Centrale Raad van Beroep, 22-12-2015 / 15/590 WWB e.v.


ECLI:NL:CRVB:2015:4841

Inhoudsindicatie
Maatregel. Niet deelnemen re-integratietraject. Niet te verwijten. Niet op appellant toegesneden voorziening. Herroepen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-22
Publicatiedatum
2016-01-05
Zaaknummer
15/590 WWB e.v.
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2016/33
Uitspraak

15/590 WWB, 15/1183 WWB

Datum uitspraak: 22 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 december 2014, 14/3085 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 5 februari 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen.

Appellant heeft nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2015. De zaak is gevoegd behandeld met zaak 15/589 WWB. Namens appellant is verschenen mr. Van Hoof. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren. Zaak 15/589 WWB is ter zitting ingetrokken.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontvangt sinds 17 februari 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).


1.2.

Op 31 januari 2013 heeft een medewerker van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een intakegesprek met appellant gevoerd over re-integratie naar de arbeidsmarkt. Dat gesprek heeft tot resultaat gehad dat appellant is aangemeld bij het

Re-integratiebedrijf Amsterdam (RBA) voor het motiverings-/stimuleringstraject Herstelling, Werk en Uitvoering (HWU), richting Nijverheid.


1.3.

Tijdens een oriëntatieperiode, die is aangevangen op 21 februari 2013, is gebleken dat appellant aanleg en animo heeft voor schilderwerk. Dit heeft ertoe geleid dat appellant met ingang van 6 maart 2013 is geplaatst bij de Bouwunit, voorkeur schilderen. Appellant heeft in dat kader vervolgens tot januari 2014, met onderbreking van een ziekteperiode tussen

28 oktober 2013 en 2 december 2013, schilder- en schuurwerkzaamheden uitgevoerd.


1.4.

Bij besluiten van 28 november 2013 en 30 december 2013 heeft het college de bijstand van appellant bij wijze van maatregel verlaagd over december 2013 onderscheidenlijk januari 2014 op onder meer de grond dat appellant onvoldoende heeft gesolliciteerd.


1.5.

Op 2 januari 2014 heeft appellant telefonisch te kennen gegeven niet meer aan het

re-integratietraject deel te nemen. Bij besluit van 21 januari 2014 heeft het college de bijstand van appellant bij wijze van maatregel verlaagd met 100% over de maand februari 2014 op de grond dat appellant onvoldoende had gesolliciteerd en niet heeft meegewerkt aan een op arbeidsinschakeling gericht re-integratietraject.


1.6.

Bij besluit van 11 april 2014 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 21 januari 2014 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en, voor zover hier van belang, het college opgedragen binnen zes weken opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen het besluit van

21 januari 2014. Hiertoe heeft de rechtbank, kort en zakelijk weergegeven, overwogen dat voor de maatregelen, zoals opgelegd bij besluiten van 28 november 2013 en 30 december 2013, onvoldoende grondslag bestond. Gelet op de door appellant gestelde samenhang tussen de verschillende maatregelen, kan niet worden uitgesloten dat het college ook de bij besluit van 21 januari 2014 opgelegde maatregel ten onrechte heeft opgelegd.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank het college heeft opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 21 januari 2014.


4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij het nader besluit, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 21 januari 2014 opnieuw ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant vanaf 6 januari 2014 niet meer deelneemt aan een voor hem passend re-integratietraject.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1.

Het nader besluit wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.


De aangevallen uitspraak


5.2.

In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is bepaald dat de belanghebbende verplicht is gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.


5.3.

In artikel 18, tweede lid, van de WWB is bepaald, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende de uit de WWB voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, zoals bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WWB. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De toepasselijke verordening is de Verordening maatregelen, handhaving en verrekenen bestuurlijke boete inkomensvoorzieningen 2013.


5.4.

Niet in geschil is dat appellant, door in januari 2014 niet deel te nemen aan het

re-integratietraject, geen gebruik heeft gemaakt van een aan hem aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB.


5.5.

Appellant voert aan dat hem daarvan geen verwijt kan worden gemaakt. Hierbij wijst appellant erop dat de verplichting om deel te nemen aan een re-integratietraject voor onbepaalde tijd gold. Tevens beschikte appellant niet over de juiste kwalificatie om in de werkzaamheden die hij in het kader van het HWU-traject uitvoerde uit te stromen naar de arbeidsmarkt. Volgens appellant volgt hieruit dat het re-integratietraject bij HWU niet is te beschouwen als maatwerk en dat sprake is van schending van artikel 4 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).


5.6.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3331) is het niet aan de betrokkene, maar aan het bijstandverlenend orgaan om te bepalen welke re-integratievoorziening voor de betrokkene is aangewezen om het uiteindelijk beoogde doel, arbeidsinschakeling, te bereiken. Wel is vereist dat het bijstandverlenend orgaan maatwerk levert en de voorziening het resultaat is van een zorgvuldige, op de persoon toegesneden afweging. Het bijstandverlenend orgaan dient voorts aan de betrokkene kenbaar te maken waaruit de voorziening concreet bestaat, waarom deze voorziening, gelet op de feiten en omstandigheden in het individuele geval, is aangewezen en welk tijdpad wordt gevolgd.


5.6.2.

In het kader van het HWU-traject is appellant op 6 maart 2013 begonnen in de Bouwunit met voornamelijk schilder- en schuurwerkzaamheden. Uit het dossier komt naar voren dat appellant die werkzaamheden, ondanks een stroef begin, naar tevredenheid van de RBA heeft uitgevoerd tot diens ziekmelding op 28 oktober 2013. Het college heeft niet bestreden dat appellant vervolgens vanaf 2 december 2013, zij het in aangepaste vorm, dezelfde werkzaamheden diende te verrichten.


5.6.3.

Het college heeft niet duidelijk kunnen maken waarom appellant na zijn werkhervatting ten behoeve van zijn arbeidsinschakeling nog altijd aangewezen was op het verrichten van dezelfde schilder- en schuurwerkzaamheden in de Bouwunit. Vaststaat dat appellant niet over de vereiste kwalificatie beschikte om als schilder naar de arbeidsmarkt uit te stromen en dat de aangeboden voorziening hem ook niet in staat stelde die kwalificatie te verkrijgen. Eveneens staat vast dat appellant tot aan zijn ziekmelding al bijna acht maanden zijn werkzaamheden in de Bouwunit had verricht en dat hij in die periode goed functioneerde. Gelet hierop valt niet in te zien waarom het onverminderd blijven volgen van het

HWU-traject door middel van het verrichten van schilder- en schuurwerkzaamheden, waarbij het accent ligt op motiveren en stimuleren, terwijl dit traject voor hem geen kwalificatie oplevert om daadwerkelijk als schilder naar de arbeidsmarkt uit te stromen, voor appellant nog van belang was voor zijn arbeidsinschakeling. Hier komt bij dat het traject een open einde kende. Aan het traject was namelijk geen einddatum verbonden en het college heeft appellant eind november 2013 te kennen gegeven dat het re-integratietraject bij HWU in beginsel duurt tot het moment dat hij zelfstandig in een inkomen kan voorzien dan wel geen recht op bijstand meer heeft. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat het HWU-traject nog het resultaat was van een zorgvuldige, op de persoon toegesneden voorziening en dat deze voorziening, gelet op de feiten en omstandigheden in dit individuele geval, voor appellant nog aangewezen was. Dit leidt ertoe dat appellant niet kan worden verweten dat hij sinds begin januari 2014 niet meer heeft deelgenomen aan het re-integratietraject bij HWU.


5.7.

Uit 5.6.1 tot en met 5.6.3 volgt dat ten aanzien van de verweten gedraging elke vorm van verwijtbaarheid ontbrak. Reeds om die reden bestond geen grondslag voor het opleggen van een maatregel, zodat het college had moeten afzien van het opleggen van een maatregel. Gelet hierop behoeft de beroepsgrond dat sprake is van schending van artikel 4 van het EVRM geen bespreking.


5.8.

De rechtbank heeft wat hiervoor is overwogen niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 21 januari 2014 herroepen, nu daaraan hetzelfde, niet te herstellen gebrek kleeft als aan het bestreden besluit. Aangezien hiermee de grondslag aan het nader besluit komt te ontvallen, voor zover daarbij is beslist op het bezwaar tegen het besluit van 21 januari 2014, zal de Raad het nader besluit in zoverre vernietigen.


6. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- herroept het besluit van 21 januari 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats

treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 11 april 2014;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 5 februari 2015 gegrond voor zover daarbij is

beslist op het bezwaar tegen het besluit van 21 januari 2014 en vernietigt het besluit van

5 februari 2015 in zoverre;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 980,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,-

vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en W.F. Claessens en M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2015.




(getekend) W.H. Bel




(getekend) M.S. Boomhouwer




HD