Centrale Raad van Beroep, 24-12-2015 / 14/2691 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:4934

Inhoudsindicatie
Plaatsing van appellanten (leerkrachten bewegingsonderwijs) in het risicodragende deel van de formatie, ten einde een jaar later een ontslag vanwege de vermindering van de formatie mogelijk te maken. Ter uitvoering van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2015:750) is door de Stichting een nadere motivering gegeven. Gebrek niet hersteld. Vernietiging besluiten wegens niet draagkrachtig motivering.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-24
Publicatiedatum
2016-01-14
Zaaknummer
14/2691 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2691 AW, 14/2692 AW

Datum uitspraak: 24 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van

3 april 2014, 13/4639 (aangevallen uitspraak 1) en 13/4640 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats 1] (appellant)[appellante] te [woonplaats 2] (appellante)

Stichting Openbaar Onderwijs 3Primair (stichting)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. H. Koelewijn, advocaat, hoger beroepen ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1 en aangevallen uitspraak 2.

Mr. H.J. Brouwer, advocaat, heeft namens de stichting een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft mr. Brouwer nadere inlichtingen verschaft.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 29 januari 2015. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Koelewijn. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Brouwer en H.M.J. Konings.

Bij tussenuitspraak van 12 maart 2015, 14/2691 AW e.v (ECLI:NL:CRVB:2015:750) is de stichting opgedragen gebreken in de besluiten van 15 juli 2013 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Namens de stichting is bij brief van 28 mei 2015 een nadere motivering gegeven. Bij brief van 4 juni 2015 heeft mr. Koelewijn hierop namens appellanten een reactie gegeven. Na een verzoek van de Raad aan de stichting om verduidelijking en aanvulling heeft mr. Brouwer bij brief van 20 augustus 2015 een nadere uiteenzetting gegeven. Mr. Koelewijn heeft hierop namens appellanten een schriftelijke reactie gegeven.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellanten hadden per 1 augustus 2013 gedurende bijna 25 respectievelijk 19 jaar het vak bewegingsonderwijs gegeven aan scholen voor openbaar basisonderwijs in de gemeente [naam gemeente] . De stichting is vanaf 1 januari 2007 het bevoegd gezag van het openbaar basisonderwijs van de gemeenten [gemeente 1] , [naam gemeente] en [gemeente 2] , dat gegeven wordt aan 14 scholen. Appellanten zijn vanaf 1 januari 2007 door de stichting aangesteld als leraar in salarisschaal LA in een vast dienstverband met een werktijdfactor van respectievelijk 1,000 en 0,3605 aan de openbare basisschool [naam school] .


1.2.

Het Meerjaren formatieplan 3primair 2013-2014 (formatieplan) vermeldt bij de stichting een verwachte daling van het leerlingenaantal met een verlaging van de personeelsformatie, alsmede het wegvallen van de subsidie voor het bewegingsonderwijs in de [naam gemeente] scholen per 1 januari 2015. Op grond van deze verwachtingen moesten onder meer enige leerkrachten en enige andere medewerkers per 1 augustus 2013 in het risicodragende deel van de formatie (rddf) geplaatst worden ten einde een jaar later een ontslag vanwege de vermindering van de formatie mogelijk te maken.


1.3.

Appellanten zijn bij afzonderlijke besluiten van 17 april 2013 per 1 augustus 2013 in het rddf geplaatst. De daartegen gemaakte bezwaren zijn bij besluiten van 15 juli 2013 (bestreden besluiten) gegrond verklaard voor zover het de motivering in de primaire besluiten betreft. Hun plaatsing in het rddf is bij die besluiten gehandhaafd, omdat appellanten niet over een brede onderwijsbevoegdheid beschikken en de subsidie van de gemeente [naam gemeente] voor het bewegingsonderwijs wegvalt. De groepsleerkrachten van de desbetreffende klassen zullen het bewegingsonderwijs gaan geven.


1.4.

Bij de aangevallen uitspraken zijn de beroepen ongegrond verklaard. De rechtbank is appellanten niet gevolgd in hun beroepsgronden over formele aspecten en heeft voorts geoordeeld dat de stichting met gebruikmaking van de hardheidsclausule in redelijkheid heeft mogen afwijken van de afvloeiingslijst door appellanten in het rddf te plaatsen.


2.1.

Appellanten hebben in hoger beroep al hun eerdere stellingen gehandhaafd. Omdat de stichting belangrijke informatie pas in de fase van het beroep bij de rechtbank bekend heeft gemaakt, zou in elk geval een veroordeling in de kosten van bezwaar en beroep op zijn plaats geweest zijn. In de aanvullende motivering van de stichting na de tussenuitspraak zien appellanten geen grond om de bestreden besluiten in stand te laten.


2.2.

De stichting heeft zich achter de aangevallen uitspraken gesteld. Zij meent voorts, dat bij haar brieven van 28 mei 2015 en 20 augustus 2015 de noodzakelijke aanvullende motivering is gegeven.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Formele aspecten

4.1.

Na de tussenuitspraak zijn partijen niet teruggekomen op het formatieplan dat ten grondslag is gelegd aan de plaatsing in het rddf. Daarmee is er voldoende grond om uit te gaan van de geldigheid van het formatieplan van mei 2013, waarin voor het schooljaar

2013-2014 een tekort van € 50.008,- is becijferd.


4.2.

Met betrekking tot de afvloeiingsregeling volstaat de Raad met de vaststelling dat alle leraren bij de scholen van de stichting één afvloeiingscategorie vormen en dat als hardheidsclausule het bepaalde in artikel 4 van de Afvloeiingsregeling openbaar basisonderwijs (Regeling) geldt, die op 22 februari 1999 door de gemeenteraad van [naam gemeente] is vastgesteld.


4.3.

Namens de stichting is in de brieven van 28 mei 2015 en 20 augustus 2015 aangegeven dat - anders dan in de tussenuitspraak is vermeld - van haar zijde tijdens de zitting van

29 januari 2015 na een eerder andersluidend antwoord is verklaard, dat bij de rddf plaatsingen toepassing is gegeven aan artikel 10.4, vierde lid, van de CAO PO 2013 (cao), waarin onder voorwaarden een afwijking van de afvloeiingsrangorde mogelijk wordt gemaakt bij een formatief probleem van ten minste € 35.000,- op één instelling of enkele instellingen.


4.3.1.

De Raad ziet geen aanleiding om de stichting hierin te volgen, omdat het verhandelde ter zitting geen aanknopingspunt voor deze stelling bevat. De Raad wijst er nog op dat deze bepaling uitsluitend meebrengt, dat de rddf plaatsing en vervolgens de afvloeiing moet plaatsvinden uit het personeel van de instelling(-en) waar het formatieve probleem van ten minste € 35.000,- zich voordoet. De stichting heeft geen inzicht gegeven in de opeenvolgende beslissingen die bij toepassing van artikel 10.4, vierde lid, van de cao aan de orde zouden moeten komen. Dit betreft als eerste de beslissing over de keuze om de afwijkende regeling toe te passen hetzij per afzonderlijke school in [naam gemeente] (en het daarbij behorende personeel), dan wel over de gezamenlijke scholen in [naam gemeente] (en het bij die scholen tezamen behorende personeel). Die beslissing is noodzakelijk om te kunnen vaststellen of voldaan is aan de eerste voorwaarde voor toepassing van artikel 10.4, vierde lid, van de cao en vervolgens om te kunnen bepalen welke leerkracht bij toepassing van het bij de stichting geldende afvloeiingscriterium aan de beurt is. Gelet op de lange duur van de diensttijden van appellanten is niet goed denkbaar dat hen het lot van de rddf plaatsing zou treffen. Het ligt voorts niet zonder meer in de rede om het mogelijk te achten om bij de toepassing van artikel 10.4, vierde lid, van de cao gelijktijdig ook op grond van de hardheidsclausule van artikel 4 van de Regeling nog weer af te wijken van het bepaalde in eerstgenoemd artikel. In de uiteenzettingen van de stichting van 28 mei 2015 en 20 augustus 2015 wordt aan geen van deze omstandigheden aandacht geschonken, hoewel ze van essentieel belang zouden zijn voor een nadere inzichtelijke onderbouwing van de bestreden besluiten.


De plaatsingen in het rddf

5.1.

Hiermee komt de Raad dus toe aan de vraag of de plaatsing van appellanten in het rddf met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 4 van de Regeling in rechte houdbaar is.


5.2.

Artikel 4, eerste lid, van de Regeling luidt als volgt:

“Ter vermijding van kennelijke onbillijkheid of als het belang van de school dit kennelijk vereist, kan bij de verlening van ontslag van de overeenkomstig de artikelen 2 en 3 bepaalde volgorde worden afgeweken, met dien verstande dat, indien de omvang van de voorgenomen afvloeiing daartoe aanleiding geeft, deze geschiedt naar een bepaald vooraf vastgesteld en aan belanghebbenden kenbaar gemaakt plan.”


Artikel 4, derde lid, van de Regeling luidt als volgt:

“Aan het bepaalde in de voorgaande leden wordt voor zover het omvangrijke afwijkingen betreft slechts uitvoering gegeven na overleg met belanghebbenden en na de daarvoor in aanmerking komende organisaties van onderwijzend personeel en de medezeggenschapsraad (gemeenschappelijke medezeggenschapsraad) te hebben gehoord.”

5.3.

De afvloeiingslijst van alle basisscholen van de stichting tezamen vermeldt naar de stand van 1 augustus 2013 in totaal 265 vast aangestelde groepsleerkrachten met diensttijden die variëren van bijna 3 jaar tot 42 jaar en 7 vakleerkrachten bewegingsonderwijs (naast vakleerkrachten voor andere vakken) met diensttijden die variëren van bijna 3 jaar tot bijna

34 jaar. Appellante heeft een diensttijd van bijna 25 jaar en appellant heeft een diensttijd van ruim 19 jaar. Tussen partijen is niet in geschil dat appellanten geen andere onderwijsbevoegdheid hebben dan die voor het vak bewegingsonderwijs. Zij zijn dus niet inzetbaar als groepsleerkracht.


5.4.

De meest vergaande stelling van appellanten is dat een plaatsing in het rddf vanwege de stopzetting van de subsidie voor het bewegingsonderwijs in het geheel niet nodig was, omdat een einde zou kunnen worden gemaakt aan de vrije uren van de groepsleraren ten tijde van de lessen bewegingsonderwijs door de vakleerkracht. Daarmee zou de dubbele betaling van die uren beëindigd kunnen worden. De stichting heeft overtuigend uiteen gezet, dat geen sprake was van dubbel betaalde uren en vrijgeroosterde uren voor groepsleraren. Ook is voldoende gebleken van roostertechnische en pedagogische bezwaren tegen inroostering van groepsleerkrachten in tussenuren bij een blokuur gymnastiek van hooguit twee lesuren. Deze hoger beroepsgrond van appellanten slaagt dus niet.


5.5.

In verband met de beroepsgrond van appellanten over het ontbreken van het in artikel 4, eerste lid, van de Regeling voorgeschreven plan en het in artikel 4, derde lid, van de Regeling voorgeschreven overleg heeft de stichting in haar brief van 28 mei 2015 uiteengezet, dat onder de gelding van artikel 10.4 van de cao het overleg met de gemeenschappelijke medezeggingsraad (GMR) en de vakbonden is vervallen. Appellanten zijn daardoor niet benadeeld omdat de GMR instemmingsrecht heeft op het bestuursformatieplan. Daarnaast is de stichting van opvatting dat er in dit geval geen omvangrijke afwijking van de afvloeiingsvolgorde is omdat het slechts om een werktijdfactor gaat van in totaal 1,3605, verdeeld over twee personeelsleden.


5.5.1.

De Raad kan de stichting in deze stellingen niet volgen. Omdat ingevolge artikel 10.4 van de cao in dit geval de Regeling van toepassing is, heeft eveneens het daarin opgenomen voorschrift over overleg onder bepaalde omstandigheden zijn gelding behouden. Het is niet van betekenis dat al overleg is gevoerd over de afvloeiingsregeling. Het voorgeschreven overleg met de vakbonden en de GMR dient immers plaats te vinden over omvangrijke afwijkingen van de rangorde. Ter onderbouwing van de stelling dat er in dit geval geen sprake is van een omvangrijke afwijking van de afvloeiingsvolgorde, hanteert de stichting ten onrechte als maatstaf de werktijdomvang van de twee ambtenaren die na bezwaar (hoger) beroep hebben ingesteld tegen hun rddf plaatsingen. Omdat het overleg gevoerd behoort te worden voordat de desbetreffende besluiten aan de betrokken ambtenaren bekend gemaakt worden, moet de vraag naar de al dan niet omvangrijkheid beoordeeld worden ten tijde van de voorbereiding van deze besluiten, bijvoorbeeld ten tijde van de vaststelling van het bestuursformatieplan. Aangezien het voorgeschreven overleg bedoeld moet zijn als extra waarborg voor de desbetreffende personeelsleden, valt niet goed in te zien dat aan de omvang van de werktijdfactor grote betekenis kan toekomen. Die maatstaf zou er bovendien toe leiden dat aan de (rechts)positie van ambtenaren met een kleinere werktijdomvang minder betekenis zou mogen worden gehecht dan aan de (rechts)positie van degenen die voor een volledige, althans grotere werktijdomvang zijn aangesteld.


5.5.2.

Bij een rddf plaatsing van in totaal 16 personeelsleden, kan naar het oordeel van de Raad een afwijking van de afvloeiingsvolgorde bij in totaal 4 personeelsleden - naast appellanten waren nog 2 leerkrachten die bewegingsonderwijs in [naam gemeente] gaven met afwijking van de afvloeiingsrangorde in het rddf geplaatst - niet zonder goede motivering niet omvangrijk genoemd worden. Nu de stichting er na de opdracht in de tussenuitspraak niet in is geslaagd een steekhoudende motivering te geven, kan worden aangenomen dat de stichting hierin niet zal slagen. Ten onrechte is dus het in artikel 4, derde lid, van de Regeling voorgeschreven overleg achterwege gebleven. Deze hoger beroepsgrond van appellanten slaagt dan ook.


5.6.1.

De stichting stelt met juistheid, dat appellanten ten gevolge van het ontbreken van de bevoegdheid om als groepsleerkracht werkzaam te zijn niet de plaats van een groepsleraar kunnen innemen. In zoverre kan de stelling van de stichting aanvaard worden dat afwijking van de afvloeiingsrangorde geboden is, omdat het belang van de school, dat op één lijn gesteld kan worden met het belang van het onderwijs, dit kennelijk vereist. Deze afwijkingsmogelijkheid strekt naar haar aard niet verder dan tot degenen met de bevoegdheid van groepsleerkracht die vanwege hun geringste aantal dienstjaren als eersten in aanmerking zouden moeten komen om vanwege het formatietekort te moeten afvloeien. Voor zover op de afvloeiingslijst vervolgens een of meer vakleerkrachten zonder bevoegdheid van groepsleerkracht als leerkracht met de minste diensttijd worden vermeld, zouden deze als eersten moeten afvloeien, ongeacht op welke school zij werkzaam zijn. Er ontbreken redenen om een verdergaande afwijking van de afvloeiingsrangorde, ten nadele van de leerkrachten die in [naam gemeente] werkzaam zijn, in het belang van het onderwijs aanwezig te achten.


5.6.2.

Aanvankelijk heeft de stichting het kennelijk onbillijk genoemd dat leerkrachten van andere scholen zouden moeten afvloeien omdat er in de scholen in [naam gemeente] minder formatie voor het bewegingsonderwijs beschikbaar komt ten gevolge van de stopzetting van de subsidie van de gemeente [naam gemeente] . Na de tussenuitspraak heeft de stichting ter onderbouwing van de kennelijke onbillijkheid ook de positie van de ouders en de leerlingen naar voren gebracht. De stichting kan niet gevolgd worden in het betrekken van de ouders en leerlingen bij de vraag of sprake is van kennelijke onbillijkheid. Dat het aan de ouders niet zou kunnen worden uitgelegd waarom de leerkracht van hun kinderen niet langer kan aanblijven acht de Raad overigens ook weinig realistisch. Dat de schoolorganisatie en alle betrokkenen gebaat zijn bij stabiliteit in het lerarenteam kan worden onderschreven, maar heeft geen betekenis bij de beoordeling van de onderhavige kennelijke onbillijkheid. Het vertrek van elke leerkracht zal immers enigermate afbreuk doen aan de stabiliteit van het lerarenteam van enige school. Voor het overige heeft de stichting geen argumenten aangedragen die uitstijgen boven hetgeen in 5.4.1 van de tussenuitspraak is overwogen. Dit betekent dat nog steeds geldt dat aan een zogenoemde afvloeiing op bestuursniveau inherent is dat een vermindering van formatie niet per definitie de leerkracht(en) treft van wie de school de vermindering van de formatie krijgt. Aan de oorzaak van de formatievermindering komt daarbij in beginsel weinig tot geen betekenis toe. Dit geldt zowel voor de groepsleerkrachten als voor de vakleerkrachten die op scholen in andere gemeenten werken. De stelling van de stichting, dat zij geen vrijheid heeft gehad bij het vaststellen van de afvloeiingsregeling, moet de Raad onbesproken laten, omdat nagelaten is om hier een motivering voor te geven. Daarbij wijst de Raad nog op hetgeen is overwogen onder 4.5 van de tussenuitspraak en op artikel 10.4, achtste lid, van de cao.


5.7.

Het voorgaande brengt mee dat de bestreden besluiten niet draagkrachtig gemotiveerd zijn en dat de nadere motivering van de stichting geen overtuigende argumenten bevat voor de plaatsing van appellanten in het rddf per 1 augustus 2013. Omdat de rechtbank dit niet heeft onderkend komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Nu de stichting er na de tussenuitspraak niet in is geslaagd alsnog een steekhoudende motivering te geven kan ervan uit worden gegaan dat herstel niet meer mogelijk is. De bestreden besluiten zullen dus vernietigd worden en de plaatsingsbesluiten van 17 april 2013 zullen herroepen worden.

6. De Raad ziet aanleiding de stichting te veroordelen in de proceskosten. Deze worden aan kosten voor rechtsbijstand voor elk van appellanten begroot op de helft van € 490,- voor het bezwaar, € 980,- voor het beroep en € 1.470,- voor het hoger beroep, in

totaal € 2.940,-:2 = € 1.470,-. De reiskosten van appellant worden begroot op € 23,42. De reiskosten van appellante wordt begroot op € 23,86.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraken;
  • - verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de besluiten van 15 juli 2013;
  • - herroept de besluiten van 17 april 2013;
  • - bepaalt dat de stichting aan appellanten de in beroep en in hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 406,- aan elk van beiden vergoedt;
  • - veroordeelt de stichting in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 1.493,42 en van appellante tot een bedrag van € 1.493,86.



Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en M.T. Boerlage en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2015.




(getekend) K.J. Kraan




(getekend) M.S. Boomhouwer









sg