Centrale Raad van Beroep, 30-12-2015 / 13/2381 ZVW


ECLI:NL:CRVB:2015:4984

Inhoudsindicatie
Buitenlandbijdrage ZVW. Verdragsgerechtigde. Het Zorginstituut heeft vanaf 1 januari 2006 ingevolge artikel 69 van de Zvw in verbinding met artikel 33 van Vo 1408/71 dan wel vanaf 1 mei 2010 in verbinding met artikel 30 van Vo 883/2004 een bijdrage mogen inhouden op de pensioenen van appellant, op de grond dat hij ingevolge artikel 28 van Vo 1408/71 dan wel vanaf 1 mei 2010 ingevolge artikel 24 van Vo 883/2004 recht heeft op verlening van verstrekkingen bij ziekte in zijn woonland België ten laste van Nederland. Geen strijdigheid met de derde richtlijn schadeverzekering (Richtlijn 92/49/EEG). Geen strijd met art. 1 EVRM. Geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof, aangezien de zaken van appellant geen nieuwe rechtsvragen oproepen die nog niet door het Hof zijn besproken en beantwoord. Geen schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. oproepen die nog niet door het Hof zijn besproken en beantwoord.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-30
Publicatiedatum
2016-01-14
Zaaknummer
13/2381 ZVW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2381 ZVW, 13/2382 ZVW, 13/4425 ZVW, 13/4426 ZVW, 13/4427 ZVW

Datum uitspraak: 30 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 3 april 2013, 12/2704 en 12/3497 en van 10 juli 2013, 12/6467, 12/6471 en 12/6472 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] , België (appellant)

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut per 1 april 2014 de bevoegdheden uit die voorheen door het Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan het Cvz.

Appellant heeft de hoger beroepen ingesteld. De gronden van deze hoger beroepen heeft appellant in verschillende geschriften toegelicht.

Het Zorginstituut heeft verweerschriften ingediend.

Partijen hebben nadere stukken aan de Raad toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2015. Appellant is - zoals tevoren bericht - niet verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.E. Berghout.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is geboren [in] 1942, heeft de Nederlandse nationaliteit, en woont sinds

5 maart 2003 met zijn gezin in België. Tot 1 juli 2004 heeft appellant gewerkt bij [naam werkgever] in [plaatsnaam] . Van 1 juli 2004 tot 1 mei 2007 heeft appellant een tijdelijk (vervroegd) ouderdomspensioen van [naam stichting] ( [stichting] ) ontvangen, welk pensioen is gebaseerd op de Pensioenspaarregeling [naam werkgever] . Per 1 mei 2007 ontvangt appellant een ouderdomspensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW) alsmede een bedrijfspensioen van [naam werkgever] . Tot 1 januari 2006 was appellant voor alle ziektekosten particulier verzekerd.


1.2.

Ingevolge de - met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden - Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellant door Cvz als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft hij op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) en vanaf 1 mei 2010 op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) recht op zorg in zijn woonland (België) ten laste van het pensioenland (Nederland). Voor dit recht op zorg is ingevolge artikel 33 van Vo 1408/71 en artikel 30 van Vo 883/2004 in verbinding met artikel 69 van de Zvw een buitenlandbijdrage verschuldigd die wordt ingehouden op de pensioenen van appellant. Appellant heeft zich, evenals zijn gezinsleden, per 1 januari 2006 met een E 121-formulier ingeschreven bij de Christelijke Mutualiteit, het bevoegde orgaan van zijn woonplaats.


1.3.

In de procedures 13/2381 en 13/2382 heeft appellant de besluiten bestreden die betrekking hebben op de definitieve jaarafrekeningen 2006, 2007 en 2008. De bezwaren tegen die besluiten zijn ongegrond verklaard bij beslissingen op bezwaar van 14 mei 2012 en van

14 juni 2012. In de procedures 13/4425, 13/4426 en 13/4427 heeft appellant de besluiten bestreden die betrekking hebben op de definitieve jaarafrekening 2009 en de voorlopige jaarafrekeningen over 2010 en 2011. De bezwaren tegen die besluiten zijn ongegrond verklaard bij beslissingen op bezwaar van 8 november 2012.


2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraken de beroepen van appellant ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.


3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden uitvoerig tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

Appellant heeft in deze gedingen bij de Raad op 11 november 2015 een verzoek ingediend om wraking van de behandelende rechters. Vervolgens heeft appellant bij brief van 22 november 2015 verzocht om wraking van de rechters van de wrakingskamer. Op dit laatste verzoek is bij uitspraak van 26 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4205) beslist dat dit verzoek niet in behandeling wordt genomen en tevens dat een volgend verzoek om wraking in deze gedingen niet in behandeling wordt genomen. Bij uitspraak van 30 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4256) is het verzoek om wraking van de behandelende rechters afgewezen.


4.2.

Tussen partijen is primair in geschil of het Zorginstituut vanaf 1 januari 2006 ingevolge artikel 69 van de Zvw in verbinding met artikel 33 van Vo 1408/71 dan wel vanaf 1 mei 2010 in verbinding met artikel 30 van Vo 883/2004 een bijdrage heeft mogen (laten) inhouden op de pensioenen van appellant, op de grond dat hij ingevolge artikel 28 van Vo 1408/71 dan wel vanaf 1 mei 2010 ingevolge artikel 24 van Vo 883/2004 recht heeft op verlening van verstrekkingen bij ziekte in zijn woonland België ten laste van Nederland.


4.3.

Appellant heeft allereerst betoogd dat het Zorginstituut geen bevoegd orgaan is als bedoeld in artikel 33 van Vo 1408/71 en artikel 30 van Vo 883/2004. Deze grond is eerder uitvoerig besproken in de uitspraak van de Raad van 19 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1466), gedaan in procedures die appellant heeft gevoerd tegen besluiten met betrekking tot de voorlopige jaarafrekeningen 2007 en 2008. Kortheidshalve wordt naar die uitspraak verwezen. Dit geldt ook voor de eveneens in deze gedingen naar voren gebrachte grond dat het bedrijfspensioen van appellant niet onder Vo 1408/71 dan wel onder Vo 883/2004 valt en dat dit pensioen daarom niet mag worden betrokken bij de berekening van de buitenlandbijdrage. In aanvulling hierop wordt nog verwezen naar de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 12 juli 2013 (ECLI:NL:GHSHE:2013:3983) waarin dit Hof tot een vergelijkbaar oordeel is gekomen als de Raad, inhoudende - kort gezegd - dat de gehanteerde methodiek niet in strijd komt met het Unierecht. De door appellant genoemde Conclusie van 12 november 2015 van Advocaat-Generaal Y. Bot in de bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) aanhangige zaak C-12/14, Europese Commissie tegen Republiek Malta, leidt niet tot een ander standpunt. Die zaak gaat over anti-cumulatieregels met betrekking tot uit diverse lidstaten ontvangen pensioenen en niet over de grondslag van een premie of bijdrage als hier aan de orde. Voor zover appellant ook bestrijdt dat zijn tot 1 mei 2007 ontvangen vervroegd (private) ouderdomspensioen ten onrechte is gelijkgesteld met een wettelijk pensioen, wordt eveneens verwezen naar de uitspraak van

19 juli 2013. Dit geldt ook ten aanzien van de herhaalde stelling van appellant ten aanzien van de berekening van de woonlandfactor. Voor zover in deze gedingen Vo 883/2004 van toepassing is, is hetgeen in de uitspraak van 19 juli 2013 overwogen overeenkomstig van toepassing met dien verstande dat ingevolge artikel 30 van Vo 883/2004 in verbinding met artikel 30 van Verordening (EG) 987/2009 (Vo 987/2009) de begrenzing van de heffing van de buitenlandbijdrage anders is geregeld.

4.4.

Appellant kan voorts niet worden gevolgd in zijn stelling dat de Wet rechtsgang bronheffing verdragsgerechtigden (Stb. 2008, 277) vanwege strijd met het Unierecht buiten toepassing moet worden gelaten. Zoals ook in de uitspraak van 19 juli 2013 is overwogen, is in Bijlage 2 bij Vo 1408/71 Cvz aangewezen als bevoegd orgaan tot heffing van de wettelijke bijdrage van verdragsgerechtigden. Vanaf 1 mei 2010 is de bevoegdheid geregeld in een via internet te raadplegen elektronische lijst, de zogenoemde Master Directory, als bedoeld in artikel 88, vierde lid, van Vo 987/2009. Zie ook het Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 28 juni 2010, nr. Z/VV-3005638, waarin, teneinde de kenbaarheid van de verschillende organen voor de burger te waarborgen, de onder de werking van Vo 883/2004 bevoegde organen expliciet zijn aangewezen. De inhouding van de buitenlandbijdrage vindt overeenkomstig de artikelen 33 van Vo 1408/71 en artikel 30 van

Vo 883/2004 plaats door organen die pensioen of rente verschuldigd zijn. Tegen de besluiten van het Zorginstituut aangaande de heffing van de bijdrage alsmede tegen de besluiten van de tot inhouding van de buitenlandbijdrage bevoegde organen, kan in rechte worden opgekomen. Niet wordt ingezien dat de toerekening van laatstbedoelde besluiten aan het Zorginstituut, zoals dat ingevolge de Wet rechtsgang bronheffing verdragsgerechtigden is geregeld, strijdig is met het Unierecht.


4.5.

Ook de door appellant als nieuwe grond geponeerde stelling dat de AOW niet gekwalificeerd kan worden als pensioen uit werk en daarom niet onder Vo 1408/71 en

Vo 883/2004 kan vallen, treft geen doel. De AOW is als een in artikel 4 van Vo 1408/71 bedoelde wettelijke regeling vermeld overeenkomstig de in artikel 5 van Vo 1408/71 bedoelde verklaring, respectievelijk is van de AOW als wetgeving als bedoeld in artikel 3 van Vo 883/2004 kennisgegeven overeenkomstig artikel 9 van Vo 883/2009. Hiermee wordt volgens vaste jurisprudentie van het Hof geacht vast te staan dat de AOW een wettelijke regeling dan wel wetgeving van sociale zekerheid is in de zin van Vo 1408/71 en van

Vo 883/2004 en dat de op grond van de AOW toegekende uitkeringen socialezekerheidsuitkeringen zijn (zie onder meer de arresten van het Hof van 29 november 1977, 35/77, Beerens, punt 9 en van 20 februari 1997, C-88/95 e.a., Martínez Losada, punt 21). Ook in het arrest van 10 mei 2001, C-389/99, Rundgren, punt 39, heeft het Hof ten aanzien van de toepassing van artikel 28bis van Vo 1408/71 vastgesteld dat de woorden pensioen of rente in dat artikel zowel betrekking hebben op een op de woonplaats berustend pensioen, als op een op de uitoefening van betaalde arbeid berustend wettelijk pensioen. Ditzelfde geldt voor de toepassing van overeenkomstige artikelen 28 van Vo 1408/71 en artikel 24 van Vo 883/2004.


4.6.

Met betrekking tot de gestelde onverenigbaarheid van de Zvw met Richtlijn 92/49/EEG (de derde richtlijn schadeverzekering) omdat deze wet een stelsel van privaatrechtelijke ziektekostenverzekering omvat, waarin wettelijke voorschriften worden gesteld ten aanzien van het opleggen van acceptatieplicht, de dekkingsomvang van de verzekering en de premiestelling, wordt aangesloten bij de reactie van het Zorginstituut van 5 november 2015. Appellant is op grond van Vo 1408/71 en vanaf 1 mei 2010 op grond van Vo 883/2004 aan te merken als verdragsgerechtigde waardoor hij op grond van artikel 28 van Vo 1408/71 respectievelijk artikel 24 van Vo 883/2004 recht heeft op medische zorg in België ten laste van Nederland. In artikel 69, tweede lid, van de Zvw is bepaald dat appellant hiervoor een bijdrage verschuldigd is. De bepalingen in de Zvw over de premie die een Nederlands verzekerde verschuldigd is, de acceptatieplicht voor de Nederlandse verzekeraars en de dekkingsomvang van het Nederlandse pakket zijn niet relevant in de onderhavige procedures. Van strijdigheid van de bestreden besluiten met de derde richtlijn schadeverzekering is dan ook geen sprake.


4.7.

Voor zover appellant nog een beroep heeft willen doen op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omdat hij door de heffing en inning van de buitenlandbijdrage in zijn eigendomsrechten wordt geraakt, wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 18 oktober 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BB6578) en van

13 december 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU7133). Ook in het geval van appellant kan niet worden gesproken van een “individual and excessive burden”.


4.8.

De bestreden besluiten hebben geen betrekking op de beëindiging van de Nederlandse particuliere ziektekostenverzekering van appellant per 1 januari 2006. De beroepsgronden van appellant die hierop betrekking hebben vallen daarmee buiten de omvang van deze gedingen.


4.9.

Appellant heeft de Raad verzocht in zijn zaken prejudiciële vragen te stellen aan het Hof en heeft hiervoor tekstvoorstellen aangedragen. Zoals ook uit bovenstaande overwegingen blijkt, roepen de zaken van appellant echter geen nieuwe rechtsvragen op die nog niet door het Hof in genoemde arresten zijn besproken en beantwoord. Ook overigens is de juiste toepassing van het Unierecht zo evident, dat redelijkerwijs geen twijfel bestaat over de beantwoording van de in geschil zijnde rechtsvragen. De Raad ziet dan ook geen aanleiding in deze zaken nieuwe prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof.


4.10.

Het verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, wordt afgewezen. Verwezen wordt naar vaste rechtspraak van de Raad waarin is overwogen dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. De termijn is in deze gedingen aangevangen op 10 januari 2012, de dag waarop het Zorginstituut het oudste bezwaarschrift in deze procedures, gedateerd 5 januari 2012, heeft ontvangen. Nu op 30 december 2015 in hoger beroep uitspraak wordt gedaan, is de redelijke termijn van vier jaar voor de totale duur van de procedures niet is overschreden en is er geen sprake van een schending van de redelijke termijn.


4.11.

Uit het onder 4.1 tot en met 4.10 overwogene vloeit voort dat de hoger beroepen niet slagen en dat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd. De verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraken;
  • - wijst de verzoeken om schadevergoeding af.


Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2015.




(getekend) T.L. de Vries




(getekend) W. de Braal



UM