Centrale Raad van Beroep, 04-03-2015 / 13-1972 ZVW


ECLI:NL:CRVB:2015:632

Inhoudsindicatie
Vaststelling buitenlandbijdrage Zvw. Het terugstorten dan wel doorstorten van bedragen door de Belastingdienst en het UWV en het al dan niet inhouden van de buitenlandbijdragen door het UWV op zijn WAO-uitkering zijn geen omstandigheden die, gelet op artikel 69 van de Zvw, bij de vaststelling van de buitenlandbijdragen een rol spelen. De Raad is niet bevoegd tot kennisneming van belastinggeschillen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-04
Publicatiedatum
2015-03-10
Zaaknummer
13-1972 ZVW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1972 ZVW, 14/2003 ZVW

Datum uitspraak: 4 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van

11 april 2013, 12/3313 en 8 april 2014, 13/6092 (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (België) (appellant)

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder Zorginstituut mede verstaan Cvz.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Zorginstituut heeft verweerschriften ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2014. Appellant is verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H. Verweij.

OVERWEGINGEN


1. Bij besluiten van 2 juli 2012 (bestreden besluit 1) en 16 oktober 2013 (bestreden besluit 2) heeft het Zorginstituut, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluiten van 27 november 2011, 16 december 2011, 25 mei 2012 en 10 juni 2013, waarbij op grond van artikel 69 van de Zorgverzekeringswet (Zvw) de definitieve buitenlandbijdragen van appellant over 2008, 2009, 2010 en 2011 zijn vastgesteld op achtereenvolgens € 2.376,36, € 2.547,35,

€ 2.804,14 en € 3.000,08.


2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant woont sinds 2006 in België en ontving in 2008, 2009, 2010

en 2011 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).


4.2.

In de onder 4.1 vermelde omstandigheden heeft appellant, zoals door de

rechtbank met juistheid overwogen, op grond van de Verordening (EEG) nr. 1408/71

(Vo. 1408/71) en vanaf 1 mei 2010 van de Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo. 883/2004) recht op zorg in zijn woonland (België), ten laste van Nederland en is voor dit recht op zorg op grond van artikel 69 van de Zorgverzekeringswet (Zvw) een bijdrage verschuldigd.


4.3.

De stellingen van appellant over het terugstorten dan wel doorstorten van bedragen door de Belastingdienst en het UWV en het al dan niet inhouden van de buitenlandbijdragen door het UWV op zijn WAO-uitkering, treffen geen doel. Dit zijn geen omstandigheden die, gelet op artikel 69 van de Zvw, bij de vaststelling van de buitenlandbijdragen een rol spelen.


4.4.

Hetgeen appellant heeft aangevoerd over de behandeling en afdoening

van zijn beroepen door een belastingrechter in andere procedures, treft evenmin doel. De Raad is niet bevoegd tot kennisneming van belastinggeschillen.


4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraken bevestigd dienen te worden.


5.Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.



Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2015.



(getekend) J. Brand




(getekend) K. de Jong




NK