Centrale Raad van Beroep, 18-12-2015 / 13/3405 AOW


ECLI:NL:CRVB:2015:4878

Inhoudsindicatie
In de tussenuitspraak is bevestigd de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op het daarin vermelde bestreden besluit 1. Bestreden besluit 2 is in de tussenuitspraak (wel) onvoldoende gemotiveerd geacht en de Svb is daarom opgedragen het gebrek te herstellen. Gelet op het na de tussenuitspraak ingebrachte pensioenoverzicht van 26 juni 2014, komt bestreden besluit 2 alleen al daarom voor vernietiging in aanmerking. Omdat sprake is geweest van het verrichten van arbeid, ligt het primair op de weg van appellante om aannemelijk te maken dat zij desondanks gedurende langere periodes in Nederland verbleef of in Nederland werkte. Alleen dan zou artikel 12, eerste lid, van KB 746 haar niet gedurende de gehele periode zijn tegen te werpen. De gedingstukken laten echter een ander beeld zien. Beroep gegrond en bestreden besluit 2 vernietigd, uitsluitend voor zover het de periode 26 september 2011 tot en met 31 december 2011 betreft. Veroordeling proceskosten beroep en hoger beroep, griffierecht.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-18
Publicatiedatum
2016-01-07
Zaaknummer
13/3405 AOW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3405 AOW, 13/3464 AOW

Datum uitspraak: 18 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

16 mei 2013, 12/986 en 12/987 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te [woonplaats]

(tezamen: appellanten)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 10 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1159) een tussenuitspraak gedaan. Bij de tussenuitspraak is de aangevallen uitspraak bevestigd voor zover betrekking hebbend op het bestreden besluit 1 en is de Svb opgedragen het gebrek in het met betrekking tot appellante genomen besluit van 15 mei 2012 (bestreden besluit 2) te herstellen met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de Svb de Raad bij brieven van 3 en 4 juni 2015 bericht dat nader onderzoek niet heeft geleid tot het innemen van een ander standpunt.

Namens appellante heeft mr. W.G.H. van de Wetering, advocaat, hierop gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verbinding met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. In de tussenuitspraak is als volgt geoordeeld:

“4.6. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van KB 746 is niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen de persoon die in Nederland woont en die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid verricht, tenzij die arbeid uitsluitend wordt verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever.


4.7.

De Raad stelt vast dat de Svb in het bestreden besluit 2 ten aanzien van het ingezetenschap van appellante is afgegaan op het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, inhoudende dat appellante vanaf 1 januari 2007, maar ook na eind 2009, niet in Maleisië woonde. De Svb heeft verder ter zitting te kennen gegeven dat appellante in de periode van oktober 2011 tot en met december 2011 in Nederland werkzaamheden in loondienst heeft verricht. Dit bevestigt de stelling van appellante dat zij na 1 januari 2009 regelmatig in Nederland heeft verbleven. De verklaring van de beheerder, zoals weergegeven in 4.5, ondersteunt deze stelling ook enigszins. Dit strookt niet met het standpunt van de Svb dat appellante vanaf 1 januari 2009 gedurende het hele jaar op grond van het verrichten van arbeid buiten Nederland niet verzekerd is. De Raad is wel van oordeel dat de stukken die betrekking hebben op het door appellanten geëxploiteerde vakantiepark, voldoende aannemelijk maken dat gedurende het verblijf van appellante in Maleisië sprake is geweest van het verrichten van arbeid. Dit ontslaat de Svb echter niet van de plicht tot het verrichten van een zorgvuldig onderzoek naar de periodes van verblijf van appellante in Nederland vanaf 1 januari 2009. Nu dit onderzoek naar het oordeel van de Raad onvoldoende zorgvuldig is uitgevoerd, wordt geoordeeld dat nu niet kan worden geconcludeerd dat appellante gedurende de gehele periode na 1 januari 2009 voldoet aan de voorwaarden geformuleerd in artikel 12 van KB 746. Om die reden acht de Raad het bestreden besluit 2 onvoldoende gemotiveerd en komt dat besluit, zoals het nu luidt, in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellante moet in de gelegenheid worden gesteld andere perioden van verblijf en/of werkzaamheden in Nederland aannemelijk te maken.”

2.1.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de Svb de gemachtigde van appellante gevraagd om bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat appellante in de periode

1 januari 2009 tot 15 mei 2012, de datum van het bestreden besluit 2, in Nederland verbleef. Tevens is verzocht om bewijsstukken waaruit de verhuurperiodes van de recreatiewoningen in [woonplaats] blijkt. Aangezien appellante hier niet aan heeft voldaan, blijft de Svb van oordeel dat zij gedurende de periode in geding niet verzekerd was. Voorts heeft de Svb een pensioenoverzicht van 26 juni 2014 ingebracht met de daaraan ten grondslag liggende onderzoeksbevindingen. Uit het pensioenoverzicht blijkt dat, anders dan in het bestreden besluit 2 is geoordeeld, appellante gedurende de periode 26 september 2011 tot en met

31 december 2011 wel als verzekerde is aangemerkt.


2.2.

Namens appellante is aangevoerd dat zij gedurende diverse periodes vanaf 1 januari 2009 in Nederland verbleef. Daarbij is te kennen gegeven dat er (nog) weinig bewijsstukken zijn die dit standpunt onderbouwen. Wel wordt er een uitdraai van een bankafschrift ingebracht waaruit blijkt dat er medio 2009 diverse transacties zijn gepleegd.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


3.1.

Vastgesteld wordt dat in de onder 1 vermelde tussenuitspraak is bevestigd de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op het daarin vermelde bestreden besluit 1, dat betrekking heeft op appellant. Het op appellante betrekking hebbende bestreden besluit - in de tussenuitspraak aangehaald als bestreden besluit 2 - is in de tussenuitspraak (wel) onvoldoende gemotiveerd geacht en de Svb is daarom opgedragen het gebrek te herstellen.


3.2.

Het bestreden besluit 2 komt voor vernietiging in aanmerking, reeds gelet op het na de tussenuitspraak ingebrachte pensioenoverzicht van 26 juni 2014, waarin is vermeld dat appellante gedurende de periode 26 september 2011 tot en met 31 december 2011 verzekerd is voor de AOW.


3.3.

Tussen partijen is daarom nog in geschil of de Svb inmiddels wel zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de vraag of appellante gedurende de periodes van 1 januari 2009 tot

26 september 2011 en van 1 januari 2012 tot en met 15 mei 2012 verzekerd is geweest voor de AOW.


3.4.

De Svb heeft met het stellen van vragen aan appellante getracht nadere informatie over haar verblijf in Nederland te verkrijgen. Ondanks herhaald verzoek om bewijsstukken over te leggen die het gestelde verblijf van appellante in Nederland aantonen, is appellante er niet in geslaagd om voldoende gegevens daaromtrent aan te reiken. Nu in de tussenuitspraak is geoordeeld dat gedurende het verblijf van appellante in Maleisië (ook in de periode in geding) sprake is geweest van het verrichten van arbeid, ligt het primair op de weg van appellante om aannemelijk te maken dat zij desondanks gedurende langere periodes in Nederland verbleef of in Nederland werkte. Alleen in dat geval zou het niet in de rede liggen om artikel 12, eerste lid, van KB 746 gedurende de gehele periode in geding aan appellante tegen te werpen. De gedingstukken laten echter veeleer een beeld zien van een hoofdverblijf in Maleisië met korte periodes van verlof in Nederland. De overgelegde bankafschriften betreffen niet de periode in geding. Uit de overgelegde belastingaangiften blijkt niet dat appellante in Nederland heeft gewerkt. Deze periodes van verlof in Nederland worden ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, van KB 746 aangemerkt als periodes waarin uitsluitend buiten Nederland arbeid wordt verricht. Dit betekent dat appellante gedurende de periodes in geding op basis van artikel 12, eerste lid, van KB 746 niet verzekerd was voor de AOW.


3.5.

Uit overweging 3.1 volgt dat de aangevallen uitspraak vernietigd dient te worden. Het beroep van appellante dient gegrond verklaard te worden en het bestreden besluit 2 dient vernietigd te worden, uitsluitend voor zover daarin is vermeld dat appellante gedurende de periode 26 september 2011 tot en met 31 december 2011 niet is verzekerd voor de AOW.


4. Er is aanleiding om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 1.225,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2.205,-.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op het ten aanzien van appellante genomen besluit van 15 mei 2012;
  • - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 15 mei 2012, voor zover daarbij is geoordeeld dat appellante gedurende de periode 26 september 2011 tot en met 31 december 2011 niet verplicht verzekerd is voor de AOW. Voor het overige wordt het besluit van

15 mei 2012 in stand gelaten;

  • - veroordeelt de Svb in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.205,-;
  • - bepaalt dat de Svb aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2015.



(getekend) T.L. de Vries




(getekend) P. Boer




Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.




IJ