Centrale Raad van Beroep, 22-12-2015 / 15/263 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:4760

Inhoudsindicatie
Afwijzing bijstandsaanvraag dak/thuisloze. Verblijfslocatie(s) zijn niet duidelijk. Herhaling gronden in hoger beroep.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-22
Publicatiedatum
2015-12-29
Zaaknummer
15/263 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

15/263 WWB

Datum uitspraak: 22 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 november 2014, 14/3481 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. El Haddouchi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 10 november 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft zich op 12 december 2013 gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand. Op 18 december 2013 heeft appellant de aanvraag ingediend. Daarbij heeft appellant als woonadres vermeld “op straat”.


1.2.

In het kader van de aanvraag heeft appellant over de periode van 6 december 2013 tot en met 18 december 2013 zogenoemde zevendagenformulieren ingevuld. Daarop heeft hij vermeld alle dagen op straat te hebben verbleven in de [laan 1] te Amsterdam. Op het formulier ‘Opgave verblijfslocatie(s) dak- thuisloze’ heeft hij op 18 december 2013 vermeld te lopen bij de [laan 1]. Op een daarbij gevoegde plattegrond heeft appellant een deel van de [laan 1] en

[plein X.] omcirkeld, met de aantekening dat hij bij de [laan 1] loopt. Op twee andere daarbij gevoegde plattegronden heeft hij een pompstation, een Hemavestiging en [Café Z.] omcirkeld als plaatsen waar hij heeft verbleven. Tijdens het intakegesprek op 18 december 2013 heeft appellant verklaard dat hij de eigenaar van [Café Z.] kent en tot sluitingstijd in het café zit en na sluitingstijd buiten op een stoel van het café zit en daar slaapt. Om zich warm te houden loopt hij vaak door de [laan 1].


1.3.

De afdeling controle van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de juistheid van de door appellant verstrekte gegevens, betreffende zijn feitelijke verblijfplaats. In dat kader is onder meer bestands- en dossieronderzoek gedaan en is op 6, 7 en 9 januari 2014 een locatiebezoek gebracht aan de door appellant opgegeven locaties. Appellant is daar niet aangetroffen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 januari 2014.


1.4.

Bij besluit van 28 januari 2014 (besluit 1) heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant onvolledige informatie heeft verstrekt over zijn woon- en leefsituatie als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen. Bij besluit van 3 februari 2014 (besluit 2) heeft het college het verstrekte voorschot van € 520,- van appellant teruggevorderd.


1.5.

Bij besluit van 28 april 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant op het in 1.1 vermelde formulier niet heeft gemeld dat hij de nachten in een boot bij [plein X.] zou doorbrengen. Appellant heeft weliswaar [plein X.] omcirkeld, maar op dezelfde plattegrond geschreven “ik loepen bij burgemestervanvlugtlaan”, van welke laan hij ook een deel heeft omcirkeld. Door het formulier onjuist in te vullen heeft appellant onduidelijkheid geschapen over zijn feitelijk verblijf. Het college heeft de door appellant opgegeven locaties, de [laan 1] en het aan de [laan 1] gelegen [Café Z.], bezocht. Daarmee is niet gebleken dat sprake zou zijn van een onzorgvuldig onderzoek. Dat het college niet in een boot bij [plein X.] heeft gecontroleerd, kan het college niet worden tegengeworpen omdat het primair op de weg van appellant ligt om duidelijkheid omtrent zijn woon- en leefsituatie te verstrekken. Door geen juiste of volledige opgave te doen van zijn feitelijke verblijfplaats heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden waardoor het college het recht op bijstand niet heeft kunnen vaststellen zodat de aanvraag terecht is afgewezen.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant blijft van mening dat sprake is van een ondeugdelijk onderzoek, dat hij onmiskenbaar ook [plein X.] als verblijfslocatie heeft opgegeven en dat hij zijn inlichtingenverplichting is nagekomen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 12 december 2013, de datum waarop appellant zich voor het aanvragen van bijstand heeft gemeld, tot en met 28 januari 2014, de datum van het besluit op de aanvraag.


4.2.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank, en in de overwegingen waarop dat oordeel rust, en maakt deze tot de zijne. De Raad voegt hier nog aan toe dat appellant bij het intakegesprek heeft gemeld dat hij op een stoel van het [Café Z.] zit en daar slaapt. Anders dan in de uitspraak van de Raad van 22 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1479, geven de bevindingen van de locatiebezoeken geen aanleiding voor het oordeel dat de handhavingsspecialisten de door appellant opgegeven (slaap)locatie niet voldoende grondig hebben gecontroleerd. Daaruit blijkt dat de handhavingsspecialisten bij hun controle door de [laan 1] hebben gereden, hebben gewacht in een geparkeerde auto en ook het terras van het café hebben bezocht. Het beroep van appellant op deze uitspraak kan daarom niet slagen.


4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Het verzoek van appellant om veroordeling tot vergoeding van schade dient daarom te worden afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2015.




(getekend) E.C.R. Schut




(getekend) C.A.W. Zijlstra



HD