Centrale Raad van Beroep, 11-12-2015 / 14-4633 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:4806

Inhoudsindicatie
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de beperkingen van appellant goed zijn weergegeven in de FML op de datum in geding. Niet te geringe medische beperkingen vastgesteld, niet aannemelijk dat de beoordeling van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) onjuist is, geen aanleiding inschakelen deskundige. Uitgaande van de juistheid van de FML, zijn de geselecteerde functies in medisch opzicht passend. Terecht overwogen dat uit de ingezonden medische informatie niet blijkt dat bij de ZW-beoordeling sprake is van andere medische feiten dan bij de WIA-beoordeling. Niet aannemelijk gemaakt dat appellant per 5 juni 2013 meer beperkingen heeft dan per 21 januari 2013.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-11
Publicatiedatum
2015-12-31
Zaaknummer
14-4633 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4633 WIA, 14/4632 ZW

Datum uitspraak: 11 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 juli 2014, 13/4196 (WIA, aangevallen uitspraak 1) en de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 juli 2014, 13/4197 (ZW, aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2015. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld op 24 januari 2011 wegens rug- en heupklachten. Later zijn daar psychische klachten bijgekomen.


1.2.

Bij besluit van 11 januari 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van 21 januari 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 11 juli 2013 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.


1.3.

Op 18 maart 2013 heeft appellant zich opnieuw ziek gemeld wegens toegenomen rugklachten, waarna aan appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) is toegekend.


1.4.

Bij besluit van 4 juni 2013 heeft het Uwv het recht op ZW-uitkering van appellant met ingang van 5 juni 2013 beëindigd, omdat hij per die datum geschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van

20 juni 2013 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.


2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat uit de brief van 15 april 2014 van orthopedisch chirurg dr. P.P. Horsting, anders dan waar de verzekeringsartsen vanuit zijn gegaan, wel blijkt van objectiveerbare afwijkingen, te weten een recessusstenose op L4-L5 op basis van facetarthrosis. Uit die informatie blijkt echter niet dat dit ook al het geval was ten tijde in geding. Dat klemt temeer omdat Horsting in zijn informatie heeft betrokken dat bij appellant sprake is van klachten van uitstraling en tintelingen, die door appellant niet naar voren zijn gebracht bij de verzekeringsarts. Deze informatie geeft de rechtbank daarom geen aanleiding te twijfelen aan de door de verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid.


2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 eveneens ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat de in het kader van de WIA-beoordeling per 21 januari 2013 geselecteerde functies als ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van de ZW moeten worden aangemerkt. De rechtbank heeft overwogen dat uit de medische informatie afkomstig van de Sint Maartenskliniek alsmede de doorverwijzing van appellant naar de GGZ niet van andere medische feiten blijkt dan reeds aanwezig bij de WIA-beoordeling. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden de ZW-uitkering van appellant per 5 juni 2013 heeft beëindigd.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep in beide zaken het standpunt ingenomen dat in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 23 november 2012 (FML) te weinig beperkingen zijn aangenomen wegens met name zijn chronische uitstralende rugklachten. Ter ondersteuning van zijn standpunt verwijst appellant naar de brief van Horsting van 20 maart 2014. De rechtbank overweegt dat daaruit, anders dan waarvan de verzekeringsartsen zijn uitgegaan, wel blijkt van objectiveerbare afwijkingen. Volgens appellant heeft de rechtbank vervolgens ten onrechte geconcludeerd dat uit die informatie niet blijkt dat dit ook al het geval was ten tijde van de in de WIA-zaak in geding zijnde datum, 21 januari 2013. Appellant heeft wel degelijk bij de verzekeringsarts melding gemaakt van uitstraling, waarvoor appellant verwijst naar het rapport van de verzekeringsarts van 3 augustus 2012 en de brief van 9 augustus 2012 van orthopedisch chirurg J.J.J. van der List. Voorts voert appellant aan dat de voor hem geselecteerde functies niet passend zijn, onder meer op onderdeel 4.9, reiken, waarvan de hoge frequentie in onvoldoende mate wordt gecompenseerd door de geringere reikafstand. De bij de WIA-beoordeling op 21 januari 2013 vastgestelde belastbaarheid is daarom onjuist en daarmee ook de hersteldverklaring per 5 juni 2013. Appellant verzoekt om het inschakelen van een deskundige.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraken.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraken.


4.1.

Aan rapporten opgesteld door een verzekeringsarts (bezwaar en beroep) komt, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn, naar vaste rechtspraak van de Raad een bijzondere waarde toe in die zin, dat het Uwv zijn besluiten omtrent de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op dit soort rapporten mag baseren. Dit betekent echter niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep of in hoger beroep niet aantastbaar zijn. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, niet concludent zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is. Het aannemelijk maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, dan wel niet concludent zijn, kan geschieden door niet medisch geschoolden. Voor het aannemelijk maken dat de gegeven beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapport van een regulier medicus noodzakelijk (uitspraak van 10 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1327).


4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de beperkingen van appellant goed zijn weergegeven in de FML, welke betrekking heeft op de in de WIA-zaak in geding zijnde datum, 21 januari 2013. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak 1 onder 5.2 met juistheid overwogen dat de verzekeringsartsen op grond van de beschikbare gegevens, waaronder psychische klachten en rugklachten, bij appellant niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts van 17 december 2012 en het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 juli 2013. In deze rapporten is overtuigend uiteengezet dat appellant aspecifieke chronische rugklachten heeft met musculaire bewegingspijn, op grond waarvan appellant beperkt is voor zware fysieke arbeid en lang staan waarvoor in de FML beperkingen zijn aangenomen in rubriek 3, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, rubriek 4, dynamische handelingen en rubriek 5, statische houdingen. Met betrekking tot de uitstraling en tintelingen tengevolge van de rugklachten heeft de verzekeringsarts in zijn rapport van

2 mei 2014 overwogen dat, gelet op de door orthopedisch chirurg Horsting in beroep verstrekte nieuwe gegevens, in de FML in voldoende mate tegemoet is gekomen aan het geobjectiveerde deel van het klachtenpatroon. In het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 november 2015 is vervolgens nader toegelicht dat de uitstralingsklachten weliswaar door appellant gemeld zijn, maar dat er gelet op de brief van orthopedisch chirurg Horsting van 3 februari 2014 geen neurologische uitval is. Mede gelet op de ter zitting verstrekte uitleg van het Uwv bestaat er geen grond om deze inzichtelijk gemotiveerde conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de beoordeling van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) onjuist is. Voor het inschakelen van een deskundige bestaat daarom geen aanleiding.


4.3.

Uitgaande van de juistheid van de FML, heeft de rechtbank terecht de beroepsgrond dat de ten aanzien van appellant geselecteerde functies van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (SBC-code 111172), snackbereider (SBC-code 111071) en medeweker tuinbouw (SBC-code 111010) in medisch opzicht niet passend zijn verworpen. Daarbij heeft de rechtbank ook met juistheid verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige van 9 januari 2012 (lees: 2013) en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 9 juli 2013 waarin overtuigend is beargumenteerd dat appellant werkzaamheden kan verrichten verbonden aan functies die door de arbeidsdeskundige zijn geselecteerd. Tevens is voldoende gemotiveerd dat de overschrijding in de belastbaarheid ten aanzien van de frequentie bij onderdeel 4.9, frequent reiken, in voldoende mate wordt gecompenseerd door de kortere reikafstand. Deze motivering is in de rechtspraak acceptabel geacht (uitspraak van 2 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK5221) en in dit specifieke geval bestaat geen aanleiding daarover anders te oordelen. Daarbij is van belang dat appellant niet beperkt is ten aanzien van reiken, onderdeel 4.8 van de FML en dat ter zake overleg is gevoerd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep


4.4.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Daarbij gaat het om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies. Gelet hierop is het Uwv terecht uitgegaan van de in het kader van de

WIA-beoordeling geselecteerde functies van productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (SBC-code 111172), snackbereider (SBC-code 111071) en medewerker tuinbouw (SBC-code 111010).


4.5.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de brief van Horsting en de daarbij gevoegde medische informatie van de Sint Maartenskliniek en de doorverwijzing naar de GGZ niet blijkt dat bij de ZW-beoordeling sprake is van andere medische feiten dan reeds aanwezig bij de WIA-beoordeling. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 4 juni 2013 inzichtelijk uiteengezet dat appellant per 5 juni 2013 niet meer beperkingen heeft dan de per 21 januari 2013 aangenomen beperkingen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze conclusie onjuist is.


4.6.

Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat appellant met inachtneming van zijn arbeidsbeperkingen in staat wordt geacht de voor hem geselecteerde functies zowel op 2 januari 2013 als op 5 juni 2013 te vervullen.


4.7.

Gezien hetgeen onder 4.6 is geconcludeerd slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraken dienen bevestigd te worden.


5. Bij deze uitspraak is voor een veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente geen reden.


6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraken;
  • - wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.


Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van

N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

11 december 2015.




(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) N. van Rooijen




AP