Centrale Raad van Beroep, 20-01-2015 / 12-4964 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:55

Inhoudsindicatie
Nu het besluit is herroepen, dient dit als een onrechtmatig besluit te worden aangemerkt. Bij een inhoudelijk onjuist primair besluit is de verwijtbaarheid van het bestuursorgaan een gegeven, tenzij het aan betrokkene is te wijten dat dit onrechtmatige primaire besluit is afgegeven. Het college dient ook de door appellante gemaakte kosten in bezwaar te vergoeden. Dat het besluit is herroepen vanwege een wijziging in de rechtspraak van de Raad vormt geen aanleiding een uitzondering te maken op het bovenstaande.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-20
Publicatiedatum
2015-01-21
Zaaknummer
12-4964 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2015/40
Uitspraak

12/4964 WWB, 14/6467 WWB

Datum uitspraak: 20 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van

24 juli 2012, 11/434 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Oldambt (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2014. Appellante, daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Bakker. Het college, daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. van der Veen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving vanaf 17 maart 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Haar dochter, geboren op [in]1993, heeft van 1 juni 2010 tot 6 januari 2011 in een jeugdpsychiatrische kliniek verbleven. Zij verbleef daar van zondagavond tot en met vrijdagmiddag en in het weekend verbleef zij bij appellante.


1.2.

Bij besluit van 2 september 2010 heeft het college aan appellante meegedeeld dat de hoogte van de bijstand met ingang van 1 juni 2010 wordt berekend naar de norm voor een alleenstaande die wordt aangepast naar de zogenaamde co-ouderschapverdeling. Voor de vijf dagen dat haar dochter in een instelling verblijft, heeft appellante recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande en voor de twee dagen dat de dochter thuis verblijft, wordt bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.


1.3.

Bij besluit van 11 april 2011 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 september 2010 ongegrond verklaard.


2. Bij aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. De Raad heeft bij brief van 17 september 2013 het college verzocht het bestreden besluit te bezien in het licht van een uitspraak van de Raad van 4 december 2012,

ECLI:NL:CRVB:2012:BY8429.


3.1.

Gelet op de in 3.1 genoemde uitspraak van de Raad heeft het college bij besluit van

18 februari 2014 het besluit van 2 september 2010 ingetrokken en bepaald dat de bijstand van appellante over de periode van 1 juni 2010 tot en met 6 januari 2011 ongewijzigd wordt berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.


3.2.

Appellante heeft desgevraagd bij brief van 31 maart 2014 aan de Raad laten weten dat zij het hoger beroep zal intrekken onder de voorwaarde dat de kosten in bezwaar, de proceskosten in beroep en in hoger beroep alsmede het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep worden vergoed. Van de kant van het college is aangegeven dat voor een vergoeding van deze kosten geen plaats is.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Met het besluit van 18 februari 2014 is het college geheel tegemoetgekomen aan het hoger beroep. Gezien het verzoek van appellante om een vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, heeft zij volgens vaste rechtspraak (uitspraak van de Raad van 13 november 2012, ECLI: NL:CRVB: 2012:BY4176) voldoende belang bij de beoordeling van de aangevallen uitspraak.


4.2.

Nu het college het besluit van 2 september 2010 en het bestreden besluit in hoger beroep niet langer handhaaft, moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren.


4.3.

Het college meent dat er geen plaats is voor vergoeding van de door appellante gemaakte kosten omdat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit, nu het is gebaseerd op de destijds bestaande jurisprudentie.


4.4.

In geval van een tegemoetkomen door een bestuursorgaan wordt in beginsel een proceskostenveroordeling uitgesproken. Op dit uitgangspunt kan volgens vaste rechtspraak van de Raad slechts uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden (uitspraak van 23 september 2014, ECLI:NL:CRVB: 2014: 3146). Indien, bijvoorbeeld, de noodzaak om beroep (of hoger beroep) in te stellen uitsluitend te wijten is aan de handelwijze van betrokkene zelf, kan wel gesproken worden van een bijzondere omstandigheid (uitspraak van 12 februari 2014, ECLI:CRVB:2014:397). Dit is hier niet het geval.


4.5.

Nu het besluit van 2 september 2010 is herroepen, dient dit als een onrechtmatig besluit te worden aangemerkt. Bij een inhoudelijk onjuist primair besluit is de verwijtbaarheid van het bestuursorgaan een gegeven, tenzij het aan betrokkene is te wijten dat dit onrechtmatige primaire besluit is afgegeven. Zoals in 4.4 is aangegeven is dit niet het geval. Hieruit volgt dat het college ook de door appellante gemaakte kosten in bezwaar dient te vergoeden.


4.6.

De omstandigheid dat het besluit van 2 september 2010 is herroepen vanwege een wijziging in de rechtspraak van de Raad vormt geen aanleiding een uitzondering te maken op de in 4.4 en 4.5 bedoelde uitgangspunten.


4.7.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellante in bezwaar, en de proceskosten in beroep en hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 974,- in bezwaar, € 974,- in beroep, € 974,- in hoger beroep, in totaal

€ 2.922,-.










BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep:


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 14 april 2011 gegrond;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.922,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van

C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

20 januari 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




ew