Centrale Raad van Beroep, 04-03-2015 / 14-2058 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:685

Inhoudsindicatie
Appellante ontving sinds 15 mei 2000 een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. In 2013 is geconcludeerd dat werkzaamheden zijn verricht en daarvan geen melding is gedaan van inkomsten daaruit. Het Uwv heeft de WAO-uitkering herzien en de ten onrechte betaalde uitkering teruggevorderd. Appellante heeft het verrichten van werkzaamheden niet betrwist. Verwijzing door de Raad naar een uitspraak waarin werkzaamheden verricht in het bedrijf van haar echtgenoot, met wie zij een gezin vormde, een (begin van) bewijs is dat ook zijzelf baat heeft getrokken uit door haar verrichte werkzaamheden. In het kader van artikel 44 WAO wordt dit oordeel niet anders door de arbeidsongeschiktheid van appellante en ook het eventueel niet vrijwillig verricht hebben van de werkzaamheden. Geen sprake van dringende redenen die in de weg staan aan terugvordering, niet gebleken van onaanvaardbare consequenties voor appellante. De vermogens- en inkomenspositie van appellante zal moeten worden betrokken bij de vaststelling van de aflossingscapaciteit in het kader van de invordering.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-04
Publicatiedatum
2015-03-13
Zaaknummer
14-2058 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2058 WAO

Datum uitspraak: 4 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 3 maart 2014, 13/5738 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.P.A. van Beers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Beers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante ontving met ingang van 15 mei 2000 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.


1.2.

In een rapport Werknemersfraude van 22 april 2013 heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante in de periode van 1 januari 2007 tot en met 3 juni 2012 werkzaamheden heeft verricht bij [BV] en zij geen melding heeft gedaan van inkomsten daaruit.


1.3.

Bij een drietal besluiten van 13 mei 2013 heeft het Uwv:- bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vanwege inkomsten uit arbeid in de periode van 1 januari 2007 tot 4 juni 2012 eigenlijk minder is dan 15% en dat zij daarom geen recht heeft op uitbetaling van haar WAO-uitkering;

- de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 1 januari 2012 vastgesteld op minder dan 15% en haar WAO-uitkering met ingang van die datum ingetrokken;

- vastgesteld dat appellante over de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 april 2013 een bedrag van € 107.937,57 heeft ontvangen aan WAO-uitkering zonder dat zij daar recht op had en dit bedrag als onverschuldigd betaald van haar teruggevorderd.


1.4.

Het tegen deze besluiten door appellante gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 2 september 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank als volgt overwogen.


2.1.

Appellante heeft niet weersproken dat zij in de periode van 1 januari 2007 tot 4 juni 2012 arbeid heeft verricht. Het Uwv heeft op goede gronden aangenomen dat appellante niet onder zodanige dwang werkzaamheden heeft verricht, dat niet kan worden gezegd dat zij inkomsten uit arbeid heeft genoten in genoemde periode. Tegen de met toepassing van artikel 44 van de WAO berekende mate van arbeidsongeschiktheid heeft appellante geen gronden aangevoerd. Het Uwv heeft terecht besloten de WAO-uitkering van appellante over genoemde periode niet uit te betalen.


2.2.

Hieruit volgt dat het Uwv terecht heeft kunnen besluiten om de WAO-uitkering van appellante met ingang van 1 januari 2012, vijf jaren na aanvang van de door appellante verrichte arbeid, in te trekken.


2.3.

Tegen de berekening van het terug te vorderen bedrag van € 107.937,57 zijn geen gronden gericht, zodat van de juistheid van dit bedrag wordt uitgegaan. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien, is de rechtbank niet gebleken.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat de door haar verrichte werkzaamheden geen arbeid in de zin van de WAO zijn, omdat er nooit sprake is geweest van vrijwillige werkzaamheden. Zij heeft slechts onder dwang gehandeld en zij heeft er niets voor betaald gekregen. Onder verwijzing naar verschillende verklaringen van de GGZ heeft appellante betoogd dat zij steeds volledig arbeidsongeschikt is geweest. Voorts zijn er volgens appellante dringende redenen om van terugvordering af te zien, omdat een definitieve terugvordering van het Uwv zal leiden tot tussentijdse beëindiging van de WSNP-regeling van appellante. Zij zal nooit in staat zijn genoemd bedrag aan het Uwv terug te betalen. Zij heeft ook nog de zorg over haar dochtertje.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar onderdeel 3 van de aangevallen uitspraak en het daar aangehaalde artikel 44, eerste lid, onder a, van de WAO. Op grond van dit artikellid wordt, indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomen geniet doordat hij arbeid is gaan verrichten, die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar niet aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering niet uitbetaald indien het inkomen zodanig is, dat als die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%.


4.2.1.

Appellante heeft niet betwist dat zij in de periode van 1 januari 2007 tot 4 juni 2012 werkzaamheden heeft verricht.


4.2.2.

Op grond van vaste rechtspraak vormt de omstandigheid, dat appellante werkzaamheden heeft verricht in het bedrijf van haar echtgenoot, met wie zij een gezin vormde, een (begin van) bewijs dat ook zijzelf baat heeft getrokken uit door haar verrichte werkzaamheden (ECLI:NL:CRVB:2008:BD3806). Op grond van de gedingstukken wordt vastgesteld dat appellante uit de door haar verrichte werkzaamheden inkomsten heeft genoten. Zo heeft appellante tegen opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD verklaard, dat er gemiddeld € 15.000,- per week van de zakelijke rekening werd opgenomen voor zakelijke en privédoeleinden. Per week werd € 500,- gebruikt voor boodschappen en dergelijke en € 100,- werd uitgegeven aan haar dochtertje.


4.2.3.

Uit het voorgaande volgt dat appellante inkomen heeft genoten doordat zij arbeid heeft verricht, zoals bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder a, van de WAO. Dat appellante volledig arbeidsongeschikt zou zijn, maakt dit oordeel niet anders. Bij de toepassing van artikel 44 van de WAO is immers niet de vraag aan de orde of appellante werkzaamheden heeft verricht waartoe zij met haar krachten en bekwaamheden in staat is, maar of de inkomsten uit die werkzaamheden leiden tot het niet uitbetalen of korten van de WAO-uitkering (ECLI:NL:CRVB:2008:BG2005). De omstandigheid, dat appellante deze arbeid niet vrijwillig zou hebben verricht, is niet relevant voor de toepassing van artikel 44 van de WAO. Het begrip “arbeid” in dit artikel is niet gekwalificeerd (vgl. ECLI:NL:CRVB:2003:AO5312). De aard van de werkzaamheden noch de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, doet af aan de omstandigheid dat uit deze werkzaamheden inkomsten zijn genoten.


4.3.

Ook in hoger beroep zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dringende redenen in de weg staan aan terugvordering. Niet gebleken is dat de terugvordering tot onaanvaardbare consequenties voor appellante zal leiden. De vermogens- en inkomenspositie van appellante zal door het Uwv moeten worden betrokken bij de vaststelling van de aflossingscapaciteit in het kader van de invordering. Dat de terugvordering door het Uwv zou leiden tot tussentijdse beëindiging van de WSNP-regeling, komt voor rekening en risico van appellante. Het door appellante ingebrachte Pro Justitia rapport van 23 september 2014 zegt niets over de consequenties van de terugvordering voor appellante, maar betreft de vraag of de haar in een strafzaak ten laste gelegde feiten haar konden worden toegerekend. Ook het door appelante ingebrachte medische advies van de GGD West-Brabant gaat niet over genoemde consequenties, maar over de vraag in hoeverre appellante geschikt is voor het verrichten van arbeid.


4.4.

Nu tegen de met toepassing van artikel 44 van de WAO berekende mate van arbeidsongeschiktheid verder geen gronden zijn aangevoerd, volgt uit 4.2.1 tot en met 4.3 dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en C.C.W. Lange en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2015.



(getekend) H.G. Rottier




(getekend) H.J. Dekker




NK