Centrale Raad van Beroep, 24-02-2015 / 13-6670 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:514

Inhoudsindicatie
Verlaging bijstand voor de duur van één maand met 100%. Onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van het college dat appellant niet of in onvoldoende mate gebruik heeft gemaakt van de door het college aangeboden voorziening.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-24
Publicatiedatum
2015-02-26
Zaaknummer
13-6670 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6670 WWB

Datum uitspraak: 24 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

12 november 2013, 12/1777 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M.B.J. Derks-Höppener, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.E. Bischoff-Derks, kantoorgenoot van mr. Derks. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving ten tijde in geding bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2.

Ten behoeve van zijn re-integratie naar werk heeft M. Bosman, casemanager bij de Afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Sittard-Geleen (gemeente), zoals blijkt uit het rapport van 29 februari 2012, appellant op 23 januari 2012 aangemeld bij A. Spierings, matcher/begeleider van het zogenoemde 600 banenplan. Het 600 banenplan is een traject van de gemeente, waarbij de uitkeringsgerechtigde bij een werkgever wordt geplaatst en gedurende een proefperiode van één of twee maanden werkt met behoud van uitkering. Indien de uitkeringsgerechtigde goed functioneert wordt hem bij de werkgever een reguliere baan in het vooruitzicht gesteld. In het kader van dit traject is appellant bij [drukkerij] (drukkerij) geplaatst. Appellant is op 14 februari 2012 met zijn proefperiode bij de drukkerij begonnen. Hij heeft een halve dag gewerkt in de drukkerij en is toen door de werkgever naar huis gestuurd.


1.3.

Naar aanleiding hiervan heeft het college bij besluit van 29 februari 2012 bij wijze van maatregel de bijstand van appellant met ingang van 1 maart 2012 voor de duur van één maand met 100% verlaagd, op de grond dat appellant niet of onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de door het college aangeboden voorziening gericht op werk. Bij besluit van 18 april 2012 heeft het college de ingangsdatum van de maatregel gewijzigd in 1 april 2012.


1.4.

Bij besluit van 5 september 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 29 februari 2012 en 18 april 2012 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant zich op de eerste dag van de proefperiode zodanig heeft opgesteld dat dit voor de werkgever aanleiding is geweest om de proefperiode af te breken en dat niet kan worden vastgesteld dat appellant deze opstelling niet volledig kan worden verweten.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat hij niet of in onvoldoende mate gebruik heeft gemaakt van de door het college aangeboden voorziening. Het college had de maatregel daarom niet mogen opleggen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Niet in geschil is - en ook de Raad gaat ervan uit - dat de onderhavige proefplaatsing moet worden aangemerkt als een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB.


4.2.

Het besluit tot het opleggen van een maatregel is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een maatregel is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Meer concreet betekent dit dat het college zijn standpunt dat appellant niet of in onvoldoende mate gebruik heeft gemaakt van de aangeboden voorziening aannemelijk moet maken.


4.3.

Het college heeft zijn standpunt uitsluitend gebaseerd op de in een e-mailbericht neergelegde verklaring van matcher/begeleider Spierings (verklaring). Hierin is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

”Op dinsdag is [appellant] op tijd verschenen bij drukkerij Janssen. Hij heeft echter de hele tijd vragen gesteld over de verlofuren, contract, vakanties etc. tot vervelens toe. Ook de aangegeven instructies leek hij niet te begrijpen. De werkgever en zijn begeleider hebben hem van alle ellende om 12 uur naar huis gestuurd. De werkgever Mark Janssen van drukkerij Janssen heeft me deze informatie gegeven maar zag zelf geen mogelijkheden dit op schrift te zetten.”


4.4.

De verklaring heeft niet de betekenis die het college daaraan toekent. Van belang is in de

eerste plaats dat de verklaring niet afkomstig is van de werkgever of de (interne) begeleider, maar van een derde die de bewuste ochtend niet bij de werkzaamheden in de drukkerij aanwezig was. Voorts is van belang dat de verklaring weinig concreet en specifiek is. Zo blijkt hieruit niet aan wie appellant de hierin bedoelde vragen heeft gesteld en ook niet welke instructies appellant niet leek te begrijpen. Ook is niet duidelijk wat moet worden verstaan onder “tot vervelens toe” en “van alle ellende”. Verder is van betekenis dat de verklaring niet door andere, in het rapport van 29 februari 2012 neergelegde, onderzoeksbevindingen wordt bevestigd. Appellant heeft van meet af aan ontkend dat hij zich niet correct zou hebben gedragen. Het college heeft de verklaring nadien niet meer bij de werkgever geverifieerd.


4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat appellant niet of in onvoldoende mate gebruik heeft gemaakt van de door het college aangeboden voorziening. Dit betekent dat het college de verweten gedraging niet aannemelijk heeft gemaakt, zodat het college de bijstand van appellant ten onrechte voor de duur van één maand met 100% heeft verlaagd.


4.6.

De rechtbank heeft wat onder 4.5 is overwogen niet onderkend. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), vernietigen. De Raad ziet voorts aanleiding om gebruik te maken van de in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb neergelegde bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. In aanmerking genomen dat het college de verweten gedraging niet aannemelijk heeft gemaakt, was er geen ruimte voor het opleggen van een maatregel. De besluiten van 29 februari 2012 en 18 april 2012 zullen daarom worden herroepen.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 5 september 2012 gegrond en vernietigt dat besluit;

- herroept de besluiten van 29 februari 2012 en 18 april 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in

de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het college het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 160,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en W.H. Bel en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2015.




(getekend) C. van Viegen




(getekend) O.P.L. Hovens




HD