Centrale Raad van Beroep, 23-12-2015 / 13/4845 WWAJ


ECLI:NL:CRVB:2015:4872

Inhoudsindicatie
Weigering Wajong-(AAW)-uitkering. Geen twijfel aan de juistheid van de in de FML opgenomen beperkingen. De bewijslast bij een laattijdige aanvraag ligt bij de aanvrager, omdat het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen. Deugdelijke arbeidskundige grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-23
Publicatiedatum
2016-01-07
Zaaknummer
13/4845 WWAJ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4845 WWAJ

Datum uitspraak: 23 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

24 juli 2013, 12/3852 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Weldam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een brief van de behandelend psychiater overgelegd.

In reactie op de brief van de behandelend psychiater heeft het Uwv een rapport van een verzekeringinsarts bezwaar en beroep ingediend.

Bij brief aan het Uwv van 23 april 2015 heeft de Raad gewezen op zijn uitspraak van

8 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1111).

In reactie op de brief van de Raad heeft het Uwv een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 5 juni 2015 overgelegd.

Appellant heeft een schriftelijke zienswijze gegeven op het arbeidskundig rapport van

5 juni 2015 en daarbij nadere stukken overgelegd.

Het Uwv heeft bij brief van 31 juli 2015 gereageerd op de zienswijze van appellant en daarbij een nader rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overgelegd

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2015, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Weldam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1970, heeft op 2 juni 2011, door het Uwv ontvangen op

6 juni 2011, een aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellant op het spreekuur onderzocht en informatie van de behandelend sector bestudeerd. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van

26 augustus 2011 de eerste arbeidsongeschiktheidsdag gesteld [in] 1987 en geconcludeerd dat appellant op die datum belastbaar is, met beperkingen op psychisch vlak. De beperkingen gelden volgens de verzekeringsarts ook per datum onderzoek en zestien weken na de datum van de aanvraag. De verzekeringsarts heeft de voor appellant toepasselijke beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

26 augustus 2011. Vervolgens is door een arbeidsdeskundige een onderzoek uitgevoerd. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 30 augustus 2011 geconcludeerd dat appellant per beoordelingsdatum, 26 september 2011 in staat was om tenminste het maatmaninkomen te verdienen. Het Uwv heeft vervolgens de aanvraag bij besluit van 30 augustus 2011 afgewezen.


1.2.

Appellant heeft tegen het besluit van 30 augustus 2011 bezwaar gemaakt.

Hierbij heeft hij onder meer een rapport van een psychologisch onderzoek van het Centrum Psychodiagnostiek Altrecht, ongedateerd, genummerd 355/2012 overgelegd.

1.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 5 april 2012, aangevuld op 16 augustus 2012, overwogen dat er geen overtuigende medische verklaring is, bijvoorbeeld door het bestaan van een zeer ernstige psychische stoornis, voor de door appellant geclaimde concentratiestoornissen en problemen met vasthouden van de aandacht. Beperkingen op de beoordelingspunten I.1 en I.2 worden uitsluitend aangenomen in het geval van een zeer ernstige psychiatrische of neurologische aandoening, waarbij er sprake is van geen benutbare mogelijkheden. Een dergelijke ernstige stoornis is niet vastgesteld. Zeer ernstige concentratiestoornissen blijken ook niet uit de observaties van de psycholoog tijdens het psychologisch onderzoek. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er geen overtuigende reden om af te wijken van de diagnose persoonlijkheidsstoornis NAO. Met persoonlijkheidsproblematiek is loonvormende arbeid doorgaans mogelijk. Op het achttiende jaar is deze (problematiek) nog niet volledig tot ontwikkeling gekomen. Bij appellant ontbraken voorts aanwijzingen voor gedragsstoornissen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien zwaardere (psychische) beperkingen voor appellant aan te nemen dan door de verzekeringsarts is gedaan. Op basis van de invulinstructies, vastgelegd in de Basisinformatie CBBS, heeft de verzekeringsarts op 16 augustus 2012 een nieuwe FML vastgesteld.


1.4.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 4 september 2012 geconcludeerd dat appellant, op basis van de FML van 16 augustus 2012, in staat is minstens 75% van het wettelijk minimumloon te verdienen.


1.5.

Het Uwv heeft vervolgens het bezwaar van appellant, onder verwijzing naar de onder 1.3 en 1.4 vermelde rapporten, bij besluit van 21 september 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen toereikend en zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Hiertoe is overwogen dat de verzekeringsarts appellant heeft gezien, psychisch onderzoek heeft gedaan en dossierstudie heeft verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het oordeel van de verzekeringsarts heroverwogen. Hij heeft daartoe dossierstudie verricht en de hoorzitting van 5 april 2012 bijgewoond. Ook heeft hij de medische informatie van de behandelend sector in zijn oordeel betrokken. De verzekeringsartsen hebben volgens de rechtbank in hun rapporten inzichtelijk uiteengezet dat geen aanleiding bestaat voor het aannemen van verdergaande beperkingen op voor de Wet Wajong relevante data van zeventien- en achttienjarige leeftijd van appellant. Uit de rapporten blijkt dat medische gegevens die inzicht kunnen bieden in de medische situatie van appellant vanaf zeventien-/achttienjarige leeftijd tot het jaar 2000 ontbreken. Weliswaar is sprake geweest van een depressie in die periode en een enkele keer een psychose, echter niet is gebleken dat appellant rond zijn zeventiende/achttiende jaar (medische) hulp heeft gezocht voor zijn psychische problemen. De verzekeringsarts heeft in verband met de in ontwikkeling zijnde persoonlijkheidsproblematiek beperkingen aangenomen. Appellant heeft geen medische gegevens overgelegd die aanknopingspunten bieden voor het aannemen van verdergaande beperkingen op zeventien-/achttienjarige leeftijd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen in zijn conclusie dat uit het rapport van Altrecht uit 2012 niet kan worden afgeleid dat reeds op zeventien-/achttienjarige leeftijd sprake was van een psychotische stoornis. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank toereikend gemotiveerd dat er geen overtuigende medische verklaring is voor de door appellant geclaimde concentratiestoornissen en problemen met het vasthouden van de aandacht. Tenslotte is de rechtbank niet gebleken dat de geduide functies de belastbaarheid van appellant, zoals neergelegd in de FML, overschrijden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bij de signaleringen toegelicht waarom de geduide functies geen overschrijding van de belastbaarheid van appellant opleveren. Het Uwv heeft de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet Wajong dan ook terecht afgewezen.


3. In hoger beroep heeft appellant (samengevat) aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat op basis van de rapporten van Altrecht niet kan worden aangenomen dat de verder gaande beperkingen reeds op zeventien-/achttienjarige leeftijd bij hem aanwezig waren. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt nadere medische stukken overgelegd, waaronder een nader rapport van Altrecht, genummerd 958/2012 met onderzoeksdata 15 en 16 oktober 2012 en een brief van psychiater N. De Boer-Kreeft van

21 januari 2014.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant is geboren in 1970, dus vóór 1 januari 1980. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 8 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1111, heeft vastgesteld, dient de beoordeling van zijn aanspraken daarom plaats te vinden aan de hand van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW).


4.2.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de AAW, zoals deze bepaling destijds luidde, is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die ten gevolge van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is om met arbeid, die voor zijn krachten en bekwaamheden is berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep hem in billijkheid kan worden opgedragen, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht of op een naburige soortgelijke plaats, te verdienen, hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen, van dezelfde soort en soortgelijke opleiding, op zodanige plaats met arbeid gewoonlijk verdienen.


4.3.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW heeft recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde, die op de dag, waarop hij zeventien jaar wordt, arbeidsongeschikt is, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.


5.1.

Tussen partijen is in geschil de verzekeringsgeneeskundige toestand van appellant op zeventien-/achttienjarige leeftijd en de vraag of hij toen in staat was de geduide voorbeeldfuncties te verrichten.


5.2.

De beroepsgrond dat ten onrechte geen verdergaande beperkingen op

zeventien-/achttienjarige leeftijd zijn aangenomen slaagt niet. Het oordeel van de rechtbank dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de in de FML opgenomen beperkingen en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Dat wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd en overgelegd bevat geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel. Daarbij wordt opgemerkt dat het rapport van Altrecht van

15 en 16 oktober 2012 door appellant ook in beroep al is overgelegd. De rechtbank heeft dienaangaande met juistheid vastgesteld dat in genoemd rapport van Altrecht wordt geconcludeerd tot de diagnoses depressieve stoornis, volledig in remissie en psychotische stoornis NAO dd. schizofrenie. Met de rechtbank wordt geen aanleiding gezien de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen in zijn rapport van 14 maart 2013, waar hij concludeert dat uit dit rapport van Altrecht niet blijkt van overtuigende bewijzen voor het bestaan van schizofrenie of van een psychotische stoornis NAO op achttienjarige leeftijd. Psychiater De Boer-Kreeft stelt in haar aan appellant gerichte brief van 21 januari 2014 onder meer het volgende:

(…) “De diagnose schizofrenie is na jarenlang onderzoek, gesprekken en observatie recent bij u gesteld.” (…)

“Mogelijk zijn ook uw klachten reeds in de pubertijd ontstaan, maar hierover kunnen wij geen conclusies trekken omdat er geen gegevens bekend of geobjectiveerd zijn. Het is echter wel aannemelijk dat uw klachten ruim voor 1999 zijn ontstaan.”

Uit deze brief blijkt niet overtuigend dat bij appellant ten tijde van zeventien-/achttienjarige leeftijd of tijdens de daarop aansluitende studieperiode sprake was van een medische aandoening met verdergaande beperkingen dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML van 16 augustus 2012 vastgelegd. Appellant heeft ook in hoger beroep geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt van medisch geobjectiveerde beperkingen in de voor de beoordeling van appellants aanvraag relevante periode. In dit verband wordt gewezen op vaste rechtspraak van de Raad dat de bewijslast bij een laattijdige aanvraag bij de aanvrager ligt, omdat het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen (onder meer uitspraken van 24 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9240 en 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6477). Voor een nader onderzoek door een medisch deskundige, zoals door appellant verzocht, bestaat geen aanleiding.


5.3.

Het Uwv heeft bij brief van 16 juni 2015 het bestreden besluit gehandhaafd met een gewijzigde, aan de AAW aangepaste, arbeidskundige motivering. Aan de gewijzigde motivering heeft het Uwv het rapport van arbeidsdeskundige bezwaar en beroep J. den Hartog van 5 juni 2015 ten grondslag gelegd. In reactie op het commentaar van appellant, als gesteld in diens brief van 7 juli 2015 heeft het Uwv een nader rapport van arbeidsdeskundige bezwaar en beroep V. Fransoise overgelegd. Met deze rapporten, in onderlinge samenhang gelezen, heeft het Uwv gemotiveerd en aannemelijk gemaakt dat appellant, met inachtneming van de FML van 16 augustus 2012 de aan de schatting ten grondslag gelegde functies kan verrichten. Daarmee is het standpunt van het Uwv dat appellant in staat kon worden geacht meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, gebaseerd op een deugdelijke arbeidskundige grondslag en is terecht geen Wajonguitkering aan appellant toegekend.


5.4.

Uit wat onder 5.2 en 5.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt, zij het, gelet op wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, met verbetering van gronden. Voor een veroordeling tot vergoeding van schade, als door appellant verzocht, bestaat geen aanleiding.


6. Nu het Uwv eerst in de fase van het hoger beroep het bestreden besluit heeft voorzien van een deugdelijke motivering, is er aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Die kosten worden begroot op € 1225,-.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • - wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;
  • - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van

€ 1225,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van €118,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en E.W. Akkerman en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van M.A.E. Adamson als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015.




(getekend) J.J.T. van den Corput




(getekend) M.A.E. Adamson






sg