Centrale Raad van Beroep, 20-02-2015 / 13-3185 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:568

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om verhoging WAO-uitkering wegens hulpbehoevendheid omdat bij appellant geen sprake is van een medische noodzaak tot geregelde oppassing en verzorging.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-20
Publicatiedatum
2015-02-26
Zaaknummer
13-3185 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3185 WAO

Datum uitspraak: 20 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

11 juni 2013, 13/76 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en heeft bij brieven van verschillende data, nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft op de door appellant ingezonden stukken gereageerd met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2015. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant ontvangt sinds 10 juni 2002 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en 70% van de grondslag.


1.2.

Appellant heeft het Uwv op 14 maart 2012 verzocht om verhoging van zijn

WAO-uitkering wegens hulpbehoevendheid, als bedoeld in artikel 22 van die wet.


1.3.

Bij besluit van 5 juli 2012 is de aanvraag van appellant afgewezen, omdat uit verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebleken dat bij appellant geen sprake is van een medische noodzaak tot geregelde oppassing en verzorging.


1.4.

Het tegen het besluit van 5 juli 2012 gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van

15 januari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar de, op artikel 22 van de WAO gebaseerde, “Beleidsregel verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid” (Beleidsregel), heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen grond is voor de conclusie dat de mate van hulpbehoevendheid niet juist is vastgesteld. De verzekeringsartsen zijn terecht en op goede gronden tot de conclusie gekomen dat appellant niet in aanmerking komt voor ophoging tot 100%, omdat bij hem geen sprake is van hulp bij alle of nagenoeg alle essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen en evenmin continue oppassing noodzakelijk is. Evenmin komt appellant in aanmerking voor ophoging tot 85% omdat hij wel enige handreikingen bij sommige dagelijks terugkerende levensverrichtingen nodig heeft, maar een noodzaak tot geregelde handreikingen door derden niet aan de orde is.


3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij in aanmerking zou moeten komen voor een verhoging van zijn WAO-uitkering, omdat hij vanwege zijn éénarmigheid geheel hulpbehoevend is. Daartoe heeft hij te kennen gegeven dat hij thuishulp heeft toegekend gekregen voor de verzorging van het huishouden alsmede ten aanzien van persoonlijke verzorging, zoals hulp bij het wassen, het aan- en uitkleden en het verzorgen van het ontbijt. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant diverse stukken overgelegd waaronder brieven van orthopedisch chirurg prof. dr. R.L. Diercks en de behandelend fysiotherapeut.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die haar tot dat oordeel hebben geleid, worden onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van

14 januari 2013 inzichtelijk gemotiveerd waarom appellant noch in aanmerking komt voor ophoging naar 100% noch naar 85% van zijn WAO-uitkering. Evenmin als de rechtbank heeft de Raad aanleiding om te twijfelen aan de uiteenzetting en de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.


4.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding tot een ander oordeel. Mede gelet op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

10 februari 2014, zijn ook in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd, geen concrete aanknopingspunten gelegen om het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in twijfel te trekken. Dat appellant thuishulp heeft toegekend gekregen bij huishoudelijke hulp en bij het wassen en aan- en uitkleden en het verzorgen van het ontbijt, maakt niet dat sprake is van een blijvende toestand van hulpbehoevendheid die geregeld oppassing en verzorging nodig maakt als bedoeld in artikel 22 van de WAO en de toepasselijke Beleidsregel. Uit de voorhanden stukken is niet gebleken dat er een objectief-medische noodzaak zou bestaan voor toezicht of oppas.


4.3.

Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2. is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en P.H. Banda en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2015.



(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) K. de Jong


GdJ