Centrale Raad van Beroep, 02-03-2015 / 13-5590 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:602

Inhoudsindicatie
Intrekking WIA-uitkering. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Ook in hoger beroep heeft appellante haar stelling dat zij meer dan wel anders beperkt is dan aangenomen door het Uwv, niet met medisch objectiveerbare gegevens onderbouwd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-02
Publicatiedatum
2015-03-05
Zaaknummer
13-5590 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5590 WIA

Datum uitspraak: 2 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

5 september 2013, 12/2469 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. P.F.M. Deijkers, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was tot en met 30 april 2003 werkzaam als office manager. Vanuit de situatie dat zij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet heeft appellante zich op

30 april 2004 ziek gemeld met psychische klachten en later schouder- en rugklachten. Bij besluit van 28 april 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van

28 april 2006 recht heeft op een uitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA).


1.2.

Na verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 8 maart 2012 vastgesteld dat appellante met ingang van 9 mei 2012 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van het bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 12 juli 2012 overwogen dat voor de psychische en de schouderklachten beperkingen zijn aangenomen. De rugklachten van appellante zijn niet te objectiveren, maar hij acht het voorstelbaar dat gezien de afgenomen spierconditie appellante niet een hele dag achtereen kan zitten, zodat hij toch een beperking voor zitten heeft aangenomen. Ook heeft hij in verband met de schouderklachten extra beperkingen aangenomen ten aanzien van reiken. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in verband met de aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 juli 2012 enkele functies geschrapt, maar in zijn rapport van 28 augustus 2012 geconcludeerd dat voldoende passende functies resteren en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante niet wijzigt. Bij besluit van 30 augustus 2012

(bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 maart 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2.1.

Met betrekking tot de medische grondslag heeft de rechtbank overwogen dat er onvoldoende grond is voor het oordeel dat de rapporten van de verzekeringsartsen op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Beide artsen hebben appellante onderzocht en dossierstudie verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML van 29 juli 2011 aangepast wat betreft afstand van reiken en de duur van zitten, wat heeft geleid tot een nieuwe FML van 26 juli 2012. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 12 juli 2012 voldoende gemotiveerd waarom bij appellante geen verdergaande beperkingen hoeven te worden aangenomen dan hij heeft gedaan. Daarbij heeft de rechtbank gewezen op de vaste rechtspraak van de Raad, onder meer de uitspraak van

16 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1789, dat voor het zaaien van twijfel aan de juistheid van een gegeven medische beoordeling of het aannemelijk maken dat een gegeven medische beoordeling inhoudelijk onjuist is, in beginsel een rapport van een regulier medicus noodzakelijk is.


2.2.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 26 juli 2012 berust het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank ook op een deugdelijke arbeidskundige grondslag. In de arbeidskundige rapporten is voldoende gemotiveerd waarom de geselecteerde functies ondanks de daarin voorkomende signaleringen voor appellante geschikt zijn.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het Uwv meer beperkingen in de FML had moeten opnemen. Daarbij heeft zij erop gewezen dat het Uwv haar op 14 maart 2012 heeft meegedeeld dat zij arbeidsongeschikt is en geen

re-integratieverplichtingen heeft. Dit leidt tot de conclusie dat appellante niet de geduide functies kan vervullen.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak onder overlegging van een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 november 2013 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 8 november 2013.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Ook in hoger beroep heeft appellante haar stelling dat zij meer dan wel anders beperkt is dan aangenomen door het Uwv, niet met medisch objectiveerbare gegevens onderbouwd.


4.2.

Appellante heeft ter zitting aangevoerd dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest, omdat de arbeidskundige zich heeft gebaseerd op een rapport van de verzekeringsarts dat is opgemaakt in het kader van de Ziektewet (ZW). Deze grond slaagt niet. Het Uwv heeft in bezwaar een volledige heroverweging gemaakt. Het feit dat de primaire arbeidskundige beoordeling volgt op een rapport van de verzekeringsarts in het kader van de ZW doet, wat daar ook van zij, daar niet aan af.


4.3.

De grond van appellante dat het Uwv meer beperkingen had moeten aannemen, omdat arts G.J. van der Ploeg in zijn rapport van 2 februari 2012 tot het oordeel is gekomen dat appellante ongeschikt is voor haar arbeid en op dat moment arbeidsongeschikt is, en omdat het Uwv bij brief van 14 maart 2012 aan appellante heeft meegedeeld dat zij tijdelijk niet in staat is te re-integreren naar werk, slaagt niet. Het rapport van Van der Ploeg en het schrijven van 14 maart 2012 zien op het ongeschikt zijn van appellante voor de functie van contactmedewerker voor 12 uur per week, waarin zij met ingang van 2 augustus 2010 had hervat en waarvoor zij in verband met uitval een beroep deed op de ZW. Voor de onderhavige beoordeling van de arbeids(on)geschiktheid in het kader van de Wet WIA is van belang of appellante geschikt is voor algemeen geaccepteerde arbeid. Van der Ploeg heeft in zijn rapport van 2 februari 2012 appellante weliswaar ongeschikt geacht voor haar functie van contactmedewerker, maar haar geschikt geacht voor passende arbeid.


4.4.

Uit 4.1, 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2015.




(getekend) D.J. van der Vos




(getekend) W. de Braal






NK