Centrale Raad van Beroep, 24-02-2015 / 13-6638 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:615

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand. Niet de gehele beoordelingsperiode is sprake geweest van een gezamenlijke huishouding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-24
Publicatiedatum
2015-03-05
Zaaknummer
13-6638 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2015/122
Uitspraak

13/6638 WWB, 13/6726 WWB

Datum uitspraak: 24 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 november 2013, 13/4222 en 13/4285 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.G.M. van Gorkum, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens appellante heeft mr. W.A. Timmer BSc., advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2015. Namens appellant is verschenen mr. Van Gorkum. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Timmer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish-Willeboordse.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant ontving sinds 10 juni 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Met ingang van 27 oktober 2006 stond appellant in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans: Basisregistratie Personen) ingeschreven op het adres[adres 1] te [woonplaats] (adres 1).


1.2.

Naar aanleiding van het gerezen vermoeden dat appellant op het adres [adres 2] te [woonplaats] (adres 2) een gezamenlijke huishouding voert met appellante heeft de Sociale Recherche Den Haag (sociale recherche) op verzoek van het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche dossieronderzoek gedaan, diverse registers geraadpleegd, gegevens opgevraagd bij onder meer waterbedrijf Dunea en in de periode van 27 maart 2012 tot en met 25 april 2012 waarnemingen verricht in de omgeving van adres 2. Verder heeft de sociale recherche in de periode van 20 juni 2012 tot en met 22 juni 2012 alsmede in de periode van 2 augustus 2012 tot en met 6 augustus 2012 observaties verricht bij adres 2, buurtbewoners in de omgeving van adres 1 en adres 2 als getuigen gehoord, op 26 november 2012 appellant verhoord en op 27 november 2012 appellante verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 17 december 2012.


1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om de bijstand van appellant bij besluit van 3 december 2012 met ingang van 1 december 2012 in te trekken en bij besluit van 13 december 2012 met ingang van 27 oktober 2006 in te trekken alsmede de over de periode van 27 oktober 2006 tot en met 30 november 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 81.778,89 van appellant terug te vorderen. Bij afzonderlijk besluit van 13 december 2012 heeft het college dit bedrag mede van appellante teruggevorderd. Aan deze besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op adres 2 en dat appellant dat in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft doorgegeven aan het college.


1.4.

Bij afzonderlijke besluiten van 15 april 2013 (bestreden besluit 1 en 2) zijn de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep hebben appellanten zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 27 oktober 2006 tot en met

3 december 2012.


4.2.

Appellanten bestrijden dat in de (gehele) hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding.


4.3.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.


4.4.

Het antwoord op de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellanten hielden in de te beoordelen periode afzonderlijke adressen aan. Dat gegeven hoeft evenwel niet aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt, dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.


4.4.1.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bieden de bevindingen van het onderzoek door de sociale recherche geen toereikende grondslag voor de conclusie dat appellant reeds vanaf 27 oktober 2006 zijn hoofdverblijf op adres 2 bij appellante heeft gehad.


4.4.2.

Ter zitting heeft het college bevestigd dat het voor de beoordeling of sprake is van een gezamenlijke huishouding, doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de door appellant op 26 november 2012 ten overstaan van de sociale recherche afgelegde verklaringen. Appellant heeft ten aanzien van het hoofdverblijf verklaard dat dit eind 2009 dan wel begin 2010 verschoof van adres 1 naar adres 2. Over het hoofdverblijf in de periode daarvóór is appellant vaag gebleven. De overige onderzoeksgegevens bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant al vanaf 27 oktober 2006 zijn hoofdverblijf bij appellante op adres 2 had. De verklaring van appellante verschaft hierover geen duidelijkheid, de getuigenverklaringen bevatten te dien aanzien onvoldoende concrete feiten en omstandigheden en het waterverbruik biedt evenmin zekerheid over het hoofdverblijf van appellant op adres 2 in de periode vóór 1 januari 2010.


4.4.3.

De bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche bieden evenwel wel voldoende grondslag voor de conclusie dat appellant vanaf 1 januari 2010 zijn hoofdverblijf op adres 2 bij appellante had. Er bestaat geen aanleiding om aan de juistheid van de door appellant afgelegde verklaring te twijfelen, noch voor de periode tot 1 januari 2010, noch voor die erna. Deze is immers neergelegd in een door een sociaal rechercheur op ambtseed opgesteld proces-verbaal en door appellant gelezen en ondertekend. De verklaring van appellant vindt voorts steun in de over de periode van 20 juni 2012 tot en met 22 juni 2012 alsmede 2 augustus 2012 tot en met 6 augustus 2012 verrichte stelselmatige observaties waarbij is waargenomen dat appellant op diverse dagen en wisselende tijdstippen de woning op adres 2 betrad en verliet, alsmede het waterverbruik dat in de periode van 17 november 2004 tot en met 10 november 2011 met 126 m3 ruim boven het jaarlijkse gemiddelde lag voor een eenpersoonshuishouden van 47 m3. Dat het hogere waterverbruik is veroorzaakt door een in de woning op adres 2 aanwezige stoomcabine en het gegeven dat appellante zorg droeg voor de was van haar hulpbehoevende moeder, is niet aannemelijk gemaakt met objectieve gegevens.


4.5.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan. Voor het aannemen van wederzijdse zorg is niet noodzakelijk dat de door ieder van beiden geboden zorg jegens elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft.


4.5.1.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de verklaringen van appellanten kan worden opgemaakt dat er sprake is geweest van wederzijdse zorg. Van incidentele zorg is niet gebleken. Ook de door appellanten in hoger beroep ingebrachte verklaringen van familieleden leiden niet tot een ander oordeel.


4.5.2.

Zo heeft appellant verklaard dat hij wel kookt voor appellante en andersom, dat ze samen boodschappen doen, dat hij de lampen vervangt en de ramen zeemt, dat hij appellante zijn bankpasje geeft en dat zij ook zijn pincode heeft. Appellante heeft op haar beurt verklaard dat zij wel eens voor appellant kookt, dat zij ook wel eens de was voor appellant doet, dat appellant de ramen wel eens zeemt, dat als zij iets aan appellant vraagt hij dat wel doet voor haar, dat appellant wel eens helpt met boodschappen tillen, dat appellant wel eens sigaretten koopt voor haar, dat appellant in de zwarte Mercedes bus rijdt die op naam staat van appellante, dat indien de onderhoudskosten van de Mercedes bus van de te hoog worden appellant wordt gevraagd om bij te dragen in die kosten, dat appellant ook klusjes in huis doet als er bijvoorbeeld iets kapot is of opgehangen moet worden, dat appellant vrijelijk gebruik mag maken van de computer, de televisie en de radio, dat appellant heeft geholpen met het ophalen van een koelkast die via Marktplaats is gekocht en appellant heeft geholpen met de koelkast naar de woning te brengen en in de keuken te plaatsen.


4.6.

Uit 4.4.1 tot en met 4.5.2 volgt dat appellanten vanaf 1 januari 2010 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Appellant heeft daarvan geen melding gemaakt bij het college. Aangezien hij vanaf 1 januari 2010 niet als zelfstandig subject recht had op bijstand, was het college bevoegd de bijstand met ingang van die datum in te trekken en daarmee samenhangend de over de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 november 2012 gemaakte kosten van bijstand van appellanten (mede) terug te vorderen.


4.7.

Uit 4.4.1 tot en met 4.5.2 volgt tevens dat er geen toereikende grondslag is voor de intrekking en de terugvordering van de bijstand van appellant over de periode van

27 oktober 2006 tot 1 januari 2010. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen gegrond verklaren en bestreden besluit 1, voor zover dit besluit betrekking heeft op de intrekking van de bijstand van appellant over de periode van 27 oktober 2006 tot 1 januari 2010 en, in aanmerking genomen dat een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, op de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand, alsmede bestreden besluit 2, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. Tevens zal de Raad het aan appellant gerichte besluit van 13 december 2012 herroepen, voor zover het betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 27 oktober 2006 tot 1 januari 2010, aangezien aan dit besluit in zoverre hetzelfde gebrek kleeft als aan bestreden besluit 1.


4.8.

Aangezien de bestuurlijke lus zich niet verdraagt met het rechtsmiddel van beroep in cassatie, dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van het begrip gezamenlijke huishouding, zal het college opgedragen worden een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 december 2012, voor zover het betrekking heeft op de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 27 oktober 2006 tot 1 januari 2010. Bij dit besluit dient tevens aandacht te worden besteed aan de door appellant gevraagde (wettelijke) rente. Het college zal voorts worden opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 december 2012. In beide gevallen gaat het nog uitsluitend om een nadere financiële uitwerking.


5.1.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 980,- in bezwaar, op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand, in het totaal dus € 2.940,-.


5.2.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellante. Deze worden begroot op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand, in het totaal dus € 1.960,-.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart de beroepen gegrond;


136638 WWB:

- vernietigt het besluit van 15 april 2013 voor zover deze betrekking heeft op de intrekking

van de bijstand van appellant over de periode van 27 oktober 2006 tot 1 januari 2010 en op

de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand;

- herroept het besluit van 13 december 2012, voor zover dit besluit ziet op de intrekking van

de bijstand van appellant over de periode van 27 oktober 2006 tot 1 januari 2010 en bepaalt

dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit

van 15 april 2013;

- draagt het college op een nieuwe besluit op het bezwaar van appellant tegen het besluit van

13 december 2012 te nemen voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering met

inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de kosten tot een bedrag van € 2.940,-;

- bepaalt dat het college het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 162,- vergoedt;


136726 WWB:

- vernietigt het besluit van 15 april 2013;

- draagt het college op een nieuw besluit op het bezwaar van appellante tegen het besluit van

13 december 2012 te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 162,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.C.R. Schut en

L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham



De griffier is buiten staat te ondertekenen



Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.


HD