Centrale Raad van Beroep, 03-03-2015 / 13-6862 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:607

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Appellanten hebben de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden door het college niet te melden dat appellant werkzaamheden voor een restaurant heeft verricht. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij, in het geval zij wel aan de inlichtingenplicht hadden voldaan, recht op (aanvullende) bijstand hadden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-03
Publicatiedatum
2015-03-05
Zaaknummer
13-6862 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6862 WWB, 13/6863 WWB

Datum uitspraak: 3 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

13 november 2013, 13/12 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R.M.A. Arnoldus, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2015. Voor appellanten is

mr. Arnoldus verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Mulder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Bij besluit van 26 januari 2011 heeft het college over de periode van 1 december 2010 tot en met 20 december 2010 aan appellant bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande toegekend. Bij afzonderlijk besluit van eveneens

26 januari 2011 heeft het college appellanten met ingang van 21 december 2010 bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden.


1.2.

Op 3 december 2009 heeft de administratie van het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Groningen (sociale recherche) een tip ontvangen van een controleur van de Dienst Ruimtelijke Ordening en Economische Zaken van de gemeente Groningen met betrekking tot uitkeringsfraude bij vier horecaondernemingen in de stad Groningen. Naar aanleiding hiervan heeft de sociale recherche een onderzoek verricht. In dat kader is onder meer administratief onderzoek gedaan, zijn observaties uitgevoerd, is de bedrijfsadministratie in beslag genomen en zijn diverse personen als getuige en als verdachte gehoord. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 8 maart 2012 de bijstand van appellant over de periode van 1 december 2010 tot en met 20 december 2010 en van appellanten over de periode van 21 december 2010 tot en met 30 juni 2011 in te trekken. Daarbij heeft het college de over die perioden gemaakte kosten van bijstand van appellanten teruggevorderd, van appellant tot een bedrag van € 10.204,25 en van appellante tot een bedrag van € 9.557,89. Het college heeft aan de besluitvorming onder andere ten grondslag gelegd dat appellant in de te beoordelen periode werkzaamheden heeft verricht voor het restaurant [het restaurant]. Appellanten hebben de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden door dat niet te melden bij het college. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet meer worden vastgesteld.


1.3.

Het college heeft het bezwaar tegen het besluit van 8 maart 2012 bij besluit van

23 november 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het geschil is beperkt tot de periode van 1 december 2010 tot en met 30 mei 2011 (te beoordelen periode). Appellanten betwisten, verkort weergegeven, dat de gedingstukken voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat zij werkzaamheden hebben verricht en de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden.


4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dit betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.


4.3.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de stukken voldoende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellant in de periode van 1 december 2010 tot en met

30 mei 2011 werkzaam is geweest bij [het restaurant]. Ook de Raad verwijst naar concrete punten in het bestreden besluit zoals weergegeven in overweging 2.2 van de aangevallen uitspraak, en benadrukt dat appellant zelf heeft verklaard dat hij in de te beoordelen periode zijn zwager, [X.], heeft geholpen in zijn onderneming, [het restaurant]. Bovendien verklaren meerdere werknemers van [het restaurant] dat appellant in de te beoordelen periode hun baas was. De door appellante op 21 november 2011 afgelegde verklaring dat zij appellant nooit bij [het restaurant] heeft gezien, komt daarbij geen betekenis toe. Appelante heeft immers verklaard dat zij nooit in [het restaurant] is geweest en zij kan appellant daar dus ook niet hebben gezien. Bovendien staat deze verklaring haaks op de hiervoor bedoelde verklaringen en de observaties, waarbij op meerdere dagen is gezien dat appellant in [het restaurant] aan het werk was.


4.4.

Appellanten hebben de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden door het college niet te melden dat appellant in de te beoordelen periode werkzaamheden voor

[het restaurant] heeft verricht. Dat wordt niet anders als appellant voor zijn werkzaamheden niet zou zijn betaald, zoals appellanten hebben gesteld. De Raad verwijst in dit verband naar overweging 7.6 van de aangevallen uitspraak en maakt deze overweging tot de zijne.


4.5.

Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting kan het recht op bijstand van appellanten niet worden vastgesteld. Wat betreft de stelling van appellanten dat niet aan hen kan worden toegerekend dat de bedrijfsboekhouding geen juiste weergave van de werkelijkheid bevatte en dat niet aan hen kan worden toegerekend dat de administratie van de boekhouder kennelijk is verdwenen, verwijst de Raad naar overweging 7.7 van de aangevallen uitspraak. Daarin heeft de rechtbank verwezen naar vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 16 juni 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI9283), op grond waarvan het aan betrokkenen is om aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat, in het geval zij wel aan de inlichtingenplicht hadden voldaan, over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. Zij zijn daarin niet geslaagd.


4.6.

Gelet op 4.1 tot en met 4.5 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en P.W. van Straalen en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) O.P.L. Hovens



HD