Centrale Raad van Beroep, 22-12-2015 / 14/3203 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:4840

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Verzwegen gezamenlijke huishouding. Voldoende grondslag. Aanvullende bijstand niet aannemelijk gemaakt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-22
Publicatiedatum
2016-01-05
Zaaknummer
14/3203 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3203 WWB

Datum uitspraak: 22 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

24 april 2014, 13/5372 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Nieuwstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2015. Appellante is verschenen met bijstand van mr. Nieuwstraten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai.

OVERWEGINGEN

1.1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.2.

Appellante ontving sedert 5 november 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), vanaf 27 november 2009 naar de norm voor een alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een (herhaalde) anonieme melding dat appellante samenwoont met een man genaamd [J.] (J) en dat zij ook samen een kind hebben, heeft de sociale recherche een vooronderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer eerdere, soortgelijke fraudemeldingen met betrekking tot appellante bezien, dossier- en internetonderzoek (Facebook) verricht en een reeks van waarnemingen gedaan. De resultaten van het vooronderzoek hebben geleid tot een vervolgonderzoek. In dat kader heeft op 17 januari 2013 een huisbezoek aan het adres van appellante plaatsgevonden, hebben appellante en J op 21 januari 2013 ten kantore van de DWI beiden een verklaring afgelegd, en hebben buurtonderzoeken plaatsgevonden in de woonomgeving van appellante, [uitkeringsadres] 47 te Rotterdam (uitkeringsadres) en in de omgeving van het door J opgegeven woonadres, [adres van J.] te [P.] (adres van J). De bevindingen van het vooronderzoek zijn neergelegd in een rapportage vooronderzoek van 6 december 2012, met bijlagen. De bevindingen van het vervolgonderzoek zijn neergelegd in een verslag huisbezoek van 18 januari 2013, met bijlagen, de gespreksverslagen van

21 januari 2013 en in het rapport bestuursrechtelijk onderzoek van 11 februari 2013. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 15 februari 2013 de bijstand van appellante vanaf 12 november 2011 in te trekken en de over de periode van 12 november 2011 tot en met 31 januari 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 16.510,58 van appellante terug te vorderen.


1.3.

Bij besluit van 11 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 februari 2013 ongegrond verklaard. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden omdat zij niet aan het college heeft meegedeeld dat zij vanaf 12 november 2011 met J een gezamenlijke huishouding in de zin van de WWB heeft gevoerd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellante heeft aangevoerd dat geen redelijke grond aanwezig was voor het onaangekondigde huisbezoek op 17 januari 2013, omdat dit huisbezoek slechts gebaseerd was op een anonieme melding. Deze grond slaagt niet. Aanleiding voor het huisbezoek was niet alleen een anonieme melding, maar ook de bevindingen van het vooronderzoek, dat naar aanleiding van die melding is ingesteld, en in welk kader onder meer dossieronderzoek is gedaan en diverse instanties zijn geraadpleegd. Gelet op de onder 1.2 vermelde anonieme melding, na eerdere anonieme meldingen, en op de bevindingen van het vooronderzoek, bestond voor het college een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. Dit betekent dat het college de bevindingen van het huisbezoek op 17 januari 2013 mede aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen.


4.2.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen van elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.


4.3.

De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. Appellante en J stonden in de te beoordelen periode op afzonderlijke adressen ingeschreven. Dat gegeven staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning op één van die adressen. Zie het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:556.


4.4.

Het standpunt van het college dat J vanaf 12 november 2011 zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres berust op voldoende feitelijke grondslag. Van belang is dat appellante op 17 januari 2013 heeft verklaard dat J vanaf 12 november 2011, de geboorte van haar jongste kind, zeven nachten per week bij haar sliep. Appellante heeft die verklaring op

21 januari 2013 wat afgezwakt, in die zin dat J wel zeven dagen in de week bij haar was, maar niet zeven dagen in de week bij haar sliep en dat J vier á vijf nachten bij zijn moeder (in [P.]) sliep. Ter zitting heeft appellante verklaard dat J ten tijde van belang wekelijks gemiddeld twee á vier nachten bij haar sliep. Dat J in overwegende mate bij appellante verbleef en daar ook sliep vindt ondersteuning in de verklaringen van buurtbewoners. Twee naaste buren van appellante die al lang in de buurt van het uitkeringsadres wonen, hebben op 29 januari 2013 aan de hand van de hen getoonde foto’s gedetailleerde, met elkaar overeenstemmende verklaringen afgelegd. Volgens die verklaringen wonen appellante, J en vier kinderen al ongeveer anderhalf tot twee jaar in die straat op nummer 47. J heeft verklaard dat hij ook bij zijn moeder in [P.] slaapt. Uit verklaringen van buurtbewoners in de omgeving van het adres van J blijkt dat zij J wel kennen als de zoon van de bewoners, maar dat J al lang niet meer op het ouderlijk adres woont en dat zij hem daar al geruime tijd nauwelijks of helemaal niet meer hebben gezien. J heeft voorts verklaard dat hij ook wel eens bij zijn zus of bij een maat sliep, maar hij heeft van die zus en die maat geen adres willen geven. Gelet op de onderzoeksgegevens, in hun onderlinge samenhang bezien, heeft het college aannemelijk gemaakt dat J vanaf 12 november 2011 in overwegende mate bij appellante op het uitkeringsadres verbleef en daar zijn hoofdverblijf had. De door appellante aangevoerde omstandigheid dat bij een huisbezoek op 25 november 2011 J noch zijn spullen op het uitkeringsadres werden aangetroffen en dat het college toen geen aanleiding heeft gevonden om aan te nemen dat appellante samenwoonde met J, doet aan het vorenstaande niet af. De onder 1.2 genoemde onderzoeksresultaten werpen immers een ander licht op de zaak en behoefden het college er dan ook niet van te weerhouden nadien alsnog een ander standpunt in te nemen.


4.5.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Laatstbedoelde situatie doet zich hier voor. Appellante stelt haar woning beschikbaar aan J, doet de huishouding, kookt en wast voor beiden en doet samen met J de boodschappen. J doet klusjes in huis, stelt zijn auto beschikbaar voor appellante, helpt mee in de huishouding, levert af en toe een financiële bijdrage in de kosten van de huishouding en doet voor appellante de administratie. Ook zorgt J soms voor de kinderen. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat die zorg meer omvat dan alleen maar het geven van de fles aan het jongste kind, zoals appellante heeft aangevoerd. J past soms ook op de kinderen, brengt ze naar bed en naar school en haalt ze van school.


4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat aan beide criteria is voldaan, zodat het college op goede gronden tot het standpunt is gekomen dat appellante vanaf 12 november 2011 met J een gezamenlijke huishouding in de zin van de WWB heeft gevoerd. Dit betekent dat appellante, nu zij hiervan geen mededeling heeft gedaan aan het college, de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg hiervan het college appellante ten onrechte als een zelfstandig subject van bijstand heeft aangemerkt en bijstand heeft verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder.


4.7.

Appellante heeft nog aangevoerd dat het college op basis van de beschikbare financiële gegevens wel had kunnen vaststellen of zij beiden, gelet op de geringe inkomsten van J, recht hadden op bijstand naar de norm voor gehuwden. Die grond slaagt niet, reeds omdat de beschikbare gegevens ter zake geen volledig inzicht geven in de hoogte van de inkomsten die J in de te beoordelen periode heeft genoten. Daarbij rust onder de gegeven omstandigheden de bewijslast op appellante om aan te tonen dat zij recht heeft op aanvullende bijstand indien zij de inlichtingenverplichting niet zou hebben geschonden.


4.8.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. Hillen en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) A. Stuut



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.



HD