Centrale Raad van Beroep, 24-02-2015 / 13-6325 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:512

Inhoudsindicatie
Weigering bijstandsuitkering. Appellant heeft onvoldoende informatie verstrekt om aannemelijk te maken dat hij ten tijde van de aanvraag in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-24
Publicatiedatum
2015-02-26
Zaaknummer
13-6325 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6325 WWB

Datum uitspraak: 24 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

16 oktober 2013, 13/4102 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. de Jongh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft op 13 januari 2015 plaatsgevonden. Voor appellant is verschenen mr. De Jongh. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F.H. Molema.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Op 11 oktober 2012 heeft appellant zich gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Tijdens een intakegesprek op 16 oktober 2012 heeft appellant verklaard dat hij jarenlang bezig is geweest met een investeringsproject om op een goedkope manier (ontzilt) water te maken. Hij verklaarde te hebben geleefd van investeringen en geleend geld. Voorts heeft appellant verklaard dat hij zelf niet beschikt over een bankrekening, omdat hij geregistreerd is bij het Bureau Kredietregistratie (BKR) en dat de directeur van [de besloten vennootschap], [X.], zijn bankrekening ter beschikking stelt en soms rekeningen van appellant via zijn bankrekening betaalt. Aan appellant is een aanvraagformulier meegegeven dat hij heeft ingevuld en dat op 25 oktober 2012 is ontvangen door de sociale dienst. Op het aanvraagformulier heeft appellant ingevuld dat hij de bijstand wilde ontvangen op een bankrekeningnummer ten name van [de besloten vennootschap] Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft appellant nadere gegevens ingeleverd, waaronder een uitdraai van een e-mailbericht van [P.] (P) van 31 oktober 2012. In dit e-mailbericht is opgenomen, onder vermelding van ‘akte van geldlening’, dat appellant en P verklaren dat P aan appellant een bedrag van € 100.000,- ter leen heeft gegeven en dat dit bedrag is opgebouwd uit wekelijkse betalingen vanaf 2003 tot 31 oktober 2012. Appellant en P hebben deze uitdraai beiden ondertekend.


1.2.

Bij besluit van 12 november 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 april 2013 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant in onvoldoende mate heeft aangetoond hoe hij heeft voorzien in zijn bestaan in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft daartoe - samengevat - aangevoerd dat hij wel voldoende informatie heeft overgelegd om te kunnen vaststellen dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Daarnaast heeft hij bezwaar gemaakt tegen de door het dagelijks bestuur gehanteerde ingangsdatum voor een mogelijk recht op bijstand.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 11 oktober 2012 tot en met 12 november 2012.


4.2.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn financiële situatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag.


4.3.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in toereikende mate medewerking heeft verleend en datgene heeft gedaan wat onder de gegeven omstandigheden van hem gevergd kon worden om inzicht te verschaffen in de wijze waarop hij voorafgaand aan de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Hij wijst in dit verband op het volgende. Op basis van zijn aandeel in het – ook door Price Waterhouse Coopers ingeschat als mogelijk zeer winstgevende – [project] dat erop gericht is van zeewater drinkwater te maken, heeft appellant de afgelopen jaren voor grote bedragen geld kunnen lenen van partijen die verwachtten dit geld terug te kunnen verdienen. De laatste jaren heeft hij geleefd van een geldlening van P van in totaal € 100.000,-. Omdat appellant niet beschikte over een bankrekening ontving hij de bedragen contant. Door deze ongebruikelijke wijze van voorzien in het levensonderhoud, kon appellant eenvoudigweg geen sluitende bewijsstukken overleggen. Gelet op de uitspraak van de Raad van 6 juni 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AX6778) kan in een dergelijk geval toch worden aangenomen dat sprake is van bijstandbehoevendheid.


4.4.

Met het in 1.1 vermelde e-mailbericht van 31 oktober 2012 heeft appellant niet aannemelijk gemaakt op welke wijze hij voorafgaand aan de aanvraag om bijstand in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Naar appellant stelt, leefde hij van contante bedragen die hij wekelijks van P ontving, maar appellant heeft geen objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd waaruit blijkt dat en welke bedragen P wanneer heeft verstrekt. Op geen enkele wijze is door appellant of door P in een verklaring toegelicht hoe aan de geldlening feitelijk invulling werd gegeven, met name in de drie maanden voorafgaand aan de bijstandsaanvraag, of over de reden waarom de betalingen uit hoofde van de geldlening, zoals door appellant gesteld, niet konden worden voortgezet. Er bestaat aldus geen duidelijkheid over de wijze waarop betalingen plaatsvonden, de hoogte van deze betalingen en evenmin over de wijze waarop de betalingen door appellant werden aangewend.


4.5.

Gelet op 4.4 kan niet worden geoordeeld dat appellant alles heeft gedaan dat redelijkerwijs van hem kon worden verlangd om inzicht te geven in de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Reeds om die reden gaat de vergelijking met de casus van de door appellant genoemde uitspraak van 6 juni 2006 mank.


4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het dagelijks bestuur op goede gronden heeft geconcludeerd dat appellant onvoldoende informatie heeft verstrekt om aannemelijk te maken dat hij ten tijde van de aanvraag in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. De beroepsgrond met betrekking tot de ingangsdatum behoeft daarom geen bespreking. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en W.F. Claessens en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2015.




(getekend) J.F. Bandringa




(getekend) M.S. Boomhouwer




HD