Centrale Raad van Beroep, 18-02-2015 / 13-592 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:679

Inhoudsindicatie
Geen recht op WIA-uitkering omdat appellant met zijn beperkingen agv rechtervoetklachten in staat is passende arbeid te verrichten en zijn mate van arbeidsongeschiktheid daardoor is berekend op minder dan 35%. Medisch onderzoek is zorgvuldig en diepgaand geweest. Dat de pijnklachten aanleiding geven voor een urenbeperking is ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt met medische stukken. De brief van een orthopedisch chirurg biedt daarvoor ook geen aanknopingspunten, omdat zijn conclusie is gebaseerd op recent lichamelijk onderzoek. De brief ziet daarmee niet specifiek op de datum in geding 7 maart 2011.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-18
Publicatiedatum
2015-03-11
Zaaknummer
13-592 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/592 WIA

Datum uitspraak: 18 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

10 december 2012, 12/1956 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A.W. Terpstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Terpstra. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.A. Put.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is werkzaam geweest als algemeen medewerker bij [naam werkgever]. Op

9 maart 2009 heeft appellant zich arbeidsongeschikt gemeld voor dit werk wegens fysieke klachten na een ongeval op 14 september 2008, waarbij hij letsel had opgelopen aan zijn rechtervoet. Na afloop van de wettelijke wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Op 8 juni 2011 is appellant onderzocht door een verzekeringsarts die in zijn rapport van dezelfde datum tot de conclusie is gekomen dat appellant als gevolg van rechtervoetklachten beperkingen heeft. Deze beperkingen heeft hij weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

8 juni 2011. Vervolgens is een arbeidsdeskundige in zijn rapport van 18 augustus 2011 tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk van algemeen medewerker maar nog wel fulltime werkzaamheden kan verrichten in een vijftal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 35%. Het Uwv heeft bij besluit van 19 augustus 2011 vastgesteld dat appellant met ingang van 7 maart 2011 geen recht heeft op een WIA-uitkering.


1.2.

Het Uwv heeft het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 26 april 2012 (bestreden besluit).


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat het medisch onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig en diepgaand is geweest en dat de conclusies op overtuigende wijze zijn onderbouwd. De voetklachten zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitgebreid bij de beoordeling van zijn gezondheidstoestand betrokken. Rekening houdend met de informatie uit de behandelend sector, zijn daarin gemotiveerd de beperkingen voortvloeiend uit de klachten opgenomen. Nu de gedingstukken, waaronder de van de behandelend sector afkomstige informatie, geen aanknopingspunten bevatten voor het oordeel dat het energieverlies van appellant dermate groot is dat niet volstaan kon worden met het opnemen van voetsparende beperkingen in de FML, heeft de rechtbank geen ruimte gevonden voor de conclusie dat er een urenbeperking moet worden aangenomen. Gezien de toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een bijlage bij zijn rapport van 25 april 2012 en de toelichting in het verweerschrift, acht de rechtbank de functies van soldering technician, telefonist en machinebediende medisch passend voor appellant en wordt de belastbaarheid volgens de FML niet overschreden.


3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat en benadrukt hij dat hij veel pijn heeft en daardoor niet in staat is langer te werken dan drie tot vier uren per dag. Voorts heeft appellant een brief overgelegd van 6 januari 2015 van een door hem geraadpleegde orthopedisch chirurg, die appellant op in die brief genoemde items van de FML beperkt acht. Appellant heeft verder zijn standpunt herhaald dat hij zich niet geschikt acht voor de functies van soldering technician, telefonist en machinebediende. Verweerder heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat sprake is geweest van een zorgvuldig en diepgaand onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Zo heeft hij kennis genomen van de door appellant in de bezwaarprocedure overgelegde medische informatie van de behandelend sector. Verder zijn de door de behandeld sector beantwoorde vragen betrokken bij de beoordeling van het bezwaarschrift. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de beschikbare medische informatie geen aanknopingspunten bevat voor het oordeel dat het energieverlies van appellant dermate groot is, dat niet volstaan kon worden met het opnemen van voetsparende beperkingen in de FML, zoals de verzekeringsartsen hebben gedaan. Dat appellant als gevolg van zijn pijnklachten beperkt is in het aantal uren dat hij werkzaamheden kan verrichten, is ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt met stukken afkomstig van een medicus. De in hoger beroep overgelegde brief van 6 januari 2015 van een door appellant geraadpleegde orthopedisch chirurg biedt daartoe evenmin aanknopingspunten. Zijn conclusie is immers gebaseerd op recent lichamelijk onderzoek en een nieuwe zogenoemde CT en luidt dat appellant “op dit moment” een aantal beperkingen heeft. Die brief ziet daarmee niet specifiek op 7 maart 2011, zijnde de datum waarop de medische beoordeling van het Uwv betrekking heeft, en kan dan ook niet leiden tot twijfel aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit.


4.2.

Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen wordt ook het oordeel van de rechtbank dat appellant in staat moet worden geacht de voorgehouden functies te verrichten onderschreven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft ook duidelijk uiteengezet dat de functie soldering technician (SBC-code 111180 met functienummer 3693.3333.001) zo nodig zittend kan worden uitgevoerd en dat afgewisseld kan worden met staan en lopen. Verder is in zijn rapport van 25 april 2012 vermeld dat knielen en hurken in de functie van telefonist hooguit één keer per dag voorkomt en in de functie van machinebediende niet dagelijks maar slechts incidenteel. Daarmee is overtuigend gemotiveerd dat de functies passend zijn voor appellant.


5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.














BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2015.




(getekend) M. Greebe




(getekend) V. van Rij





NK