Centrale Raad van Beroep, 18-12-2015 / 12/4548 WWAJ


ECLI:NL:CRVB:2015:4769

Inhoudsindicatie
Na tussenuitspraak heeft het Uwv het besluit van 13 februari 2012 gewijzigd en appellant over de periode van 1 januari 2012 tot 2 maart 2014 alsnog een uitkering op grond van de Wet Wajong, in de vorm van inkomensondersteuning, toegekend in verband met toegenomen beperkingen. Voor de periode na 1 januari 2014 heeft het Uwv de gezondheidssituatie van appellant vergelijkbaar geacht met die van vóór 1 januari 2012. De toegekende Wajong-uitkering is terecht met ingang van 2 maart 2014 ingetrokken. De Raad onderschrijft de medische onderbouwing voor dit besluit, evenals de arbeidskundige onderbouwing met nadere toelichting. Het beroep tegen het besluit van 13 februari 2012 is gegrond, volgt vernietiging. Het beroep tegen het besluit van 2 juni 2015 is ongegrond. Toekenning proceskosten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-18
Publicatiedatum
2016-01-05
Zaaknummer
12/4548 WWAJ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/4548 WWAJ

Datum uitspraak: 18 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van

17 juli 2012, 12/726 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 27 februari 2015 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2015:680, gedaan.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv op 2 juni 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Namens appellant heeft mr. F. Hofstra op 26 juni 2015 een zienswijze ingediend.

Het Uwv heeft bij brief van 30 juli 2015, onder verwijzing naar een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 28 juli 2015, een reactie ingediend.

Het nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hofstra. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

OVERWEGINGEN


1. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van 27 februari 2015 voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij bij zijn oordeelsvorming uitgaat.


2. Het besluit van 2 juni 2015 is met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht in de procedure betrokken.


3. In de tussenuitspraak heeft de Raad overwogen dat het Uwv tevens moet beoordelen of appellant op grond van artikel 2:3, tweede lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) alsnog kan worden aangemerkt als jonggehandicapte en of appellant in aanmerking komt voor arbeids- en/of inkomensondersteuning op grond van deze wet omdat hij sinds de dag waarop hij jongehandicapte werd niet in staat is gebleven meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen.


4. Bij het besluit van 2 juni 2015 heeft het Uwv het besluit van 13 februari 2012 gewijzigd en appellant over de periode van 1 januari 2012 tot 2 maart 2014 alsnog een uitkering op grond van de Wet Wajong, in de vorm van inkomensondersteuning, toegekend. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 april 2015 en een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 8 mei 2015.


4.1.

Op grond van nader onderzoek van appellant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat appellant bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd minstens een jaar beperkingen in verband met zwakbegaafdheid had. Tevens was er in die periode sprake van ADHD. Op grond hiervan was appellant aangewezen op gestructureerd werk dat weinig beroep doet op sociale vaardigheden. Hij was ongeschikt voor conflicthantering, intensief samenwerken en werk met hulpbehoevende patiënten. Voorts was appellant aangewezen op een aanspreekpunt of begeleiding bij zich voordoende onverwachte problemen, conform niveau III bij beoordelingspunt 1.9.3 van de Functionele mogelijkhedenlijst (FML). Appellant was aangewezen op werk dat afwisseling van taken biedt binnen een vaste structuur. Hij zou wat ongestructureerder werk kunnen doen, maar dan zou de behoefte aan externe structurering toenemen. Er zou dan vrijwel doorlopend iemand in de buurt moeten zijn om hem bij te sturen en te instrueren.


4.2.

Gelet op de door appellant overgelegde rapporten van psychiater H. bij de Weg van

2 juli 2012 en 24 maart 2013 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor de periode van 1 januari 2012 tot 1 januari 2014 toegenomen beperkingen aangenomen. In deze periode was sprake van een depressie, op grond waarvan bovenop de in 4.1 vermelde beperkingen behoefte is geweest aan externe sturing in de vorm van begeleiding op niveau II bij beoordelingspunt 1.9.3 van de FML. Voorts was appellant in de genoemde periode aangewezen op een duurbeperking tot vier uur per dag/twintig uur per week.


4.3.

Voor de periode na 1 januari 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de gezondheidssituatie van appellant vergelijkbaar geacht met die van vóór 1 januari 2012 (zoals beschreven onder 4.1).


4.4.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze bevindingen vastgelegd in drie afzonderlijke, voor voornoemde drie perioden geldende, FML’s.


4.5.

Uitgaande van deze FML’s heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat appellant in de periode van [geboortedatum] 2009 (de datum waarop appellant achttien jaar werd) tot 1 januari 2012, ondanks de voor hem gestelde beperkingen, in staat was ten minste 75% van het voor hem geldende maatmaninkomen (het voor hem geldende wettelijk minimumloon) te verdienen, zodat er in deze periode geen sprake was van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet Wajong. Voor de periode van 1 januari 2012 tot

1 januari 2014 was sprake van volledige arbeidsongeschiktheid. Vanaf 1 januari 2014 is er geen sprake meer van arbeidsongeschiktheid, omdat vanaf die datum opnieuw wordt uitgegaan van de FML zoals die gold op de 18-jarige leeftijd tot 1 januari 2012.


5. In zijn zienswijze heeft appellant te kennen gegeven zich niet te kunnen verenigen met het besluit van 2 juni 2015, voor zover dit betrekking heeft op de periode vanaf 1 januari 2014. Het Uwv heeft onvoldoende rekening gehouden met zijn beperkingen ten aanzien van het vasthouden en het verdelen van de aandacht. Appellant is aangewezen op werkzaamheden in een beschermde omgeving. Hij is het niet eens met de conclusie dat volstaan kan worden met begeleiding op niveau III bij beoordelingspunt 1.9.3 van de FML. Voor hem is van belang dat sprake is van niet volledig gestructureerd werk, omdat dat bevorderlijk is voor het vasthouden van de aandacht. Dit brengt echter mee dat er doorlopend iemand in de buurt moet zijn om appellant bij te sturen en te instrueren. Dit heeft tot gevolg dat de voor appellant geselecteerde functies samensteller elektronische apparatuur, wikkelaar, en productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie niet geschikt zijn. De functie productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie is niet geschikt, omdat iedere vorm van persoonlijke invulling ontbreekt, wat een negatieve uitwerking heeft op het vermogen van appellant tot het vasthouden van de aandacht. Appellant is aangewezen op een werkplek die duidelijkheid biedt en op afwisselende, goed gestructureerde werkzaamheden in een relatief kleinschalige en overzichtelijke werksetting.


6.1.

Bij brief van 30 juli 2015 heeft het Uwv te kennen gegeven in de door appellant aangevoerde medische redenen geen aanleiding te hebben gezien om een ander standpunt in te nemen, omdat appellant deze niet met (nieuwe) medische gegevens heeft onderbouwd.


6.2.

Voorts heeft het Uwv een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

28 juli 2015 overgelegd, waarin deze nader heeft gemotiveerd dat de door appellant aangevoerde arbeidskundige gronden evenmin aanleiding zijn om anders te concluderen.


6.2.1.

In dit rapport heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep te kennen gegeven dat de voor appellant geselecteerde, en aan de schatting ten grondslag gelegde, functies productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (SBC-code 111172), productiemedewerker industrie, (samensteller) (SBC-code 111180) en productiemedewerker metaal en

elektro-industrie (SBC-code 111171) alle een zelfstandigheidsniveau van maximaal 3 hebben. Volgens de CBBS-systematiek gaat het daarbij om werk met vaste, bekende werkwijzen, dat wil zeggen routinematig werk. Begeleiding op het in de FML voor de in geding zijnde periode vastgestelde niveau III kan in deze functies beperkt blijven tot enige hulp of begeleiding bij veranderingen in werkzaamheden of bij incidenteel voorkomende problemen. De functies kunnen zonder meer als passend worden beoordeeld, omdat in al deze functies wordt gewerkt onder de directe leiding van een leidinggevende productiecoördinator, chef, teamleider, meewerkend voorman, groepsleider of lijnchef. Collega’s of deze direct leidinggevenden kunnen zonodig hulp of begeleiding bieden bij incidentele veranderingen of problemen.


6.2.2.

Voor zover appellant heeft aangevoerd dat de voor hem geselecteerde functies met een zelfstandigheidsniveau 1 niet geschikt zijn, omdat daarin iedere vorm van persoonlijke invulling zou ontbreken, wat een negatieve uitwerking zou hebben op het vermogen tot vasthouden van de aandacht, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep erop gewezen dat in de FML slechts is vermeld dat er sprake moet zijn van afwisseling in taken binnen een bekende structuur. Over een eventuele minimale complexiteit van de taken is niets vermeld. In de aan de schatting ten grondslag gelegde functies is sprake van een voldoende afwisseling in taken en handelingen.


7. De Raad is van oordeel dat het Uwv de aan appellant met ingang van 1 januari 2012 toegekende uitkering op grond van de Wet Wajong terecht en op goede gronden met ingang van 2 maart 2014 heeft ingetrokken. De Raad onderschrijft de in 4.1 tot en met 4.4 vermelde medische onderbouwing voor dit besluit, evenals de in 4.5 vermelde arbeidskundige onderbouwing met de daarop naar aanleiding van de zienswijze van appellant gegeven nadere toelichting als vermeld in 6.2. Wat appellant in reactie hierop heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat hij is aangewezen op een vergaander begeleidingsniveau dan niveau III op punt 1.9.3. van de FML of dat een begeleiding op dat niveau in de geselecteerde functies niet kan worden geboden.


8. Wat in 7, in combinatie met de tussenuitspraak van 27 febrauri 2015, is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 13 februari 2012 is gegrond, zodat dit besluit moet worden vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 2 juni 2015 is ongegrond.


9. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de door appellant gemaakte kosten in beroep en hoger beroep. Deze worden begroot op € 2.695,-.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 13 februari 2012 gegrond en vernietigt dit besluit;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 2 juni 2015 ongegrond;
  • - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 2.695,-.
  • - bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 157,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter, en R.E. Bakker en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van C.C. de Kluiver als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2015.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) C.C. de Kluiver



UM