Centrale Raad van Beroep, 10-03-2015 / 14-565 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:690

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-10
Publicatiedatum
2015-03-17
Zaaknummer
14-565 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/565 WWB

Datum uitspraak: 10 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 16 december 2013, 13/1659 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Mercanoğlu, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en stukken overgelegd.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 27 januari 2015. Namens appellante is

mr. Mercanoğlu verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

T. Nieuwland.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante ontving vanaf 6 december 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), aanvankelijk naar de norm voor een alleenstaande ouder en vanaf 29 augustus 2010 naar de norm voor een alleenstaande.


1.2.

Naar aanleiding van een melding dat appellante partneralimentatie ontvangt en in 2009 een huis in [plaatsnaam] (Turkije) heeft gekocht, heeft de afdeling Publieksdiensten en Sociale Zaken van de gemeente Hengelo een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat verband heeft de afdeling Handhaving en bijzondere regelingen (sociale recherche) dossieronderzoek verricht en voorts onder meer advocatenkantoor Gürdal Law Office (GLO) te Ankara (Turkije) verzocht om informatie met betrekking tot een mogelijk recht op alimentatie en bezit van onroerend goed van appellante in Turkije. De bevindingen van dat onderzoek heeft GLO neergelegd in een onderzoeksrapport van 26 februari 2012. Hieruit komt naar voren dat op 23 februari 2012 geen onroerende zaken op naam van appellante waren geregistreerd. Voorts heeft GLO zijn bevindingen neergelegd in een onderzoeksrapport van 1 april 2012 met bijlage. Hieruit komt naar voren dat appellante van echt is gescheiden, dat zij volgens het echtscheidingsvonnis geen partneralimentatie ontvangt, maar dat bij de echtscheiding - voor zover hier van belang - is overeengekomen dat appellante eenmalig 4.000 Turkse lira (TL) als materiële en 4.000 TL als immateriële schadeloosstelling van haar voormalig echtgenoot zou ontvangen. Naar aanleiding van die rapporten heeft de sociale recherche op 5 juni 2012 appellante gehoord. In het gesprek heeft appellante onder andere meegedeeld dat zij een woning in Turkije bezit. De sociale recherche heeft appellante verzocht om diverse gegevens over te leggen, waaronder bankafschriften, informatie over jaarlijkse vakanties van appellante in Turkije en gegevens met betrekking tot de woning. Appellante heeft hieraan gehoor gegeven en daarbij onder meer een schriftelijke toelichting op haar financiële situatie overgelegd, opgesteld door haar oudste dochter Mehtap Arslan (dochter), en een op haar verzoek op 26 juni 2012 opgesteld taxatierapport met betrekking tot de bedoelde woning, welke is gelegen aan het adres [adres a] [plaatsnaam] (Turkije) en die op naam van appellante was geregistreerd. Uit de verstrekte gegevens kwam naar voren dat de woning op

6 februari 2012 was verkocht. De sociale recherche heeft gegevens bij appellante opgevraagd met betrekking tot de aanwending van de opbrengst van de verkoop van de woning. Tevens heeft GLO op verzoek van de sociale recherche op 11 oktober 2012 de waarde van de woning laten vaststellen. Het resultaat is vastgelegd in een Expertiseverslag. Naar aanleiding van de bevindingen heeft de sociale recherche op 16 oktober 2012 appellante en de dochter verhoord. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een rapport van 26 november 2012.


1.3.

De resultaten van het onderzoek waren voor het college aanleiding om bij besluit van

14 november 2012 de bijstand van appellante te beëindigen (lees: in te trekken) met ingang van 1 juni 2012. Tevens zag het college daarin aanleiding om bij besluit van 18 december 2012 - voor zover van belang - de bijstand in te trekken over de periode van 6 december 2008 tot en met 31 mei 2012 en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 43.357,17 van appellante terug te vorderen.


1.4.

Het college heeft bij besluit van 25 juni 2013 (bestreden besluit) - voor zover van

belang - de bezwaren van appellante tegen beide besluiten ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor aan haar ten onrechte bijstand is verleend. Ten aanzien van de periode van 7 september 2009 (lees: 7 augustus 2009) tot en met 6 februari 2012 had appellante geen recht op bijstand vanwege een overschrijding van de toepasselijke vermogensgrens en over de perioden van 6 december 2008 tot en met 6 september 2009 (lees: 6 augustus 2009) en 7 februari 2012 tot en met 14 november 2012 was het recht op bijstand niet vast te stellen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover in dit geding van belang - het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De te beoordelen periode loopt van 6 december 2008, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 14 november 2012, de datum van het intrekkingsbesluit. Deze periode is te onderscheiden in drie, hierna te markeren, perioden.


4.2.

Niet in geschil is dat appellante bij aanvang van de bijstand in het bezit was van een bedrag van omgerekend € 10.000,-, dat zij van haar voormalig echtgenoot had ontvangen als afkoopsom van alimentatie. Tevens is niet in geschil dat vanaf 7 augustus 2009 de onder 1.2 bedoelde woning op naam van appellante was geregistreerd. Daarnaast staat vast dat appellante gedurende de te beoordelen periode diverse malen voor vakantie in Turkije heeft verbleven. Appellante heeft hiervan bij het college geen melding gemaakt. Het gaat hier onmiskenbaar om gegevens waarvan het een bijstandgerechtigde redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van belang kunnen zijn voor het recht op bijstand. Appellante had deze gegevens dan ook bij aanvang van de bijstand, respectievelijk direct en uit eigen beweging, moeten melden. Zij heeft dit nagelaten, zodat zij de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden.


Eerste periode: van 6 december 2008 tot en met 6 augustus 2009


4.3.

Appellante betwist niet langer dat het college bevoegd was om de bijstand in te trekken die haar ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting over de periode van

6 december 2008 tot en met 6 augustus 2009 ten onrechte was verleend.


Tweede periode: van 7 augustus 2009 tot en met 6 februari 2012


4.4.

Niet langer is in geschil dat appellante in de periode van 7 augustus 2009 tot en met

6 februari 2012 de onder 1.2 bedoelde woning in eigendom had en dat zij daarover kon beschikken. Partijen verschillen van mening over de waarde van de woning in deze periode. Het college gaat op basis van de in opdracht van GLO opgemaakte waardebepaling uit van een waarde van circa € 50.000,- en appellante meent op basis van de op haar verzoek verrichte taxatie dat de waarde € 25.000,- was. Beide bedragen liggen boven de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen. Appellante heeft haar standpunt dat zij geen aanspraak kon maken op de gehele waarde niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellante over deze periode geen recht op bijstand had.


4.5.

Nu het college ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte aan appellante bijstand over de onderhavige periode heeft verleend, was hij bevoegd om de bijstand over deze periode in te trekken.


Derde periode: van 7 februari 2012 tot en met 14 november 2012


4.6.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Daarin is appellante niet geslaagd.


4.7.

Vaststaat dat appellante na de verkoop van de woning, op 6 december 2012, beschikte over de verkoopopbrengst in de vorm van, zoals zij zelf heeft gesteld, contant geld. Appellante heeft het college, zoals volgt uit wat onder 4.2 is overwogen, niet direct geïnformeerd over de omvang van het betreffende bedrag. De achteraf door appellante ingenomen stelling dat de verkoopopbrengst niet meer was dan omgerekend € 10.000,- is niet onderbouwd en overigens ook niet aannemelijk, gelet op de door haar zelf gestelde waarde van de woning in de direct aan de verkoop voorafgaande periode. De omstandigheid dat, zoals appellante heeft gesteld, ten gevolge van Turkse gebruiken geen bewijs voor de verkoopopbrengst is te leveren komt voor haar risico. Haar stelling dat zij een deel van de opbrengst moest afdragen aan familie is met geen enkel gegeven onderbouwd. Het college stelt voorop dat voldoende zekerheid over de omvang van de verkoopopbrengst ontbreekt. Voorts meent het college dat, gelet op de verkoopprijs van 78.000 TL die is vermeld op de akte van eigendom van 6 februari 2012, ten minste moet worden uitgegaan van een opbrengst van circa € 33.000,-. Over het bedrag van de verkoopopbrengst waarover appellante vanaf

7 december 2012 kon beschikken verschillen partijen dus van mening. Over de hoogte van dat bedrag bieden de beschikbare gegevens geen duidelijkheid. Het had, gelet op wat onder 4.6 is overwogen, op de weg van appellante gelegen om die te verstrekken, wat zij tot op heden heeft nagelaten. Appellante heeft voorts nagelaten om met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd mee te delen op welke wijze zij de verkoopopbrengst heeft besteed. Evenmin heeft appellante, in het licht van het vastgestelde geringe aantal digitale geldtransacties, een afdoende verklaring gegeven voor de wijze waarop zij haar vakanties in Turkije heeft bekostigd en waarop zij vanaf 7 februari 2012 heeft voorzien in de kosten van levensonderhoud. De enkele stelling dat haar kinderen haar hielpen volstaat hiertoe niet.


4.8.

Onder deze omstandigheden heeft het college terecht gemeend dat de financiële positie van appellante in de onderhavige periode zodanig ondoorzichtig was, dat niet kon worden vastgesteld dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Dit betekent dat het recht op bijstand vanaf 7 februari 2012 niet langer kon worden vastgesteld en het college bevoegd was om de bijstand ook over deze periode in te trekken.


4.9.

Gelet op 4.2 tot en met 4.8 behoeft geen bespreking wat appellante heeft aangevoerd over de wijze waarop de door haar afgelegde verklaringen bij de besluitvorming zijn betrokken en over de aard en de omstandigheden van het door GLO uitgevoerde onderzoek.


Terugvordering


4.10.

Appellante heeft tegen de terugvordering aangevoerd dat - zo begrijpt de Raad - de hoogte van het teruggevorderde bedrag niet evenredig is met de omvang van het door haar verzwegen vermogen. Het bedrag van de terugvordering, voor zover dat ziet op de eerste periode, is echter niet onevenredig hoog ten opzichte van het bedrag van de verzwegen afkoopsom ter zake van alimentatie. Het bedrag van de terugvordering, voor zover dat ziet op de tweede periode, is niet onevenredig hoog ten opzichte van de waarde van de woning, zelfs niet wanneer wordt uitgegaan van de door appellante gestelde waarde van € 25.000,-. Het bedrag van de terugvordering, voor zover dat ziet op de derde periode, is niet te vergelijken met de omvang van het verzwegen vermogen. Nu onduidelijkheid is blijven bestaan over de financiële positie van appellante in die periode is de door haar bedoelde onevenredigheid niet vast te stellen.


4.11.

Uit 4.1 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en F. Hoogendijk en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) O.P.L. Hovens




HD