Centrale Raad van Beroep, 14-12-2015 / 14-3405 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:4762

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-14
Publicatiedatum
2015-12-28
Zaaknummer
14-3405 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3405 WIA

Datum uitspraak: 14 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

6 mei 2014, 13/7745 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2015. Voor appellant is verschenen mr. R. Haze, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als horecamedewerker bij [naam v.o.f.] voor ongeveer 28 uur per week. Op 4 juli 2011 heeft appellant zich ziek gemeld in verband met rechterbeenklachten vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving.


1.2.

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 6 mei 2013 appellant bericht dat hij geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij met ingang van 1 juli 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.


1.3.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 21 oktober 2013 (bestreden besluit), onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep gronden van medische en arbeidskundige aard aangevoerd. Appellant is van mening dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen. Hij acht zich niet in staat de geselecteerde functies uit te voeren, omdat de minste beweging al tot hevige pijnen kan leiden. Appellant dient per dag alle door hem op die dag te verrichten activiteiten uiterst zorgvuldig te plannen. Hij dient hierbij perioden van (beperkte) activiteit te compenseren met perioden van inactiviteit. Hierbij is voorts van belang dat appellant naast de fysieke beperkingen ook kampt met problemen van mentale aard.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

De hoger beroepsgronden vormen voornamelijk een herhaling van de gronden die appellant reeds in beroep heeft aangevoerd. Die gronden heeft de rechtbank terecht verworpen.


4.2.

Voor zover die gronden de verzekeringsgeneeskundige kant van de besluitvorming betreffen, heeft de rechtbank met juistheid gewezen op de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 augustus 2013 en 11 april 2014. Die rapporten bevatten een deugdelijk gemotiveerde verzekeringsgeneeskundige reactie op de bezwaren tegen het bestreden besluit. In bezwaar is al uitgegaan van depressieve klachten en ook de

pseudo-hallucinatoire symptomen waren bekend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 30 augustus 2013 besproken dat bij het vaststellen van de beperkingen geen optelsom wordt gemaakt van klachten en aandoeningen. Iedere klacht en/of aandoening wordt op zijn (medische) merites beoordeeld, waarbij uiteindelijk sprake kan zijn van een overlap van beperkingen, zoals bij appellant het geval is. Het verzekeringsgeneeskundig oordeel waarop het Uwv zich baseert, is door appellant ook in hoger beroep niet met andersluidende medische gegevens betwist.


4.3.

Terecht heeft de rechtbank de beroepsgrond verworpen dat de voor appellant geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

12 september 2013. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 15 augustus 2014 nader onderbouwd dat appellant werkzaamheden kan verrichten verbonden aan functies, waarin de belasting in overeenstemming is met zijn door de verzekeringsgeneeskundige vastgestelde mogelijkheden en beperkingen. Hetgeen hiertegen door appellant in hoger beroep is aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.


4.4.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van

J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

14 december 2015.




(getekend) C.P.J. Goorden




(getekend) J.R. van Ravenstein




AP