Centrale Raad van Beroep, 30-12-2015 / 14/4875 WSF


ECLI:NL:CRVB:2015:4930

Inhoudsindicatie
Herziening en terugvordering studiefinanciering. Uit een verrichte controle is gebleken dat appellante niet woont op het adres waaronder zij in de gba staat ingeschreven.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-30
Publicatiedatum
2016-01-13
Zaaknummer
14/4875 WSF
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4875 WSF

Datum uitspraak: 30 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

18 juli 2014, 13/4096 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.K. Oosterveen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2015. Voor appellante is verschenen mr. Oosterveen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

De minister heeft, voor zover hier van belang, voor de jaren 2012 en 2013 aan appellante studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm voor een uitwonende studerende. Appellante staat vanaf 15 mei 2012 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) ingeschreven onder het adres van haar grootouders, [adres] . Onder dit adres staan, naast appellante, nog zeven personen ingeschreven, waaronder haar tante [naam tante] (tante).


1.2.

Bij besluit van 8 maart 2013 heeft de minister appellante vanaf 1 juni 2012 alsnog als thuiswonend aangemerkt, de vanaf juni 2012 toegekende studiefinanciering herzien naar de norm voor een thuiswonende studerende en een bedrag van € 1.723,78, dat als gevolg van de herziening over de periode van juni 2012 tot en met februari 2013 te veel aan appellante is betaald, teruggevorderd.


1.3.

Bij besluit van 29 mei 2013 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 maart 2013 ongegrond verklaard. Aan de herziening heeft de minister ten grondslag gelegd dat uit een verrichte controle is gebleken dat appellante niet woont op het adres waaronder zij in de gba staat ingeschreven. De controle heeft bestaan uit een door twee controleurs afgelegd huisbezoek op 7 januari 2013 op het gba-adres van appellante, waarvan op 28 januari 2013 een rapport is opgemaakt. Het huisbezoek is afgelegd in het bijzijn van appellantes tante.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op grond van de bevindingen in het rapport op het standpunt mocht stellen dat appellante niet op het gba-adres woonde. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante er niet in geslaagd is om onomstotelijk aan te tonen dat zij gedurende (een deel van) de periode, voorafgaand aan de geconstateerde overtreding van artikel 1.5 van de Wsf 2000, feitelijk wel woonde op het gba-adres.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante stelt dat zij, omdat het wonen bij haar moeder en diens vriend niet langer houdbaar was, vanaf mei 2012 feitelijk bij haar grootouders woont. Haar post, boeken en studiemateriaal lagen, zoals haar tante bij het huisbezoek heeft verklaard, in een afgesloten kast. De reden daarvoor is dat haar kamer niet kan worden afgesloten en haar neefjes eerder studiematerialen hadden gepakt en gescheurd. Voorts heeft haar tante tegenover de controleurs verklaard dat zij ten tijde van het huisbezoek bezig was met het huishouden. De bedden werden verschoond en de tante was, onder het luisteren van muziek op haar laptop, bezig met het vouwen van de was op de kamer van appellante. Dit verklaart de aanwezigheid van de was en de laptop van haar tante, en het ontbreken van het dekbedovertrek, op de kamer van appellante. Verder was in de kast op de kamer van appellante kleding van appellante aanwezig en de in die kast, op naam van de tante, aangetroffen medicatie wordt ook door appellante gebruikt. Haar tante heeft voorts verklaard dat zij zelf een kamer op zolder heeft. Deze kamer was rommelig bij het huisbezoek, maar zou worden opgeknapt nadat een lekkage verholpen zou zijn. Voorts verblijven de grootouders van appellante een groot deel van het jaar in het buitenland, zodat er doorgaans voldoende slaapplekken in de woning op het gba-adres zijn. Daarnaast zijn appellante en haar tante niet gehecht aan een vaste slaapplek. Zij slapen dan ook op wisselende plaatsen.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

Voor het toepasselijke wettelijke kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.


4.2.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de minister zijn conclusie dat appellante niet woonde op het gba-adres heeft kunnen baseren op de bevindingen in het rapport van

28 januari 2013. Op de als kamer van appellante getoonde kamer is tijdens de controle niets aangetroffen wat herleidbaar was tot appellante. Daarentegen zijn op die kamer door de controleurs wel diverse zaken aangetroffen die aan de tante van appellante toebehoren, zoals een laptop, medicijnen en een tas met pasjes.


4.3.

Wat appellante daar tegenover heeft gesteld geeft de Raad geen reden tot twijfel aan de uit de bevindingen en waarnemingen van de controleurs getrokken conclusie.


4.3.1.

Niet geloofwaardig wordt geacht dat de grootvader van appellante haar post, studiemateriaal en studieboeken in een door hem afgesloten kast in de woning bewaart.


4.3.2.

De stelling van appellante dat haar tante de controleurs heeft aangeboden te laten zien dat de kleding in de linnenkast op de getoonde kamer niet van haar maar van appellante was, nu zij niet dezelfde kledingmaat hebben, wordt niet geloofwaardig geacht omdat deze stelling voor het eerst in hoger beroep naar voren is gebracht.


4.3.3.

De door appellante in hoger beroep gegeven verklaring voor de aanwezigheid van medicatie op naam van haar tante in de kast op haar kamer is in tegenspraak met wat zij eerder heeft verklaard. In bezwaar heeft zij te kennen gegeven dat deze medicatie enkel van haar tante is, maar wegens reparaties in het huis in haar kast wordt bewaard. Los daarvan acht de Raad het niet geloofwaardig dat twee personen gebruik maken van de op naam van één van hen verstrekte medicijnen. Appellante heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat zij op dezelfde medicatie is aangewezen.


4.3.4.

De door appellante en haar tante gegeven, overigens niet geheel eenduidige, verklaringen voor de ten tijde van het huisbezoek op de zolder aangetroffen situatie doen er niet aan af dat, gelet op de bevindingen van de controleurs, bewoning van de zolder door de tante van appellante geenszins aannemelijk is geworden.


4.3.5.

Betreffende de constatering van de controleurs dat er in de woning een slaapplek te weinig is, heeft appellante gesteld dat dit doorgaans geen probleem is omdat haar grootouders een groot deel van het jaar in het buitenland verblijven. Deze stelling is echter met geen enkel verifieerbaar gegeven onderbouwd. Dat appellante en haar tante niet gehecht zijn aan een vaste slaapplek kan daar ook niets aan afdoen.


4.4.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.2 tot en met 4.3.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Nu de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in stand blijven, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2015.




(getekend) J. Brand




(getekend) V. van Rij





IJ