Centrale Raad van Beroep, 18-12-2015 / 14/5612 WIA-T


ECLI:NL:CRVB:2015:4965

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering. Niet duidelijk tot uiting gekomen op welke wijze met het medicijngebruik van appellant rekening is gehouden bij de beoordeling. Geleidelijke opbouw van arbeid is voor appellant van belang. De verzekeringsarts heeft geen indicatie gegeven hoe een geleidelijke opbouw van arbeid vorm zou kunnen krijgen, waardoor het rapport op dit punt onvoldoende duidelijk is en niet getoetst kan worden of de vereisten voor wat betreft een geleidelijke opbouw in redelijkheid van een werkgever kunnen worden verlangd. Het Uwv heeft onvoldoende toegelicht dat de geselecteerde functies gelet op de daaraan gestelde eisen ten aanzien van belastingaspect ‘afwisseling van houding’ passend zijn. De Raad draagt het Uwv op om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-18
Publicatiedatum
2016-01-14
Zaaknummer
14/5612 WIA-T
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5612 WIA-T

Datum uitspraak: 18 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

1 september 2014, 14/1391 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2015. Voor appellant is

mr. Hest verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, laatstelijk werkzaam als machine-operator, heeft zich op 25 november 2011 vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet ziek gemeld met psychische klachten en rugklachten.


1.2.

Het Uwv heeft bij besluit van 23 oktober 2013 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 22 november 2013 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.


1.3.

Bij besluit op bezwaar van 7 maart 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 oktober 2013 ongegrond verklaard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van dossieronderzoek, het bijwonen van de hoorzitting en weging van ontvangen informatie van behandelaars, waaronder informatie van neuroloog

I.S. Beijer van 12 december 2013 en van psychiater P. de Groodt en klinisch

psycholoog-psychotherapeut A.F. Renalda van 14 januari 2014, op 26 januari 2014 gerapporteerd dat er geen argumenten zijn om appellant op medische gronden volledig arbeidsongeschikt te achten, omdat appellant niet voldoet aan de criteria zoals beschreven in de Standaard Geen Duurzaam Benutbare Mogelijkheden (GDBM). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder overwogen dat een geleidelijke opbouw van arbeid in het kader van re-integratie op de arbeidsmarkt voor appellant van belang kan zijn, zonder dat daarmee aangegeven is dat appellant om medische redenen buiten staat moet worden geacht om gedurende veertig uur per week arbeid te verrichten. Over de psychische klachten van appellant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gerapporteerd dat het onderzoek van de verzekeringsarts en de inhoud van de informatie van de curatieve sector geen aanknopingspunten bieden voor het bestaan van cognitieve stoornissen. Wel acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant gelet op zijn angststoornis en mede vanuit preventief oogpunt meer beperkt wat betreft het persoonlijk en sociaal functioneren. Over de rugklachten van appellant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gerapporteerd dat sprake is van tendomyogene pijnklachten door wortelprikkeling. Hij heeft hierin aanleiding gezien om de belasting van appellant ten aanzien van dynamische handelingen en statische houdingen aan te scherpen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen indicatie gezien voor een urenbeperking De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op basis van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 januari 2014 het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 32,61%.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard en het verzoek van appellant om vergoeding van de schade afgewezen.


2.2.

De rechtbank heeft het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig geacht. Zij heeft verder geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsartsen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen voldoende gemotiveerd waarom er geen indicatie is voor een urenbeperking. Zij heeft bij haar oordeel betrokken dat appellant in beroep geen medische stukken heeft ingezonden die onderbouwen dat zijn belastbaarheid niet juist is vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank in beroep inzichtelijk toegelicht dat de subjectief beleefde klachten als pijn, vermoeidheid en onvermogen niet als maatstaf kunnen dienen bij de vaststelling van de belastbaarheid omdat een objectief medische onderbouwing vereist is.


2.3.

Uitgaande van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid in de FML van 28 januari 2014 acht de rechtbank de functies ‘wikkelaar’ (sbc-code 267050) en ‘inpakker koekjes’

(sbc-code 111190) geschikt voor appellant. De rechtbank heeft verder overwogen dat zij twijfelt aan de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functie ‘soldering technician’ (sbc-code 111180). Zij heeft daartoe overwogen dat zij de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet zonder meer volgt in zijn standpunt dat het gebruik van een soldeerbout niet tot een verhoogd persoonlijk risico leidt. Naar het oordeel van de rechtbank is de reservefunctie ‘draadwever/nadenleger’ (sbc-code 264122) in medisch opzicht geschikt voor appellant. De rechtbank heeft vastgesteld dat het verlies aan verdiencapaciteit op grond van de functies ‘wikkelaar’, ‘inpakker koekjes’ en ‘soldering technician’ minder is dan 35%, zodat het Uwv terecht heeft bepaald dat appellant per 22 november 2013 geen recht heeft op een WIA-uitkering.


3. In hoger beroep heeft appellant staande gehouden dat bij het vaststellen van zijn beperkingen onvoldoende rekening is gehouden met zijn lichamelijke en psychische klachten. Hij heeft onder verwijzing naar de door hem in bezwaar ingezonden informatie van neuroloog I.S. Beijer van 12 december 2013 betoogd dat hij aanhoudend klachten heeft van radiculaire pijn in het linkerbeen als gevolg van littekenweefsel. Hij benadrukt dat hij als gevolg van deze klachten niet hele dagen in aangepast werk actief kan zijn omdat hij overdag regelmatig gaat liggen vanwege pijnklachten. Appellant stelt dat zijn klachten derhalve niet subjectief zijn. Hij verzoekt de Raad een neuroloog te benoemen voor een nader onderzoek. Wat zijn psychische klachten betreft heeft appellant onder verwijzing naar verklaringen van klinisch psycholoog en psychotherapeut A.F. Renalda en psychiater P. de Groodt van 14 januari 2014 gesteld dat fulltime werken voor hem nog een brug te ver is, hetgeen zich niet verdraagt met het standpunt van het Uwv dat hij 40 uur per week kan werken. Voorts houdt appellant staande dat hij ten gevolge van zijn medicijngebruik zwaarder beperkt is ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren en niet fulltime kan werken. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft appellant gesteld dat de geselecteerde functies niet passend zijn omdat deze stressvol zijn. Voorts acht hij de functies inpakker en draadwever niet passend omdat onvoldoende vertreden kan worden en onvoldoende van houding gewisseld kan worden.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling


4.1.

In hetgeen appellant in hoger beroep heeft gesteld over zijn lichamelijke klachten en in de beschikbare medische informatie ziet de Raad geen aanknopingspunten om te oordelen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de lichamelijke klachten van appellant heeft onderschat en dat op grond hiervan de voor appellant vastgestelde beperkingen voor onjuist moeten worden gehouden. De verzekeringsarts heeft de rugklachten en de radiculaire klachten in het linkerbeen van appellant betrokken in zijn beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het kader van de heroverweging in bezwaar de ingezonden informatie van neuroloog Beijer van 12 december 2013 beoordeeld, waarin beschreven is dat bij appellant sprake is van een recidief radiculaire pijn in het linkerbeen passend bij een wortelprikkeling S1 links en een paramediane HNP L5-S1 met deels een component littekenweefsel en deels een rest, dan wel recidief, HNP zonder evidente wortelcompressie. Deze informatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ertoe gebracht de belasting van appellant ten aanzien van dynamische handelingen en statische houdingen aan te scherpen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 26 januari 2014, 10 juni 2014 en 7 september 2015 inzichtelijk uiteengezet waarom de voor appellant vastgestelde belastbaarheid in de FML volstaat. De door appellant geclaimde verdergaande beperkingen worden niet plausibel geacht omdat deze niet ondersteund worden door medische gegevens. Over de in beroep ingezonden medische stukken van de pijnbehandelaar van appellant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 7 september 2015 gerapporteerd dat deze stukken hem geen aanleiding geven een ander standpunt in te nemen omdat de daarin gestelde beperkingen aan de rug zijn meegewogen en deels geen betrekking hebben op de datum in geding. Daarmee is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk onderbouwd waarom de voor appellant vastgestelde beperkingen ten aanzien van de lichamelijk klachten volstaan. De Raad ziet geen aanleiding om een neuroloog te benoemen voor een deskundigenonderzoek.


4.2.

Over de beperkingen van appellant als gevolg van zijn psychische klachten wordt het volgende overwogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant in verband met een gegeneraliseerde angststoornis beperkt geacht in zijn belastbaarheid. Appellant heeft in hoger beroep, evenals in beroep, onder verwijzing naar de in bezwaar ingezonden informatie van psychotherapeut Renalda en psychiater De Groodt van 14 januari 2014, aangevoerd dat hij verdergaand beperkt is te achten ten aanzien van de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren in de FML en dat fulltime werken nog een brug te ver is. Appellant heeft ten aanzien van zijn medicatiegebruik gesteld dat zijn medicijnen zodanig versuffend werken dat beperkingen aangewezen zijn op de belastingaspecten 1.1 tot en met 1.8 van de rubriek persoonlijk functioneren. Hij stelt niet in een hoog tempo of geconcentreerd te kunnen werken. Appellant heeft te kennen gegeven dat uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 januari 2014 niet blijkt dat zijn medicatiegebruik is meegewogen. Naar het oordeel van de Raad is in de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en in de FML inderdaad niet duidelijk tot uiting gekomen op welke wijze met het medicijngebruik van appellant rekening is gehouden bij de beoordeling. De Raad stelt verder vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 26 januari 2014 heeft overwogen dat geleidelijke opbouw van arbeid voor appellant van belang is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft echter geen indicatie gegeven hoe een dergelijke opbouw vorm zou kunnen krijgen, waardoor het rapport op dit punt onvoldoende duidelijk is en niet getoetst kan worden of de vereisten voor wat betreft een geleidelijke opbouw in redelijkheid van een werkgever kunnen worden verlangd. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat monotoon werk stresserend is voor hem, nu appellant dit niet met medische stukken heeft onderbouwd.


4.3.

Over de arbeidskundige grieven van appellant wordt het volgende overwogen. Gelet op hetgeen onder 2.3 is overwogen, richt het geding zich op de vraag of de functies wikkelaar, inpakker koekjes en draadwever/nadenleger in medisch opzicht passend zijn voor appellant.


4.4.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de functies wikkelaar en inpakker koekjes ongeschikt zijn te achten omdat sprake is van stresserend werk. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op 17 juni 2014 toegelicht dat appellant niet beperkt is voor handelingstempo en monotoon werk en dat uit de functiebeschrijvingen niet opgemaakt kan worden dat de werkzaamheden stresserend van aard zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft met betrekking tot de functie inpakker overwogen dat het handelingstempo in deze functie lager ligt dan de normaalwaarde in de FML en dat de werkzaamheden zeer routinematig van aard zijn. Hiermee heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad inzichtelijk toegelicht dat de voor appellant geselecteerde functies op dit aspect in medisch opzicht geschikt zijn.


4.5.

Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv echter onvoldoende toegelicht dat de geselecteerde functies gelet op de daaraan gestelde eisen ten aanzien van belastingaspect ‘afwisseling van houding’ passend zijn. In de FML is bij beoordelingsaspect 5.9 vastgesteld dat zitten-staan-lopen elke één tot twee uur afgewisseld moeten worden. Ten aanzien van de functie van draadwever/nadenleger wordt overwogen dat het lopen beperkt is tot tijdens drie werkuren eenmaal één minuut achtereen enkele meters lopen en tijdens twee werkuren twee minuten achtereen naar de kantine lopen. Onvoldoende duidelijk is of met deze afwisseling in voldoende mate wordt tegemoetgekomen aan de vereiste afwisseling.


4.6.

De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv op te dragen de in 4.2 en 4.5 vermelde motiveringsgebreken te herstellen en zo nodig op basis van een aldus aangepaste FML arbeidskundig onderzoek te laten plaatsvinden.








BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de hiervoor aangegeven gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.


Deze uitspraak is gedaan door G. van Zeben-de Vries als voorzitter en L. Koper en

H.O. Kerkmeester als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2015.




(getekend) G. van Zeben-de Vries




(getekend) W. de Braal




AP