Centrale Raad van Beroep, 16-01-2015 / 12-5157 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:51

Inhoudsindicatie
Weigering terug te komen van een eerder besluit. Het was in de eerste plaats aan appellant om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan te dragen. Zoals het Uwv en de rechtbank terecht hebben vastgesteld, is appellant hierin niet geslaagd. Evenmin heeft appellant uiterlijk in bezwaar feiten of omstandigheden vermeld die aanleiding geven tot een ander, voor hem gunstiger besluit dan het besluit van 27 januari 1997. Het Uwv hoefde hiernaar dus geen nader onderzoek te doen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-16
Publicatiedatum
2015-01-20
Zaaknummer
12-5157 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

12/5157 WAO

Datum uitspraak: 16 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

7 augustus 2012, 11/5393 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant heeft gereageerd.

Het hoger beroep van appellant is op 25 juli 2014 ter behandeling aan de orde gesteld. Appellant en het Uwv zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1953, is op 10 januari 1991 werkzaamheden gaan verrichten als magazijnmedewerker. Hij heeft deze werkzaamheden op 4 februari 1991 wegens psychische klachten en maagklachten gestaakt. Aan hem is over de maximale periode van 52 weken ziekengeld op grond van de Ziektewet betaald.


1.2.

Het Uwv heeft appellant toestemming verleend om van 9 tot 23 december 1991 in Marokko te verblijven. Appellant is niet teruggekeerd naar Nederland, naar zijn zeggen omdat zijn gezondheidstoestand dat niet toeliet.


1.3.

Bij besluit van 18 juni 1992 heeft het Uwv appellant met ingang van 5 februari 1992 uitkeringen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd. Daarbij is eventuele arbeidsongeschiktheid van appellant buiten aanmerking gelaten omdat hij heeft geweigerd gestelde vragen te beantwoorden dan wel zich niet hield aan de controlevoorschriften. Dit besluit is door de rechtbank bij uitspraak van 20 oktober 1995 vernietigd onder de overweging dat appellant zich bij het Marokkaanse orgaan, de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS), had gemeld en bij dat orgaan onder controle is geweest, zodat appellant geen verwijt treft ter zake van het niet doorgeven van zijn verblijfplaats.


1.4.

Bij besluit van 27 januari 1997 heeft het Uwv appellant vervolgens uitkeringen op grond van de AAW en de WAO geweigerd, primair op de grond dat hij arbeidsongeschikt was op

10 januari 1991, het moment dat hij een inkomen ging verwerven en zijn verzekering op grond van de WAO een aanvang nam, en subsidiair op de grond dat het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid binnen zes maanden na die datum te verwachten was. Het beroep tegen dit besluit is door de rechtbank bij uitspraak van 24 augustus 1998 ongegrond verklaard. Het hoger beroep tegen deze uitspraak is door de Raad op 30 juni 1999 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de hoger-beroepstermijn. Het verzet daartegen is bij uitspraak van 15 september 2000 ongegrond verklaard.


1.5.

Bij besluit van 28 november 2003 heeft het Uwv afwijzend beslist op het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 27 januari 1997 overwegende dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd.


1.6.

Op 9 februari 2009 heeft appellant zich tot het Uwv gewend met het verzoek een nieuwe beslissing te nemen over zijn arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van zijn besluit van 27 januari 1997, welk besluit bij beslissing op bezwaar van 27 augustus 2009 is gehandhaafd. Het beroep daartegen is door de rechtbank op 16 juli 2010 ongegrond verklaard. De Raad heeft deze uitspraak op

22 april 2011 bevestigd.


1.7.

Op 24 juni 2011 heeft appellant zich opnieuw tot het Uwv gewend met het verzoek zijn arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen. Hij heeft daarbij aangegeven dat zijn gezondheid is verslechterd.


1.8.

Bij besluit van 12 juli 2011 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van zijn besluit van 18 juni 1992 op de grond dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die tot het oordeel leiden dat dat besluit onjuist was. Bij beslissing op bezwaar van 6 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv zijn besluit van 12 juli 2011 gehandhaafd. Daarbij is nader overwogen dat het verzoek van appellant niet in behandeling kan worden genomen omdat door het ontbreken van stukken onduidelijk is welke besluiten er zijn genomen, welke onduidelijkheid voor rekening van appellant komt.


1.9.

Hangende het beroep tegen het bestreden besluit heeft het Uwv stukken opgevraagd bij de Raad. Daaruit is het hiervoor geschetste verloop van de verschillende procedures gebleken. Het Uwv heeft zich nader op het standpunt gesteld dat appellants onder 1.7 omschreven verzoek moet worden gezien als een verzoek om terug te komen van het besluit van

27 januari 1997, op welk verzoek afwijzend is beslist op de grond dat er geen sprake is van nova die aanleiding geven om van dat besluit terug te komen.


2. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd wegens een gebrekkige motivering. Zij heeft vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn, zodat er geen aanleiding was terug te komen van het besluit van

27 januari 1997. Dit heeft de rechtbank ertoe gebracht de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Verder zijn beslissingen genomen over de vergoeding van proceskosten en griffierecht.


3. In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat hij verzekerd was omdat hij in Nederland werkzaamheden heeft verricht en dat hij nu arbeidsongeschikt is.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1, moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit, dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst. Indien in een voorkomend geval niet (geheel) duidelijk is wat met een aanvraag wordt beoogd, ligt het op de weg van het Uwv daarover bij de aanvrager nadere informatie in te winnen. Het onderscheid in wat de belanghebbende heeft beoogd, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het Uwv en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter.


4.2.

In de uitspraak van 14 januari 2015 is verder uiteengezet op welke wijze dergelijke aanvragen door de aanvrager moeten worden onderbouwd en door het Uwv moeten worden beoordeeld, en hoe de rechter beslissingen van het Uwv op dergelijke aanvragen toetst. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende.


4.3.

Zoals onder 4.1 is overwogen, moet de aanvraag van appellant naar zijn strekking worden beoordeeld. Het betreft hier een herhaalde aanvraag voor een uitkering op grond van de AAW en de WAO per 5 februari 1992, zowel voor het verleden als naar de toekomst. Een

Amber-beoordeling is in deze zaak niet aan de orde, nu de Wet Amber eerst per 29 december 1995 in werking is getreden en bovendien de bij die wet ingevoerde bepalingen in de situatie van appellant niet van belang zijn.


4.5.

Het was in de eerste plaats aan appellant om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan te dragen. Zoals het Uwv en de rechtbank terecht hebben vastgesteld, is appellant hierin niet geslaagd. Evenmin heeft appellant uiterlijk in bezwaar feiten of omstandigheden vermeld die aanleiding geven tot een ander, voor hem gunstiger besluit dan het besluit van 27 januari 1997. Het Uwv hoefde hiernaar dus geen nader onderzoek te doen.


4.6.

Het onder 4.4 en 4.5 overwogene leidt tot de conclusie dat aan appellant terecht uitkeringen op grond van de AAW en de WAO zijn onthouden. Bij de aangevallen uitspraak zijn terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten. Deze uitspraak, voor zover deze is aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.


5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2015.




(getekend) M.M. van der Kade




(getekend) B. Fotchind







nk