Centrale Raad van Beroep, 30-12-2015 / 12/6072 ZVW


ECLI:NL:CRVB:2015:4936

Inhoudsindicatie
Ontbreken handtekening rechter.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-30
Publicatiedatum
2016-01-06
Zaaknummer
12/6072 ZVW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/6072 ZVW

Datum uitspraak: 30 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

9 oktober 2012, 12/220 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (Duitsland) (appellant)

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Cvz heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2015. Partijen zijn, met kennisgeving aan de Raad, niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1.1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.2.

Appellant woont in Duitsland en ontvangt pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet, pensioen van de [stichting] en een lijfrente-uitkering van Interpolis. Ingevolge de Zorgverzekeringswet (Zvw) is hij als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft hij op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo. 1408/71) recht op zorg in het woonland, ten laste van Nederland. Voor de kosten van die zorg is op grond van artikel 69 van de Zvw en de daarop gebaseerde Regeling zorgverzekering (Regeling) een bijdrage (de buitenlandbijdrage) in rekening gebracht.


1.3.

Cvz heeft appellant op 3 september 2011 de definitieve jaarafrekening voor het jaar 2008 toegezonden. Daarin is beslist dat de buitenlandbijdrage voor dat jaar op € 4.067,05 is vastgesteld. Na verrekening van inhoudingen resulteerde dit in een door appellant nog te betalen bedrag van € 1.058,35.


1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 9 december 2011 (bestreden besluit) heeft Cvz het besluit van 3 september 2011 herroepen en de buitenlandbijdrage voor het jaar 2008 vastgesteld op

€ 3.777,75. Na verrekening van inhoudingen resulteerde dit in een door appellant voor het jaar 2008 nog te betalen bedrag van € 769,05.


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en heeft daartoe - samengevat - het volgende overwogen. Cvz heeft appellant terecht aangemerkt als verdragsgerechtigde waarvoor hij een bijdrage is verschuldigd. Uit de uitspraak van de Raad van 26 augustus 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5891) volgt dat de buitenlandbijdrage moet worden gekwalificeerd als een sociale bijdrage bestemd voor de financiering van (een deel van) het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel, en dat deze niet is aan te merken als belasting of premie. Dat de definitieve jaarafrekening voor het jaar 2008 is vastgesteld na afloop van de in artikel 6.3.3 van de Regeling neergelegde termijn, betekent niet dat Cvz geen buitenlandbijdrage meer zou mogen vaststellen. Cvz heeft voor de late vaststelling voldoende compensatie geboden door renteheffing achterwege te laten. Er is geen sprake van schending van het rechtszekerheidsbeginsel omdat de van toepassing zijnde wet- en regelgeving de mogelijkheid met zich brengt dat een verdragsgerechtigde bij de definitieve jaarafrekening wordt geconfronteerd met een naheffing. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel is onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad van 26 augustus 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BG6362) verworpen. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat met de inwerkingtreding van de Zvw op 1 januari 2006 artikel 28 van Vo. 1408/71 op appellant van toepassing is, dat zijn recht op verstrekkingen daar direct uit voortvloeit en dat implementatie van dit artikel in de Nederlandse wetgeving niet vereist is. De rechtbank heeft onder verwijzing naar artikel 33, eerste lid, van Vo. 1408/71 de beroepsgrond dat Interpolis ten onrechte de buitenlandbijdrage op zijn uitkering heeft ingehouden, verworpen. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat het aan de rechtbank voorgelegde geschil beperkt is tot de definitieve buitenlandbijdrage voor het jaar 2008.


3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij zijn bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden gedeeltelijk herhaald. Verder heeft hij zich - onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 maart 2015 (ECLI:NL:RBZWB:2015:2130) - op het standpunt gesteld dat de buitenlandbijdrage ten onrechte (mede) wordt berekend over de door appellant genoten uitkeringen van Interpolis. Deze uitkeringen behoren volgens appellant tot zijn vermogen en niet tot zijn belastbaar loon. Verder heeft hij naar voren gebracht dat Cvz gebruik heeft gemaakt van illegaal van de Belastingdienst verkregen informatie. Zijn persoonlijke levenssfeer is geschonden doordat de Belastingdienst gegevens over zijn inkomen aan het Zorginstituut heeft verstrekt. Verder heeft appellant betoogd dat Interpolis niet bevoegd is om de buitenlandbijdrage in te houden op de aan hem betaalde uitkeringen en dat hij als binnenlands belastingplichtige geen buitenlandbijdrage verschuldigd is. Appellant heeft de Raad verzocht te bewerkstelligen dat de Belastingdienst zijn wereldinkomen over de jaren 2008 tot en met 2013 zal herberekenen en dat het Zorginstituut de buitenlandbijdragen over de jaren 2008 tot en met 2013 gewijzigd zal vaststellen. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat de aangevallen uitspraak ten onrechte niet is ondertekend door de rechter.


3.2.

Cvz heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Cvz heeft - onder verwijzing naar de van toepassing zijnde regelgeving - uiteengezet dat over de door appellant van Interpolis in 2008 ontvangen uitkeringen een buitenlandbijdrage verschuldigd is.


4. De Raad overweegt als volgt.


Omvang van het geding

4.1.

De Raad stelt vast dat het hoger beroep van appellant alleen betrekking heeft op de definitieve vaststelling van de buitenlandbijdrage op grond van de Zvw voor het jaar 2008.


De internationale context en (laten) inhouden van de buitenlandbijdrage

4.2.

In zijn uitspraak van 1 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7671, heeft de Raad onder verwijzing naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat Nederland als pensioenland verantwoordelijk is voor de betaling van kosten van zorg in het woonland. Daarom mag Nederland op grond van artikel 69 van de Zvw in verbinding met artikel 33 van Vo. 1408/71 een bijdrage heffen over, dan wel (laten) inhouden op, pensioen- en lijfrente-uitkeringen van appellant. Het heffen van een buitenlandbijdrage is geen ongelijke behandeling die onverenigbaar is met enige bepaling van communautair en/of internationaal recht (zie rechtsoverwegingen 4.3 en 4.7 van deze uitspraak).


Termijn

4.3.

Cvz heeft de definitieve jaarafrekening voor het jaar 2008 vastgesteld na het verstrijken van de termijn als genoemd in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling. Aan de overschrijding van deze termijn is echter niet de consequentie verbonden dat Cvz niet meer bevoegd zou zijn een buitenlandbijdrage vast te stellen. Het rechtszekerheidsbeginsel is evenmin geschonden nu Cvz appellant op de hoogte heeft gesteld van zijn bijdrageplicht vanaf 2006, hem in dit verband heeft verzocht inkomensgegevens te verstrekken en op enkele uitkeringsbijdragen reeds een inhouding heeft plaatsgevonden (zie ook de uitspraak van 28 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4824).


De berekening van de buitenlandbijdrage

4.4.1.

Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Zvw (tekst 2008) melden in het buitenland wonende personen die met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen (…) in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland, zich, tenzij zij op grond van de Zvw verzekeringsplichtig zijn, bij Cvz aan. In het tweede lid van dat artikel is, voor zover van belang, bepaald dat de in het eerste lid bedoelde personen een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage zijn verschuldigd.


4.4.2.

De in artikel 69 van de Zvw bedoelde ministeriële regeling is de Regeling.


4.4.3.

In artikel 6.3.1, eerste lid, van de Regeling (tekst 2008) is bepaald dat de voor een persoon, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de Zvw verschuldigde bijdrage (de buitenlandbijdrage), wordt berekend door de grondslag van de bijdrage te vermenigvuldigen met het getal dat wordt berekend uit de verhouding tussen de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekering in het woonland van deze persoon, en de gemiddelde uitgaven voor zorg voor een persoon ten laste van de sociale zorgverzekeringen in Nederland (woonlandfactor).


4.4.4.

Artikel 6.3.1, tweede lid, van de Regeling houdt - voor zover van belang - in dat de grondslag van de buitenlandbijdrage gelijk is aan de som van:

a. een inkomensafhankelijke bijdrage, berekend overeenkomstig paragraaf 5.2 van de Zvw,

b. een inkomensafhankelijke bijdrage, berekend overeenkomstig de op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen verschuldigde premie voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (…), en

c. (…) een bijdrage per maand overeenkomende met een twaalfde van het bedrag van de standaardpremie voor een zorgverzekering, zoals deze ingevolge artikel 4 van de Wet op de zorgtoeslag voor het desbetreffende jaar wordt vastgesteld.


4.4.5.

Van paragraaf 5.2 van de Zvw maken de volgende artikelen deel uit.

Artikel 42 van de Zvw bepaalt dat de inkomensafhankelijke bijdrage over een jaar wordt geheven over het bijdrage-inkomen van dat jaar. Artikel 43, eerste lid, van de Zvw bepaalt - voor zover van belang - dat het bijdrage-inkomen van een jaar is het gezamenlijke bedrag van hetgeen door de verzekeringsplichtige in dat jaar is genoten aan:

a. belastbaar loon (…)

d. belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen (…).

4.4.6.

Artikel 6.3.1, zevende lid, van de Regeling houdt in dat de inkomensgegevens, benodigd voor de berekening van de in het tweede lid bedoelde grondslag, worden ontleend aan het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, eerste tot en met derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).


4.4.7.

Artikel 6.3.1, achtste lid, van de Regeling houdt in dat indien het in artikel 8, derde lid, van de Awir bedoelde, niet in Nederland belastbaar inkomen niet is vastgesteld op grond van artikel 8a van de Awir, het door de rijksbelastingdienst wordt vastgesteld met overeenkomstige toepassing van dat artikel.


4.4.8.

Artikel 8 van de Awir (tekst 2008) bepaalt:

“1. Toetsingsinkomen is:

a. indien over het berekeningsjaar een aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het verzamelinkomen, zoals dat in die aanslag is of wordt opgenomen of zoals dat bij beschikking is of wordt vastgesteld;

b. indien over het berekeningsjaar geen aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het belastbare loon, zoals dat blijkt uit de op het berekeningsjaar betrekking hebbende jaaropgaven, vermeerderd met het belastbare loon van het berekeningsjaar waarover loonbelasting is nageheven van de werknemer. (…)

3. Niet in Nederland belastbaar inkomen, zoals dat bij beschikking is vastgesteld, wordt in aanvulling op het eerste en tweede lid mede als toetsingsinkomen in aanmerking genomen.”


4.4.9.

Ingevolge artikel 6.3.2 van de Regeling kan de bijdrage die bijdrageplichtige personen en hun gezinsleden verschuldigd zijn over het pensioen of de lijfrente-uitkering, door het orgaan dat het pensioen of de lijfrente uitkeert, op dat pensioen of die rente worden ingehouden en aan het Zorgverzekeringsfonds worden afgedragen (inhouding).


4.4.10.

In artikel 6.3.3, eerste lid, van de Regeling is, voor zover van belang, bepaald dat het verschil tussen de door de bijdrageplichtige en zijn gezinsleden verschuldigde bijdragen en de ingehouden en afgedragen of anderszins geïnde bijdrage, met inachtneming van het zevende tot en met het negende lid van artikel 6.3.1 en het tweede lid van dit artikel, door Cvz wordt vastgesteld en verrekend, geïnd of uitgekeerd. In het derde lid is, voor zover van belang, bepaald dat Cvz het verschil voor 30 september van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft voorlopig vaststelt, en het verschil uiterlijk zes maanden na het tijdstip waarop zowel de aanslag inkomstenbelasting als de beschikking niet in Nederland belastbaar inkomen onherroepelijk zijn geworden, definitief vaststelt (definitieve jaarafrekening).


4.5.

De Raad is van oordeel dat uit artikel 69, tweede lid, van de Zvw volgt dat appellant, die in het buitenland woont en op grond van Vo. 1408/71 recht heeft op zorg in Duitsland, de in dat lid bedoelde buitenlandbijdrage verschuldigd is. Uit het vierde lid van dat artikel volgt dat Cvz belast is met de vaststelling en heffing van die bijdrage en uit het tweede lid dat de hoogte van die bijdrage wordt geregeld bij ministeriële regeling.


4.6.

De grondslag voor de buitenlandbijdrage bestaat gelet op artikel 6.3.1, tweede lid, van de Regeling uit drie afzonderlijke delen:

a. een inkomensafhankelijke bijdrage, berekend overeenkomstig paragraaf 5.2 van de Zvw (Zvw-deel),

b. een inkomensafhankelijke bijdrage, berekend overeenkomstig de op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen verschuldigde premie voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ-deel) en

c. een bijdrage berekend op basis van de standaardpremie voor een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw (nominaal deel).


4.7.

Het Zvw-deel wordt, als onderdeel van de buitenlandbijdrage, op grond van artikel 6.3.1, tweede lid, onder a, en het zevende lid, van de Regeling, in overeenstemming met de artikelen 42 en 43 van de Zvw en artikel 8, eerste tot en met derde lid, van de Awir, vastgesteld aan de hand van - in dit geval - het belastbare loon en de belastbare periodieke uitkeringen van de verdragsgerechtigde.


4.8.

De grondslag van het AWBZ-deel is gelijk aan de verschuldigde premie voor de volksverzekeringen berekend over het premie-inkomen verminderd met de voor de premieplichtige toepasselijke heffingskorting. Op grond van artikel 8 van de Wet financiering sociale verzekeringen (tekst 2008) wordt onder premie-inkomen verstaan het belastbare inkomen uit werk en woning, bepaald volgens de regels van hoofdstuk 3 van de Wet inkomstenbelasting 2001.


4.9.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen is in de Zvw en de Regeling dwingend voorgeschreven op welke wijze de buitenlandbijdrage berekend moet worden (zie de uitspraak van 27 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2579). Noch de Zvw noch de Regeling biedt ruimte om af te wijken van deze berekeningssystematiek.


4.10.

Cvz is bij de berekening van de buitenlandbijdrage uitgegaan van het inkomensgegeven dat de Belastingdienst ter beschikking heeft gesteld. Uit dit gegeven blijkt dat voor het jaar 2008 het bedrag van de uitkeringen van Interpolis tot het belastbare loon dan wel het belastbare inkomen uit werk en woning is gerekend. Het Zorginstituut is gelet op de systematiek van artikel 6.3.1 van de Regeling gebonden aan de vaststelling van de Belastingdienst en ook gehouden die te volgen voor de berekening van de buitenlandbijdrage. Voor zover appellant het met dit gegeven niet eens is, dient hij zich te wenden tot (de inspecteur van) de Belastingdienst. De door appellant genoemde uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 maart 2015 is niet van belang omdat deze uitspraak ziet op de aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2010. Overigens heeft de rechtbank in die uitspraak expliciet geoordeeld dat de uitkering van Interpolis in 2010 is belast in box 1, zijnde het belastbare inkomen uit werk en woning.


De inhouding op de lijfrente-uitkering

4.11.

De Belastingdienst heeft een verklaring afgegeven dat Interpolis vanaf 1 januari 2011 mag afzien van de inhouding van loonbelasting. Nog daargelaten dat deze verklaring geen betrekking heeft op het jaar 2008, heeft de Belastingdienst daarbij uitdrukkelijk verklaard dat Cvz opdracht kan geven een bijdrage op grond van artikel 69 van de Zvw in te houden. Aan deze verklaring kan appellant dan ook niet het vertrouwen ontlenen dat hij als binnenlands belastingplichtige wordt aangemerkt, laat staan dat het inhouden van een buitenlandbijdrage niet mogelijk is.


Verstrekken gegevens

4.12.

Ingevolge artikel 89 van de Zvw in verbinding met artikel 88 van de Zvw is de Belastingdienst bevoegd uit eigen beweging en verplicht op verzoek aan - onder meer - Cvz de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de Zvw. Van het door appellant gestelde onrechtmatige handelen is dan ook geen sprake.


Ontbreken handtekening rechter

4.13.

De beroepsgrond dat een handtekening van de rechter op de aangevallen uitspraak ten onrechte ontbreekt, slaagt niet. Uit het ingezonden afschrift van de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechter buiten staat was om de uitspraak te ondertekenen. In artikel 8:77, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de uitspraak wordt ondertekend door de voorzitter van de meervoudige kamer en de griffier, en dat bij verhindering van de voorzitter of de griffier dit in de uitspraak wordt vermeld. Op grond van artikel 8:11, tweede lid, van de Awb heeft degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer tevens de bevoegdheden en verplichtingen die de voorzitter van een meervoudige kamer heeft. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak in overeenstemming met de wettelijke voorschriften omtrent ondertekening is gedaan. Het ontbreken van de handtekening van de rechter tast de rechtsgeldigheid van de uitspraak daarom niet aan.


Slotsom

4.14.

De overige door appellant aangevoerde beroepsgronden behoeven geen bespreking. Deze beroepsgronden hebben geen betrekking op de vaststelling van de buitenlandbijdrage voor het jaar 2008 en vallen buiten de omvang van het geding. Uit 4.1 tot en met 4.13 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Daarom zijn er geen gronden om het Zorginstituut tot schadevergoeding te veroordelen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en M.F. Wagner en

J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2015.



(getekend) R.M. van Male




(getekend) W. de Braal




TM