Centrale Raad van Beroep, 17-03-2015 / 14-1807 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:678

Inhoudsindicatie
De Centrale Raad van Beroep beslist in zijn uitspraak van 17 maart 2015 dat aan een man met ernstige lichamelijke en psychische beperkingen bijzondere bijstand voor neurofeedbackbehandelingen moet worden verleend, omdat sprake is van een acute noodsituatie.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-17
Publicatiedatum
2015-03-17
Zaaknummer
14-1807 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RSV 2015/82 met annotatie van H. van Deutekom
  • NJB 2015/658
  • JWWB 2015/79
  • JWWB 2015/126
  • AB 2015/258 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
  • USZ 2015/144 met annotatie van I.M. Lunenburg
Uitspraak

14/1807 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

27 februari 2014, 13/1079 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het dagelijks bestuur van Het Plein (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene, heeft mr. S. Hulsman, advocaat, een verweerschrift ingediend en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

De voorzieningenrechter van de Raad heeft bij zijn uitspraak van 23 september 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3149) het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Namens betrokkene is op deze stukken gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door B. Buiting en mr. D.E.M. Buffart-Lammerink. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Hulsman.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Betrokkene, geboren [in] 1957, heeft vanaf zijn geboorte motorische beperkingen en een spraakstoornis als gevolg van spastische dysartrie. Hij is destijds geopereerd aan zijn vastzittende tong en heeft met behulp van logopedie leren praten. In 1995-1996 heeft betrokkene een operatie ondergaan wegens een hypofysetumor en in 2012-2013 heeft hij, op indicatie van het Radboud Universitair Centrum Nijmegen, diverse neurofeedbackbehandelingen ondergaan. Betrokkene is in het verleden, onder meer in verband met traumatische (jeugd)ervaringen, driemaal opgenomen geweest bij de [naam stichting] in [plaatsnaam] wegens ernstige depressieve klachten en suïcidepogingen. Betrokkene ontvangt een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) en woont sinds 2007 in een [naam verblijfsafdeling] van GGNet in [woonplaats].


1.2.

Op 12 juli 2012 heeft betrokkene bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd voor de kosten verbonden aan neurofeedbackbehandelingen.


1.3.

Bij besluit van 13 augustus 2012 heeft appellant deze aanvraag afgewezen op de grond dat de kosten weliswaar uit bijzondere omstandigheden voortkomen, maar niet noodzakelijk zijn nu deze niet onder de basiszorgverzekering vallen.


1.4.

Bij besluit van 2 januari 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 13 augustus 2012 ongegrond verklaard. Daaraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat voor de kosten van neurofeedbackbehandelingen de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) als voorliggende voorziening moeten worden aangemerkt in de zin van artikel 15 van de WWB en dat in dit geval geen sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB.


2.1.

Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hangende dat beroep heeft na een eerste zitting bij de rechtbank, via tussenkomst van de advocaat van betrokkene, een onafhankelijk deskundige, psychiater E. Hofstad (Hofstad), betrokkene onderzocht en op

19 augustus 2013 advies uitgebracht. De conclusie van dat advies luidt als volgt:

“ Mijns inziens is er sprake van een zowel op somatisch als psychisch/ psychiatrisch opzicht kwetsbare man die meerdere recidiverende depressieve episodes doormaakte met ernstige suïcidaliteit. De neurofeedbackbehandeling geeft patiënt voor het eerst in z’n leven hoop, verbetering van neurologisch functioneren, daarmee vermindering van de beperkingen ten gevolge van zijn somatische handicaps, en fikse verbetering van de kwaliteit van leven. Stoppen ermee brengt m.i. groot risico met zich mee op perspectiefverlies en terugval in depressie met suïcidaliteit.”


2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen opnieuw op de bezwaren van betrokkene te beslissen. De rechtbank heeft daartoe - samengevat en voor zover van belang - overwogen dat zij het, gelet op de gedingstukken, waarvan meer in het bijzonder het advies van psychiater Hofstad, en het verhandelde ter zitting, aannemelijk acht dat betrokkene in een acute noodsituatie verkeert en dat hij in een levensbedreigende situatie zal komen te verkeren indien de neurofeedbackbehandelingen worden stopgezet. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Nu verzoeker zelf geen financiële middelen heeft om te voorzien in de kosten van neurofeedbackbehandelingen is de verlening van bijzondere bijstand hierdoor volstrekt onvermijdelijk. Om die reden dient betrokkene volgens de rechtbank voor bijzondere bijstand in aanmerking te worden gebracht.


3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat naar aanleiding van het advies van psychiater Hofstad niet kan worden geconcludeerd dat bij betrokkene sprake is van een situatie van levensbedreigende aard of die blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben als hij geen gebruik meer zou kunnen maken van de neurofeedbackbehandelingen.


3.2.

Betrokkene heeft, gelet op de schorsende werking van het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak, verzocht een voorlopige voorziening te treffen.


3.3.

De voorzieningenrechter van de Raad heeft het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. Hij heeft daarbij bepaald dat appellant voor de eerstvolgende neurofeedbackbehandeling en daarop volgende behandelingen van betrokkene bij wijze van voorschot bijzondere bijstand verleent, na declaratie van de gemaakte kosten op basis van één behandeling per week en tot een bedrag van maximaal € 95,- per behandeling. Daarbij heeft de voorzieningenrechter onder meer overwogen dat het voor de verdere beoordeling van belang is dat appellant het oordeel van een medicus vraagt teneinde een second opinion over de (acute) noodzaak van inwilliging van het verzoek om bijzondere bijstand te verkrijgen. Daarnaast zal betrokkene nadere inlichtingen dienen te verstrekken over de noodzaak van drie behandelingen per week en over de duur van de periode waarover nog neurofeedbackbehandelingen moeten plaatsvinden. Verder mag van betrokkene worden verlangd dat bij de ziektekostenverzekeraar (nogmaals) een onderbouwde aanvraag om vergoeding van de kosten van neurofeedbackbehandelingen wordt ingediend en dat om een schriftelijk besluit wordt verzocht.


3.4.

Op verzoek van appellant heeft vervolgens psychiater R.J. Teunisse (Teunisse) betrokkene persoonlijk onderzocht, inlichtingen ingewonnen bij diverse behandelaars en de huisarts, en op 10 november 2014 gerapporteerd en advies uitgebracht. De conclusie van dat advies luidt als volgt:

“ (…) Betrokkene is ernstig invalide ten gevolge van spasticiteit die beperkingen heeft veroorzaakt van zijn motoriek, spraak- en slikvermogen. In het verleden is gebleken dat betrokkene, op grond van een ernstige persoonlijkheidsstoornis op afwijzingen, het niet geaccepteerd worden door anderen, heeft gereageerd met forse stemmingsdalingen en ernstige suïcidepogingen. Betrokkene is er van overtuigd dat zijn lichamelijke handicap verantwoordelijk is voor deze afwijzingen en het is aannemelijk dat dit inderdaad een rol speelt. De neuro-feedback behandeling heeft hem in staat gesteld om zijn lichamelijke beperkingen, waar hij lange tijd machteloos tegenover stond, te verminderen. Dit heeft geleid tot een aanzienlijke verbetering op zowel het lichamelijke als het psychische vlak. Ik acht het waarschijnlijk dat het moeten stoppen met de behandeling, hetgeen ertoe zou leiden dat hij opnieuw machteloos staat tegenover de naar zijn overtuiging grootste bron van zijn problemen, zal leiden tot verlies van een aanvaardbaar toekomstperspectief en daarmee opnieuw tot ernstige depressieve klachten met een aanzienlijk suïciderisico. Los daarvan zijn er duidelijke aanwijzingen dat het stoppen van de behandeling inmiddels al heeft geleid tot een toename van de invaliderende lichamelijke symptomen. Alles in overweging nemende kom ik daarmee tot de conclusie dat er geen uitspraken met absolute zekerheid gedaan kunnen worden maar dat zeker aannemelijk is dat bij betrokkene inderdaad sprake is van een situatie van levensbedreigende aard of die blijvend ernstig letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben als hij niet meer gebruik zou kunnen maken van de neurofeedbackbehandelingen.” Appellant heeft dit rapport zonder commentaar of nadere standpuntbepaling aan de Raad gezonden. Van de zijde van betrokkene is hierop gereageerd bij brief van 13 januari 2015.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In dit geding is uitsluitend in geschil of in het geval van betrokkene sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB die nopen tot verlening van bijzondere bijstand in de kosten verbonden aan neurofeedbackbehandelingen.


4.2.

Artikel 16, eerste lid, van de WWB biedt de mogelijkheid om in afwijking van het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van de WWB aan personen die geen recht op bijstand hebben bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen noodzaken. Voor zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 27 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4808) is een acute noodsituatie aan de orde indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben.


4.3.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat betrokkene vanaf medio 2012 tot eind 2013 diverse neurofeedbackbehandelingen heeft ondergaan. Hij heeft deze behandelingen voor een klein deel (vijf behandelingen op jaarbasis) via een aanvullende verzekering vergoed gekregen door zijn ziektekostenverzekeraar. De rest van de kosten heeft hij deels voldaan uit verkregen giften bij door hemzelf gehouden collectes op horecaterrassen e.d., de opbrengst van een autobiografie en ontvangsten van een vriendenstichting. In januari 2014 zijn de behandelingen gestopt wegens gebrek aan financiële middelen, onder meer omdat het hem naar zijn zeggen door de gemeente verboden werd nog langer te collecteren. Na de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad zijn de behandelingen in december 2014 hervat met een frequentie van tweemaal per week, waarvan één op kosten van de bijzondere bijstand en één voor eigen rekening. Betrokkene heeft ter zitting van de Raad verklaard dat de eigen middelen waarmee hij één neurofeedbackbehandeling per week bekostigde, thans zijn uitgeput.


4.4.

Appellant heeft in hoger beroep in feite volstaan met de stelling dat geen sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Ter zitting van de Raad is daaraan nog toegevoegd dat de rapportage van psychiater Teunisse geen blijk geeft van een acute noodsituatie in de zin dat sprake is van uitzichtloosheid.


4.5.

De Raad stelt vast dat de door tussenkomst van appellant ingeschakelde deskundige Teunisse, blijkens zijn in 3.4 weergegeven conclusie, de conclusie van de hangende de rechtbankprocedure ingeschakelde deskundige Hofstad (zie hiervoor in 2.1) onderschrijft en bevestigt. Ook Teunisse acht het zeer waarschijnlijk dat het stopzetten van de neurofeedbackbehandelingen van betrokkene zal leiden tot verlies van een aanvaardbaar toekomstperspectief en daarmee opnieuw tot ernstige depressieve klachten met een aanzienlijk suïciderisico. De Raad ziet geen grond de conclusies van Hofstad en Teunisse niet te volgen. Niet gesteld of gebleken is dat het advies van Teunisse op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, feitelijke onjuistheden bevat of ondeugdelijk is gemotiveerd. Van de zijde van appellant is aan Teunisse ook niet om een nadere toelichting gevraagd. Evenmin zijn objectieve medische gegevens in het geding gebracht die twijfel omtrent de uitgebrachte medische adviezen zouden kunnen onderbouwen. De eigen visie van de gemachtigde(n) van appellant omtrent noodzaak of werkzaamheid van neurofeedback is in dat verband onvoldoende. Overigens kan er in dit verband niet aan worden voorbijgezien dat de behandeling destijds kennelijk mede is geïndiceerd door het Radboud Universitair Centrum Nijmegen en dat de ziektekostenverzekeraar de kosten deels heeft vergoed.


4.6.

Wat in 4.5 is overwogen brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt.

De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd, met dien verstande dat bij de uitvoering van de door de rechtbank gegeven opdracht tot het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar acht dient te worden geslagen op het volgende.


4.7.

Aanleiding bestaat te onderscheiden in twee periodes. De periode vanaf de datum van aanvraag (12 juli 2012) tot en met heden (de datum van deze uitspraak) (verder: periode 1) en de periode daarna (periode 2).


4.8.

Voor periode 1 dient als uitgangspunt te gelden dat betrokkene, gelet op de bijzondere omstandigheden van dit specifieke geval in beginsel recht heeft op bijzondere bijstand voor de directe kosten verbonden aan de neurofeedbackbehandeling. Voor de bepaling van de omvang van de te verlenen bijzondere bijstand acht de Raad het volgende van belang. De aanvraag van betrokkene is niet beperkt geweest tot een bepaalde periode of een aantal behandelingen, en ook appellant heeft de besluitvorming niet in tijd beperkt, terwijl tussentijdse nieuwe aanvragen van betrokkene weinig kansrijk zouden zijn geweest, zodat de aanspraak van betrokkene op bijzondere bijstand zich in beginsel uitstrekt tot de dag van de nieuwe beslissing op bezwaar. Het gaat daarbij om een lange periode en mogelijk een aanzienlijk bedrag. De vraag of de kosten van alle door betrokkene ondergane behandelingen, mede gelet op wat hierna onder 4.9 wordt overwogen, voor vergoeding in aanmerking zouden zijn gekomen valt door tijdsverloop niet meer exact vast te stellen. Dat moet deels voor rekening van appellant komen, nu die niet eerder dan in hoger beroep een medisch deskundige (instantie) heeft geraadpleegd. Voorts is van belang dat betrokkene in de periode tot januari 2014 nagenoeg geheel en vanaf december 2014 deels in de kosten, waarvoor bijstand werd gevraagd, heeft voorzien uit verkregen giften en op creatieve wijze verkregen inkomsten. Gelet op het complementaire karakter van de bijstand moet, ook achteraf, rekening gehouden worden met de draagkracht van betrokkene. Ook die is evenwel door tijdsverloop niet meer precies vast te stellen. Aannemelijk is wel dat appellant een deel van de kosten voor eigen rekening heeft genomen. Gelet op dit alles acht de Raad het aangewezen dat appellant 50% van de kosten van de aantoonbare neurofeedbackbehandelingen van betrokkene in periode 1 alsnog aan hem vergoedt door middel van bijzondere bijstandsverlening in deze kosten.


4.9.

Voor periode 2 geldt het volgende. Ter zitting is komen vast te staan dat betrokkene op dit moment twee behandelingen per week ondergaat. De Raad ziet, mede gelet op het verhandelde ter zitting, aanleiding dit ook voor periode 2 als uitgangspunt te nemen. Het staat appellant daarbij vrij aan de voortzetting van de bijzondere bijstand in deze kosten nadere verplichtingen te verbinden. Daarbij valt te denken aan bijvoorbeeld het opleggen van de voorwaarde dat appellant binnen vier weken met een concreet behandelingsplan van de behandelaar komt waarin tevens een (mogelijke) afbouw van de neurofeedbackbehandelingen is voorzien, dat de bijzondere bijstand pas wordt uitbetaald nadat de desbetreffende nota’s zijn overgelegd en dat terstond op basis van de aanvullende ziektekostenverzekering een nieuwe onderbouwde aanvraag om vergoeding van de kosten van neurofeedbackbehandelingen (inclusief een beroep op de zogenoemde coulanceregeling) wordt gedaan alsmede een verzoek om een schriftelijke beslissing op die aanvraag. Daarnaast is het aan appellant om bij wijze van periodiek heronderzoek de vinger aan de pols te houden en de noodzaak van (voortzetting van) de bijzondere bijstandsverlening - zo nodig na inschakeling van een medisch

deskundige - verder te (her)beoordelen.


4.10.

Voorts acht de Raad het aangewezen dat met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening wordt getroffen inhoudende, kort gezegd, dat de door de voorzieningenrechter getroffen voorlopige voorziening, zoals verwoord in 3.3, vanaf de dagtekening van deze uitspraak wordt voortgezet tot zes weken na de datum van de nieuwe beslissing op bezwaar, met dien verstande dat de bij wijze van voorschot te verlenen bijzondere bijstand wordt gebaseerd op twee neurofeedbackbehandelingen per week tot een maximumbedrag van € 95,- per behandeling.


4.11.

Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Raad verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.


5. Aanleiding bestaat appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden wegens verleende rechtsbijstand begroot op € 1.225,- (1 punt voor het verweerschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de zienswijze na verslag van de door appellant ingeschakelde deskundige).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat aan het dagelijks bestuur de

opdracht wordt gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van

met name 4.6 tot en met 4.9 van deze uitspraak;

- treft de voorlopige voorziening dat het dagelijks bestuur vanaf de dagtekening van deze

uitspraak voor de neurofeedbackbehandelingen van verzoeker bij wijze van voorschot

bijzondere bijstand verleent, na declaratie van de gemaakte kosten op basis van twee

behandelingen per week en tot een bedrag van maximaal € 95,- per behandeling, en bepaalt

dat deze voorlopige voorziening vervalt zes weken na de nieuwe beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat tegen het te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een

bedrag van € 1.225,-;

- bepaalt dat van het dagelijks bestuur een griffierecht wordt geheven van € 493,-.



Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en

W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2015.




(getekend) R.H.M. Roelofs




(getekend) C.M.A.V. van Kleef



HD