Centrale Raad van Beroep, 05-03-2015 / 13-5521 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:662

Inhoudsindicatie
Functiewaardering. Het betreffende referentiemateriaal maakt een integrerend onderdeel uit van de methode van functiewaardering die door de korpschef ingevolge de Regeling moet worden gevolgd. Het stond de korpschef daarom niet vrij om de functie te waarderen door middel van een vergelijking met de organieke functies van het functiegebouw van de voormalige politieregio.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-05
Publicatiedatum
2015-03-13
Zaaknummer
13-5521 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5521 AW

Datum uitspraak: 5 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

3 september 2013, 13/4096 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Haaglanden, ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens appellant heeft mr. T.A. Meijer hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Meijer. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.H.M. Huizinga en W.B. Willems.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was werkzaam bij het bureau [naam bureau] in de voormalige politieregio [naam politieregio]. Nadat de korpschef appellant kenbaar had gemaakt dat hij in het kader van de invoering van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie het voornemen had de functie van [naam functie A] als uitgangspositie voor de toekomstige functie van appellant aan te merken, welke functie werd bezoldigd naar salarisschaal 6 van het Besluit bezoldiging politie (Bbp), heeft appellant verzocht om functieonderhoud op grond van artikel 2 van de Tijdelijke regeling functieonderhoud politie. Bij besluit van 20 oktober 2011 heeft de korpschef deze aanvraag afgewezen. Bij besluit van 3 juli 2012 heeft de korpschef het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 oktober 2011 gegrond verklaard en alsnog functieonderhoud toegekend. Voorts heeft de korpschef zorggedragen voor een nieuwe functiebeschrijving, namelijk die van [naam functie B]. De korpschef heeft deze functiebeschrijving vastgesteld op 1 oktober 2012. Appellant heeft tegen het besluit van 3 juli 2012 geen beroep ingesteld en is evenmin opgekomen tegen de vaststelling van de functiebeschrijving.


1.2.

Bij besluit van 5 oktober 2012 heeft de korpschef appellant meegedeeld dat op basis van de inhoud van de functiebeschrijving de functie van [naam functie B], in overeenstemming met het functiewaarderingssysteem Referentiemateriaal Functiewaardering Nederlandse Politie, is getoetst aan de referentiefuncties van Administratief medewerker B (schaal 4), Administratief medewerker C (schaal 5) en Inkoopassistent (schaal 5) en dat de waardering van de functie is vastgesteld conform salarisschaal 5 van het Bbp. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.


1.3.

Bij besluit van 12 november 2012 heeft de korpschef appellant met ingang van

31 december 2009 geplaatst in de functie van [naam functie B] en hem meegedeeld dat op grond van artikel 6, vijfde lid, van het Bbp zijn salaris ongewijzigd blijft. Tegen dat besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.4.

Naar aanleiding van het bezwaar tegen het besluit van 5 oktober 2012 heeft de Commissie van advies bezwaren functiewaardering politie (Commissie) de inhoud van de functiebeschrijving van de functie van [naam functie B] opnieuw getoetst aan de inhoud van de referentiefuncties Administratief medewerker C en Inkoopassistent en daarnaast aan de referentiefunctie Medewerker Financieel Beheer A (schaal 6). De Commissie heeft overwogen dat de inhoud van de functie van appellant qua zwaarte ten minste gelijk is aan de inhoud van de twee eerstgenoemde referentiefuncties, maar dat de functie van appellant lichter is dan de referentiefunctie Medewerker Financieel Beheer A en daarom lager dan die functie moet worden ingedeeld. Zij adviseert het bezwaar ongegrond te verklaren. Bij besluit van 11 april 2013 (bestreden besluit) heeft de korpschef besloten in overeenstemming met het advies van de Commissie.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat de korpschef bij de waardering van de functie van [naam functie B] geen vergelijking had mogen maken met referenties uit het Referentiemateriaal Functiewaardering Nederlandse Politie, maar dat de waardering in zijn geval had moeten plaatsvinden door middel van een vergelijking met de organieke functies van het functiegebouw van de voormalige politieregio [naam politieregio]. In dat geval zou de functie hoger zijn ingeschaald. Volgens appellant heeft de korpschef de indruk gewekt dat zijn functie ten behoeve van de waardering daarvan zou worden vergeleken met de betreffende organieke functies. Hij wijst er in dit verband op dat de beschrijvingen van de referentiefuncties uit het Referentiemateriaal Functiewaardering Nederlandse Politie niet digitaal beschikbaar zijn en de functiebeschrijvingen van de bij de voormalige politieregio [naam politieregio] voorkomende functies wel.


4.2.

De onder 4.1 weergegeven beroepsgrond treft geen doel. In artikel 6, tweede lid, van het Bbp is onder meer bepaald dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de bij de functies behorende waardering. De betreffende ministeriële regeling is de Regeling vaststelling systeem functiewaardering Nederlandse Politie (Regeling). Daarin is onder meer bepaald dat als systeem van functiewaardering voor de Nederlandse Politie worden vastgesteld het in bijlage 1 bij deze regeling opgenomen technische functiewaarderingssysteem, het als bijlage 2 opgenomen referentiemateriaal Functiewaardering Nederlandse Politie en het als bijlage 3 opgenomen vernieuwde referentiemateriaal Functiewaardering Nederlandse Politie. Het betreffende referentiemateriaal maakt dus een integrerend onderdeel uit van de methode van functiewaardering die door de korpschef ingevolge de Regeling moet worden gevolgd. Het stond de korpschef daarom niet vrij om de functie van [naam functie B] te waarderen door middel van een vergelijking met de organieke functies van het functiegebouw van de voormalige politieregio [naam politieregio]. Dat, zoals appellant stelt, de korpschef de indruk heeft gewekt dat bij de waardering van de functie van appellant niet de referentiefuncties, maar wel de organieke functies van het functiegebouw van de voormalige politieregio [naam politieregio] zouden worden gebruikt, vindt geen steun in de gedingstukken. Daarvoor is onvoldoende het feit dat de beschrijving van de referentiefuncties uit het Referentiemateriaal Functiewaardering Nederlandse Politie niet in digitale vorm beschikbaar is en de functiebeschrijvingen van de bij de voormalige politieregio [naam politieregio] voorkomende functies wel.


4.3.

Appellant heeft verder een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan. Hij heeft gesteld dat zijn leidinggevende hem mondeling te kennen heeft gegeven dat de waardering van zijn functie gunstig voor hem zou uitvallen.


4.4.

De onder 4.3 weergegeven beroepsgrond faalt. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Aan deze eisen wordt in dit geval niet voldaan.


4.5.

Op grond van wat hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2015.





(getekend) E.J.M. Heijs




(getekend) S.W. Munneke



HD