehad. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Het college heeft in eerste instantie alle gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 augustus 2011 tot en met 31 maart 2012 van appellant teruggevorderd. Bij het bestreden besluit 4 heeft het college het bedrag van de terugvordering gematigd. Het college is niet gehouden het bedrag van de terugvordering verder te matigen door rekening te houden met de vaste lasten die P maandelijks heeft gehad.


4.9.

Het college hanteert de beleidsregel dat geheel of gedeeltelijk van terugvordering wordt afgezien indien daartoe dringende redenen aanwezig zijn. Dringende redenen zijn aan de orde indien terugvordering tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de betrokkene of zijn gezin zou leiden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat en in hoeverre de terugvordering in zijn geval tot dergelijke consequenties heeft geleid. De enkele mededeling van appellant dat de besluitvorming van het college negatieve gevolgen voor hem heeft gehad, is daartoe onvoldoende. Dit geldt ook voor het standpunt van appellant dat de overheid een zorgplicht heeft voor de volksgezondheid van de burgers.


4.10.

De rechtbank heeft overwogen dat appellant niets heeft aangevoerd waaruit blijkt dat het college de aflossingscapaciteit onjuist heeft vastgesteld en heeft ook geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid daarvan. Om die reden heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 3 ongegrond verklaard. Dit oordeel heeft appellant in hoger beroep niet bestreden.


4.11.

Uit 4.1 tot en met 4.10 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak, voor zover aangevochten, moeten worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en M. ter Brugge en

C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2015.




(getekend) J.F. Bandringa




(getekend) M.S. Spek



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.




HD