Centrale Raad van Beroep, 18-12-2015 / 14/4895 WWAJ


ECLI:NL:CRVB:2015:4848

Inhoudsindicatie
Afwijzing Wet Wajong-aanvraag, omdat appellante met haar arbeidsbeperkingen werkzaamheden in het vrije bedrijf kan verrichten, waarmee zij tenminste 75% van het maatmaninkomen (zijnde het wettelijk minimumloon) kan verdienen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-18
Publicatiedatum
2015-12-31
Zaaknummer
14/4895 WWAJ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4895 WWAJ

Datum uitspraak: 18 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 juli 2014, 13/736 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is door mr. M.R. Meulenberg-ten Hoor, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2015, waar namens appellante mr. Meulenberg-ten Hoor is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren [in] 1984, heeft op 8 mei 2012 een aanvraag ingediend op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) in verband met sinds 1 juli 2010 bestaande psychische klachten, knieklachten en klachten van een whiplash. Deze klachten zijn opgetreden nadat appellante betrokken was geraakt bij een

auto-ongeval. Op 1 juli 2010 was appellante studerende; zij volgde een studie in het hoger beroepsonderwijs.


1.2.

Bij besluit van 22 juni 2012 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante met haar arbeidsbeperkingen werkzaamheden in het vrije bedrijf kan verrichten, waarmee zij tenminste 75% van het maatmaninkomen (zijnde het wettelijk minimumloon) kan verdienen. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 4 februari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek van het Uwv op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft geen reden aanwezig geacht om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen die gelden per 1 juli 2011. De rechtbank heeft van belang geacht dat het niet zozeer gaat om het stellen of benoemen van een juiste diagnose, maar om de beperkingen die voortvloeien uit de objectivering van de klachten. Evenmin heeft de rechtbank reden gezien voor het oordeel dat appellante niet in staat is de voor haar geselecteerde voorbeeldfuncties te vervullen.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep - samengevat - aangevoerd dat het medisch onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) van het Uwv hebben de psychische gezondheidstoestand van appellante verkeerd beoordeeld. Appellante heeft gesteld dat uit de ingebrachte informatie van de behandelend psychiater blijkt dat zij al langere tijd aan een ernstige depressieve stoornis lijdt. Uit deze informatie blijkt voorts dat de psychiater bij appellante een PTSS en een borderline persoonlijkheidsstoornis heeft vastgesteld. Door niet van de juiste diagnosen uit te gaan, hebben de verzekeringsartsen de klachten en beperkingen van appellante ernstig onderschat. Naar de mening van appellante biedt de discrepantie tussen de informatie van de behandeld psychiater en de medische beoordeling door het Uwv voldoende aanleiding voor het benoemen van een deskundige. De rechtbank heeft ten onrechte hiervan afgezien.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er geen aanleiding is het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) van het Uwv onzorgvuldig te achten. Daartoe is terecht van belang geacht dat de verzekeringsartsen appellante tijdens het spreekuur dan wel tijdens de hoorzitting hebben gezien en kennis hebben genomen van haar psychische klachten. Bovendien heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de verkregen medische informatie van de behandelend psychiater op kenbare wijze bij zijn beoordeling betrokken.


4.2.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is geen reden om, in navolging van de rechtbank, geen doorslaggevende betekenis toe te kennen aan de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 januari 2013, 8 mei 2013, 7 januari 2014 en

21 februari 2014. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is tot de conclusie gekomen dat appellante per 1 juli 2011 (datum in geding) belastbaar was conform de opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 juni 2012. Naast geringe fysieke beperkingen voortvloeiend uit een whiplashtrauma en knieklachten, zijn in deze FML specifieke beperkingen aangenomen in verband met een aanpassingsstoornis. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn conclusie mede gebaseerd op de bevindingen die uit het revalidatietraject bij Orbis Medisch Centrum naar voren zijn gekomen. Uit de informatie van de revalidatiearts van 20 april 2012 blijkt dat in het begin van het traject (medio 2010) de eerder vastgestelde depressie in remissie was, en dat eerst in april 2012 weer van een depressieve stoornis kon worden gesproken. In verband daarmee is appellante doorverwezen naar Virenze en aldaar onder behandeling gekomen van psychiater Selten. Ook uit de ingebrachte informatie van psycholoog Groenen blijkt dat de PTSS-behandeling in januari 2010 is beëindigd in verband met een redelijk tot goed behandelresultaat. Medio 2010 manifesteerden zich bij appellante stressklachten en werd bij appellante een persoonlijkheidsstoornis, met trekken van cluster B, vastgesteld. In november 2011 werd de behandeling bij psycholoog Groenen afgesloten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voorts van belang geacht dat appellante in de tweede helft van 2011 haar HBO-opleiding heeft voltooid en het diploma heeft behaald.


4.3.

Ook in hoger beroep heeft appellante geen medische gegevens overgelegd of anderszins gronden aangevoerd, die aanleiding geven voor het oordeel dat zij op 1 juli 2011 medisch meer beperkt is dan is aangenomen in de FML. De overgelegde informatie van de behandelend psychiater ziet niet op de datum in geding of was al bij het Uwv bekend.


4.4.

Gelet op het voorgaande is in hoger beroep evenmin aanleiding een onafhankelijke deskundige te benoemen, zoals door appellante is verzocht.


4.5.

Uitgaande van de juistheid van de FML moet het oordeel van de rechtbank worden onderschreven dat appellante in staat moet worden geacht de werkzaamheden die zijn verbonden aan de voor haar geselecteerde voorbeeldfuncties te verrichten. Het Uwv heeft de geschiktheid van deze functies voor appellante voldoende toegelicht in het arbeidskundige rapport van 31 oktober 2012. De belastbaarheid van appellante wordt daarom niet overschreden.

4.6.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, slaagt het hoger beroep niet. Daarom moet het door appellante gedane verzoek om schadevergoeding, bestaande uit de wettelijke rente, worden afgewezen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek tot veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente af.



Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2015.




(getekend) Ch. van Voorst




(getekend) H.J. Dekker




AP