Centrale Raad van Beroep, 20-02-2015 / 13-502 WIA-T


ECLI:NL:CRVB:2015:485

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Weigering IVA-uitkering. Duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid. Inschatting maken van de herstelkansen. Het bestreden besluit berust op een ontoereikende motivering omdat de verzekeringsarts weliswaar kennis heeft genomen van de brief van de psychiater met betrekking tot de ingezette behandeling, maar onvoldoende aandacht heeft geschonken aan zijn opmerking dat van deelname aan het arbeidsproces wellicht helemaal geen sprake meer zal zijn. De Raad draagt het Uwv op om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-20
Publicatiedatum
2015-02-24
Zaaknummer
13-502 WIA-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/502 WIA-T

Datum uitspraak: 20 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van

14 december 2012, 12/853 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.E. Eshuis hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een nader rapport ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door Eshuis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als gezinsbehandelaar en heeft zich op

10 maart 2010 ziek gemeld in verband met psychische klachten. Naar aanleiding van de aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellante onderzocht en beperkingen vastgelegd in de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 29 november 2011. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld. Bij besluit van

6 januari 2012 is aan appellante met ingang van 7 maart 2012 een WGA-uitkering toegekend op grond van de Wet WIA, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.2.

Bij beslissing op bezwaar van 7 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 januari 2012, onder verwijzing naar het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 augustus 2012, ongegrond verklaard.


2.1.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat, nu het Uwv heeft beslist zonder de door haar opgevraagde informatie van de behandelend sector af te wachten, het medisch oordeel in zoverre niet op voldoende zorgvuldig medisch onderzoek berust. De rechtbank heeft daarbij aangetekend dat het Uwv de betrokken psychiater ook niet heeft aangemaand om op het verzoek om informatie te reageren. Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genomen en dit betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Voorts heeft de rechtbank beslissingen gegeven over vergoeding van proceskosten en griffierecht.


2.2.

De rechtbank heeft echter aanleiding gevonden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de verklaring van behandelend psychiater Nijenhuis blijkt dat appellante nog altijd in behandeling is en vooruitgaat. Zowel bij de verzekeringsgeneeskundige artsen als bij psychiater Nijenhuis is twijfel over de duurzaamheid. In dat geval wordt (nog) geen duurzaamheid aangenomen en geen

IVA-uitkering toegekend.


3. In hoger beroep heeft appellante zich, evenals in bezwaar en beroep, op het standpunt gesteld dat haar gezondheidstoestand niet is verbeterd en dat er bij haar ook op lange termijn niet meer dan een geringe kans op herstel bestaat, zodat haar arbeidsbeperkingen moeten worden geacht duurzaam te zijn. Zij is van mening dat zij voor een IVA-uitkering in aanmerking dient te komen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Gelet op de door partijen ingenomen standpunten dient in hoger beroep de vraag te worden beantwoord of de arbeidsongeschiktheid van appellante moet worden geacht volledig en duurzaam te zijn zodat appellante op grond van artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een uitkering op grond van de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) in plaats van een WGA-uitkering.


4.2.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.


4.3.

In de uitspraak van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896, is overwogen dat de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA. Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn. Indien die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.


4.4.

Aan het standpunt van het Uwv dat de arbeidsongeschiktheid van appellante niet duurzaam is, liggen ten grondslag het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

6 augustus 2012 en een toevoeging van 9 oktober 2012. Uit die rapporten kan worden opgemaakt dat appellante lijdt aan een ernstige depressie met chronische en vitale kenmerken, en dat zij daarvoor wordt behandeld. De behandelend psychiater heeft in de brief van

28 augustus 2012 vermeld dat de depressie ondertussen partieel in remissie is, maar dat verder herstel wordt bemoeilijkt door de chronische posttraumatische stressstoornis. De therapie die appellante volgt zal haar nog veel energie kosten en mogelijk een aanslag doen op de nog beperkte reserves. De psychiater heeft ingeschat dat het behandelingsproces nog jaren zal vergen, waarbij van deelname aan het arbeidsproces op korte termijn geen – en wellicht helemaal niet meer – sprake zal zijn. Mede op grond van deze informatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de nadere reactie verklaard geen aanknopingspunten te zien om van duurzame arbeidsongeschiktheid uit te gaan, omdat vorderingen worden beschreven en veel energie in de behandeling wordt gestoken. Voorts heeft hij opgemerkt dat appellante in het verleden vaker depressief is geweest, maar haar toestand ook steeds is verbeterd, waarna zij weer aan het werk is gegaan. In reactie op het hoger beroep van appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opnieuw geconcludeerd dat, nu appellante nog uitgebreid wordt behandeld, de uiteindelijke prognose nog niet duidelijk is.


4.5.

Gegeven het beoordelingskader zoals neergelegd in 4.3 moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit op een ontoereikende motivering berust omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep weliswaar kennis heeft genomen van de brief van de psychiater met betrekking tot de ingezette behandeling, maar onvoldoende aandacht heeft geschonken aan zijn opmerking dat van deelname aan het arbeidsproces wellicht helemaal geen sprake meer zal zijn. Mede op grond van het feit dat appellante op de datum in geding, zijnde 7 maart 2012, reeds gedurende langere periodes behandeling voor haar psychische klachten had ondergaan, had de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader moeten informeren naar mogelijke resultaten van de lopende behandeling en de te verwachten verbetering van de functionele mogelijkheden. Het standpunt dat er op de lange termijn een meer dan geringe kans op herstel bestaat is dan ook onvoldoende onderbouwd.


4.6.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv opdracht te geven het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2015.




(getekend) R.E. Bakker




(getekend) B. Rikhof






nk