Centrale Raad van Beroep, 20-02-2015 / 13-3280 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:492

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering. Geen twijfel aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen die zijn weergegeven in de FML. Deugdelijke arbeidskundige grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-20
Publicatiedatum
2015-02-24
Zaaknummer
13-3280 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3280 WIA

Datum uitspraak: 20 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

15 mei 2013, 13/484 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1. Bij besluit van 13 juni 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van

5 juli 2012 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontstaat omdat hij minder dan 35 % arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 14 december 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant gronden van vooral medische aard aangevoerd. Appellant voert - kort weergegeven - aan dat hij lichamelijk en geestelijk meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Vanwege de ernst van zijn klachten zijn de geduide functies niet passend. Appellant betoogt dat de huisarts het niet eens is met de zienswijze van het Uwv. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een journaal van 3 februari 2014 van de huisarts ingezonden, waarin opgenomen een uitslag van een MRI-scan.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De hoger beroepsgronden vormen voornamelijk een herhaling van de gronden die appellant in eerste aanleg heeft aangevoerd. Die gronden heeft de rechtbank terecht verworpen.


4.2.

Wat betreft de verzekeringsgeneeskundige basis van de onderhavige besluitvorming heeft de rechtbank met recht geoordeeld dat deze berust op een deugdelijke medische grondslag. De verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht en verslag gedaan van het psychisch en lichamelijk onderzoek van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eveneens dossierstudie verricht; appellant wenste geen hoorzitting in bezwaar en er waren voldoende medische gegevens in het dossier om op basis daarvan tot een heroverweging te kunnen komen. De rechtbank ziet terecht geen aanleiding om te oordelen dat de rapporten van deze artsen onvolledig of onzorgvuldig zijn geweest. Uit die rapporten blijkt dat door de verzekeringsarts uitgebreid en adequaat een anamnese is afgenomen en psychisch en lichamelijk onderzoek is verricht. De rechtbank volgt appellant terecht niet in zijn claim dat er onvoldoende rekening is gehouden met pijnklachten van nek, schouders en rug. Bij het lichamelijk onderzoek zijn nauwelijks objectieve afwijkingen gevonden en ook uit het verdere dossier blijken volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen duidelijk aangetoonde beperkingen van het bewegingsapparaat. In de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is voldoende rekening gehouden met de lichamelijke klachten. Met juistheid oordeelt de rechtbank dat uit de onderzoeksgegevens van de verzekeringsarts en de dossiergegevens niet blijkt van aanwezigheid van ernstige psychopathologie. Ook met de spanningsklachten is voldoende rekening gehouden door de aangenomen beperkingen in de FML op het vlak van het persoonlijk en sociaal functioneren. Appellant heeft noch in bezwaar noch in beroep medische gegevens ingezonden die twijfel wekken aan het oordeel van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft dan ook met recht geoordeeld dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen die zijn weergegeven in de FML.


4.3.

Ook de door appellant in hoger beroep overgelegde radiologische gegevens zoals opgenomen in het journaal van de huisarts, leiden niet tot een ander oordeel. Het Uwv heeft afdoende gemotiveerd, onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 maart 2014, waarom die gegevens geen aanleiding geven om tot een ander oordeel te komen met betrekking tot de belastbaarheid van appellant ten tijde in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep merkt in dit rapport op dat ter beoordeling voor ligt de medische situatie van appellant op 5 juli 2012. Het overgelegde rapport ziet echter op de medische situatie van appellant in januari 2014. Tevens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat de door de radioloog beschreven afwijkingen van appellant aspecifiek van aard zijn en dat deze aangemerkt kunnen worden als normale verouderingsverschijnselen van de wervelkolom, terwijl de verzekeringsarts bij zijn lichamelijk onderzoek in mei 2012 geen (ernstige) rugafwijkingen heeft gevonden. De Raad kan de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in genoemd rapport onderschrijven.


4.4.

Wat betreft de arbeidskundige bezwaren van appellant heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke arbeidskundige grondslag. De aan appellant voorgehouden functies dienen voor hem in medisch opzicht als passend te worden aangemerkt. De gesignaleerde overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant zijn door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep naar behoren gemotiveerd.


4.5.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het verzoek van appellant om veroordeling tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2015.




(getekend) J. Riphagen




(getekend) S.K. Dekker




JvC