Centrale Raad van Beroep, 24-02-2015 / 13-3729 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:617

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand en uitkering krachtens de Wet investeren in jongeren. Appellante heeft niet gemeld dat zij schoonmaakwerk verrichtte, wat op geld waardeerbaar is. Appellante heeft niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens alsnog inzicht gegeven in de omvang van haar werkzaamheden en het daarmee verdiende inkomen, zodat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellanten niet worden vastgesteld
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-24
Publicatiedatum
2015-03-10
Zaaknummer
13-3729 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2015/120
Uitspraak

13/3729 WWB, 13/3730 WWB

Datum uitspraak: 24 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 6 juni 2013, 12/1958 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] en [appellante] te Sittard (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. L.N. Hermans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2015. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Hermans. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. Benning-Hellenbrand.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellanten ontvingen van 1 mei 2010 tot en met 30 juni 2010 en van 17 juni 2011 tot en met 24 april 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. In de periode van 1 juli 2010 tot en met 16 juni 2011 ontving appellant bijstand naar de norm voor een alleenstaande en appellante een inkomensvoorziening (uitkering) op grond van de Wet investeren in jongeren naar de norm voor een alleenstaande ouder.


1.2.

Naar aanleiding van de telefonische melding van appellante van problemen in verband met detentie van appellant, heeft haar casemanager van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Sittard-Geleen haar uitgenodigd voor een gesprek op 14 mei 2012. Tijdens het gesprek zag de casemanager dat appellante in haar agenda afspraken had staan en heeft appellante geconfronteerd met de vraag of zij werkt. Appellante heeft hierover vervolgens een verklaring afgelegd. Van het gesprek is een verslag gemaakt.


1.3.

Bij besluit van 21 mei 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 oktober 2012 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand dan wel uitkering van appellanten met ingang van 1 mei 2010 ingetrokken en de over de periode van 1 mei 2010 tot en met 24 april 2012 gemaakte kosten van bijstand dan wel uitkering tot een bedrag van € 35.048,82 van appellanten (mede)teruggevorderd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat zij sinds mei 2010 schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht. Als gevolg daarvan is het recht op bijstand en uitkering van appellanten vanaf 1 mei 2010 niet vast te stellen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 mei 2010, de datum met ingang waarvan de bijstand dan wel de uitkering is ingetrokken, tot en met 21 mei 2012, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Schending van de inlichtingverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand dan wel de uitkering, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige of aanvullende bijstand zou hebben gehad.


4.3.

De besluitvorming van het college berust op de verklaring die appellante tijdens het gesprek op 14 mei 2012 heeft afgelegd. Appellante heeft blijkens het van het gesprek gemaakte verslag het volgende verklaard. Zij is vanaf ongeveer halverwege 2011 begonnen met schoonmaakwerkzaamheden bij vriendinnen. Deze vriendinnen steunden haar en gaven haar constant iets, zoals eten en drinken voor de kinderen. Appellante kreeg ook geld. Omdat appellante toen toch elke keer kwam en geld kreeg, hebben ze gezegd dat appellante in ruil voor het geld kon schoonmaken. Ze maakte per week bij drie mensen schoon. Op de vraag bij wie zij schoonmaakt heeft appellante gezegd dat dit privé is en dat zij vindt dat zij dit niet hoeft te melden. Op de vraag of de werkzaamheden in Sittard worden verricht, wilde appellante geen antwoord geven. Op het verzoek van de casemanager om inzage in haar agenda te geven heeft appellante geantwoord dat zij haar agenda niet wil afgeven omdat daarin privé dingen staan. Verder heeft appellante verklaard dat het ging om werkzaamheden zoals af en toe de was opvouwen en stofzuigen. Zij ziet dit niet als werk, zij helpt vriendinnen. Zij deed dit bij elk van de drie gedurende drie uren en ontving hiervoor € 5,- per persoon per keer. Zij kreeg zodoende € 15,- per week. Tot slot heeft zij verklaard: “Maak er nu maar van twee jaar dat ik werk. Meer dan twee jaar is het echt niet; daar zweer ik op mijn kinderen op.”


4.4.

Appellanten hebben aangevoerd dat appellante niet aan de op 14 mei 2012 afgelegde verklaring mag worden gehouden, omdat deze onder ontoelaatbare druk is afgelegd.


4.5.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of ander handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens door de betrokkene ondertekende verklaring, tenzij sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Aannemelijk is dat appellante enige druk heeft ervaren, maar aanknopingspunten om aan te nemen dat zij haar verklaring niet in vrijheid dan wel onder ontoelaatbare druk heeft afgelegd ontbreken. Hierbij is van belang dat appellante haar verklaring na lezing heeft ondertekend. Uit de verklaring blijkt voorts dat de casemanagers appellante hebben gevraagd of zij goed is behandeld tijdens het opnemen van de verklaring en of zij de verklaring in alle vrijheid heeft kunnen afleggen. Hierop heeft appellante geantwoord dat zij niet tevreden is over het feit dat de casemanagers van alles van haar wilden weten. Appellante heeft op dat moment niet gezegd en doen vastleggen in het verslag dat zij op ontoelaatbare wijze onder druk is gezet. Dat appellante, zoals zij heeft gesteld, zich tijdens het gesprek onder druk gezet voelde maar de verklaring zonder opmerking daarover toch heeft ondertekend omdat zij dringend weg moest om haar kind op te halen, berust op een keuze van appellante en komt niet voort uit op haar uitgeoefende druk, en dient voor haar risico te blijven.


4.6.

Appellanten hebben voorts aangevoerd dat de casemanagers zonder toestemming de agenda van appellante hebben ingezien, zodat de verklaring van appellante moet worden aangemerkt als het gevolg van onrechtmatig verkregen bewijs en buiten beschouwing moet worden gelaten.


4.7.1.

In een e-mailbericht van 24 augustus 2012 van de casemanager is de volgende gang van zaken verwoord. Appellante wilde tijdens het gesprek van 14 mei 2012 enkele papieren tonen. Zij bladerde hiervoor in haar agenda. Tijdens het bladeren in de agenda kon de casemanager zien dat hierin afspraken stonden en zij vroeg aan appellante om de agenda te mogen inzien. Appellante reageerde in eerste instantie hier afwijzend op met opmerkingen als “staan alleen privé afspraken in”, maar overhandigde vervolgens uit eigen beweging de agenda schoorvoetend aan de casemanager. Appellante gaf geen toestemming voor het maken van kopieën en heeft haar agenda teruggevorderd, waaraan meteen gevolg is gegeven. Uit de verklaring van appellante, zoals neergelegd in het door haar ondertekende verslag, volgt ook dat de casemanagers haar hebben verzocht om verdere inzage in haar agenda en afgifte daarvan, en dat appellante, nadat zij eerder een beperkte inzage had gegeven, verdere inzage of afgifte heeft geweigerd. Gelet op de overeenstemming tussen het genoemde e-mailbericht en de ondertekende verklaring is aannemelijk dat de casemanager niet tegen de wil van appellante en niet verder dan appellante wilde, kennis heeft genomen van de inhoud van haar agenda.


4.7.2.

De beperkte kennisneming van de inhoud van de agenda, waarbij slechts is vastgesteld dat daarin afspraken voorkwamen, is gelet op de vrijwillige overgave van de agenda, geen onrechtmatig verkregen bewijs. Daarnaast kan het meekijken door de casemanager in de door appellante op eigen initiatief geopende agenda niet als onrechtmatig worden beschouwd.


4.8.

Gelet op de verklaring van appellante zoals weergegeven onder 4.3 heeft appellante op geld waardeerbare werkzaamheden verricht. Het gaat hier om feiten en omstandigheden waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze van belang kunnen zijn voor (de omvang van) het recht op bijstand. Door hiervan geen melding te doen aan het college heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.


4.9.

Aangezien appellante geen volledige openheid van zaken heeft gegeven over haar werkzaamheden en niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens alsnog inzicht heeft gegeven in de omvang van die werkzaamheden en het daarmee verdiende inkomen, kan als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellanten over de te beoordelen periode niet worden vastgesteld. Voor een schatting van de verworven inkomsten op basis van de door appellante afgelegde verklaring zijn onvoldoende concrete aanknopingspunten aanwezig. Hieruit vloeit tevens voort dat niet kan worden beoordeeld of de terugvordering van het volledige bedrag van de in de te beoordelen periode gemaakte kosten van bijstand als onevenredig moet worden aangemerkt, zoals door appellanten is aangevoerd.


4.10.

Uit 4.3 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Hillen en F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) C.A.W. Zijlstra




HD