Centrale Raad van Beroep, 16-12-2015 / 14/522 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:4827

Inhoudsindicatie
Herziening, intrekking en terugvordering ZW-uitkering. Gefingeerd dienstverband.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-16
Publicatiedatum
2015-12-30
Zaaknummer
14/522 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/522 ZW

Datum uitspraak: 16 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 december 2013, 13/4242 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 19 juni 2014 heeft mr. drs. P. van Wegen zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Van Wegen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is over de periode van 23 februari 2009 tot en met 17 augustus 2011 in aanmerking gebracht voor uitkeringen op grond van de Ziektewet (ZW) en de Wet arbeid en zorg in verband met een ziekmelding vanuit een dienstverband bij [TC] ([TC]). Appellante zou hebben gewerkt bij [TC] in de periode van 19 mei 2008 tot 23 februari 2009.

1.2.

Naar aanleiding van een melding bij het Uwv over een gefingeerd dienstverband dat zou zijn gesloten met [TC], heeft het Uwv onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van uitkeringen die het Uwv heeft verstrekt aan ex-werknemers van [TC], onder wie appellante. De bevindingen uit dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 januari 2012. De conclusie hiervan luidt dat appellante in de periode van 19 oktober 2008 tot en met 23 februari 2009 geen werkzaamheden heeft verricht voor [TC] en dat over die periode geen loonbetalingen zijn gedaan aan appellante. Gelet hierop is de aan appellante toegekende ZW-uitkering volgens het rapport gebaseerd op een gefingeerd dienstverband en dient deze volledig teruggevorderd te worden.


1.3.

Bij besluit van 23 februari 2012 heeft het Uwv op basis van dit rapport de uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) van appellante ingetrokken met ingang van 23 februari 2009. De over de perioden van 23 februari 2009 tot en met 3 mei 2009, van 4 mei 2009 tot en met 19 augustus 2009 en van 20 augustus 2009 tot en met 17 augustus 2011 betaalde

ZW-uitkering tot een bedrag van € 62.959,13 bruto heeft het Uwv van appellante teruggevorderd. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.


1.4.

Bij besluit van 26 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 23 februari 2012 gehandhaafd en het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat aan het bestreden besluit voldoende onderzoek is voorafgegaan en dat de beschikbare gegevens voldoende grondslag bieden voor het bestreden besluit. Appellante heeft niet met objectieve en controleerbare gegevens aangetoond dat zij recht op uitkering had. Tegenover de bevindingen van het Uwv heeft appellante slechts gesteld dat de verklaring van

[X. 2] ([X. 1]) is ingetrokken en dat de verklaringen van de beweerde inleners [Y.] ([Y.]) en [Z.] ([Z.]) gebaseerd zijn op veronderstellingen. De rechtbank heeft in deze enkele stellingen van appellante geen reden gezien om iets af te doen aan deze verklaringen. Tevens heeft de rechtbank vastgesteld dat appellante geen duidelijkheid heeft verschaft over de voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking geldend is dat er een verplichting was tot loonbetaling. Het Uwv heeft volgens de rechtbank terecht de aan appellante betaalde uitkeringen ingetrokken op de grond dat zij niet verzekerd is geweest. Van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is de rechtbank niet gebleken.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de overwegingen op grond waarvan haar beroep ongegrond is verklaard, zijn gestoeld op de verklaringen van [X. 1], [Z.] en

[Y.]. Deze verklaringen komen erop neer dat appellante niet zou hebben gewerkt voor [TC]. Appellante heeft naar voren gebracht dat in het kader van een strafrechtelijk hoger beroep voormelde personen zijn gehoord op 8 januari 2015. Daarbij heeft [Z.] ontkend dat een foto van appellante verspreid zou zijn onder het personeel, zoals hij heeft verklaard tijdens een verhoor in het onderzoek van het Uwv. [X. 1] heeft verklaard dat zij geen oordeel kan geven over het al dan niet bestaan van een arbeidsrelatie tussen appellante en [TC], terwijl zij eerder heeft verklaard dat appellante niet zou hebben gewerkt. Op grond van deze nadere verklaringen is volgens appellante aannemelijker dat zij gewerkt heeft bij [TC]. Appellante heeft ter ondersteuning van haar standpunt ook nog verklaringen overgelegd van E. Ardogan, F. Cesim en I.M. Akbulut. Volgens appellante dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

In artikel 3, eerste lid, van de ZW is bepaald dat werknemer is de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.


4.1.2.

In artikel 20 van de ZW is bepaald dat de werknemers in de zin van deze wet verzekerd zijn.


4.1.3.

Op grond van artikel 30a, eerste lid, van de ZW is het Uwv verplicht om de

ZW-uitkering te herzien of in te trekken, indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.


4.1.4.

Op grond van artikel 33, eerste lid, van de ZW is het Uwv verplicht het ziekengeld, dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30a onverschuldigd is betaald, terug te vorderen.


4.2.

Aan de orde is de vraag of het Uwv appellante terecht niet verzekerd heeft geacht voor de ZW omdat er geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.


4.3.

Bij besluiten als hier aan de orde gaat het om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt in dit geval mee dat het Uwv de feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen sprake is geweest van een dienstbetrekking tussen appellante en [TC]. Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat appellante ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de sociale verzekeringswetten heeft vervuld, dan ligt het op de weg van appellante de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken.


4.4.1.

Het Uwv heeft de conclusie dat tussen [TC] en appellante sprake was van een gefingeerd dienstverband gebaseerd op het frauderapport van 4 januari 2012. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv zorgvuldig en voldoende onderzoek heeft verricht. Tevens heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het Uwv met het rapport van 4 januari 2012 aannemelijk heeft gemaakt dat appellante tijdens de periode in geding niet in loondienst werkzaam is geweest. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat appellante zelf op 5 september 2011 tegenover een inspecteur van het Uwv heeft verklaard dat zij voor [TC] administratief werk heeft gedaan en in de kassen heeft gewerkt. Appellante heeft hooguit 5 á 6 dagen in de kassen gewerkt. Op 8 december heeft appellante verklaard dat de administratie van [TC] per 1 januari 2009 is overgenomen door [RF] en dat zij niet voor [RF] heeft gewerkt. [YA], eigenaar van [TC], heeft op 9 november 2011 tegenover een inspecteur van het Uwv verklaard dat appellante zijn boekhouder was en dat zij eigenaar was van boekhoudkantoor [L.]. Ook heeft [YA] verklaard dat appellante nooit administratieve werkzaamheden voor hem heeft verricht in loondienst en dat appellante ongeveer 4 á 5 maanden bij tuinders heeft gewerkt. Gelet op deze verklaringen en de overige bevindingen uit het fraudeonderzoek heeft het Uwv aannemelijk gemaakt dat appellante (in ieder geval) in de periode van 19 oktober 2008 tot en met 23 februari 2009 geen werkzaamheden heeft verricht in dienst van [TC].


4.4.2.

Appellante heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat het standpunt van het Uwv onjuist is. De door appellante in hoger beroep overgelegde stukken, waaronder een jaaropgave van 2008, een jaaropgave van 2009 en een loonlijst en een verzamelloonstaat van 2009, leiden niet tot een ander oordeel. Aan deze stukken wordt geen betekenis toegekend, nu appellante deze eerst heeft overgelegd nadat zij was geconfronteerd met de uitkomsten van het onderzoek door het Uwv en de (rechts)gevolgen daarvan voor het recht op ZW-uitkering.


4.4.3.

Ook de door appellante in hoger beroep overgelegde verklaringen van [Z.], voormalig directeur van chrysantenkwekerij Waalstroom, en [X. 1], medewerkster bij administratiekantoor [RF], geven geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van het Uwv. Hoewel beide verklaringen afwijken van de door hen afgelegde verklaringen tijdens het onderzoek door het Uwv, heeft appellante hiermee niet aannemelijk gemaakt dat het standpunt van het Uwv onjuist is. Daarbij gaat appellante onder meer voorbij aan hetgeen zij zelf heeft verklaard tijdens het onderzoek door het Uwv en de overige bevindingen uit dat onderzoek.


4.5.

Uit het vorenstaande volgt dat het Uwv de ZW-uitkering over de in geding zijnde periode terecht heeft ingetrokken op de grond dat appellante geen verzekeringsplichtige arbeid heeft verricht. Op grond van artikel 33, eerste lid, van de ZW is het Uwv verplicht de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen.


4.6.

Uit de overwegingen 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van M.A.E. Adamsson als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2015.




(getekend) G.A.J. van den Hurk




(getekend) M.A.E. Adamsson




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.




SU