Centrale Raad van Beroep, 10-03-2015 / 13-3526 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:703

Inhoudsindicatie
Geen procesbelang.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-10
Publicatiedatum
2015-03-17
Zaaknummer
13-3526 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3526 WWB

Datum uitspraak: 10 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

12 juni 2013, 13/180 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Op 28 augustus 2012 heeft appellant zich gemeld bij het werklozenloket van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Sittard-Geleen voor het indienen van een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij brief van 30 augustus 2012 heeft het college appellant uitgenodigd voor een startgesprek op 10 september 2012 om het recht op bijstand te beoordelen. Appellant is daarbij verzocht de aanvraagformulieren, helemaal ingevuld, ondertekend en samen met alle gevraagde bewijsstukken, mee te nemen naar het gesprek. Appellant is op het startgesprek verschenen. In het GWS4all-systeem van het college is met betrekking tot dit startgesprek het volgende geregistreerd: “Startgespr, geen aanvr klant ziet af” en “md 28-08-2012, startgesprek 10-08-2012 om 13.00. geen aanvraag. Vermogen van bijna 10.000 euro verdeeld over 3 bankrekeningen. Gaat interen en neemt contact op”. Voorts is op de uitnodigingsbrief van 30 augustus 2012 de handgeschreven aantekening geplaatst: “Teveel vermogen € 4100,00 Grens € 5685,00 1-12-2012”.


1.2.

Appellant heeft op 13 september 2012 bezwaar gemaakt tegen de in 1.1 vermelde aantekening op de uitnodigingsbrief. Appellant stelt dat hij uit deze aantekening opmaakt dat de aanvraag om bijstand die hij heeft ingediend mogelijk wordt afgewezen. Appellant zou zich immers rond december 2012 opnieuw moeten melden. Hij begrijpt daaruit dat hij dan aan de hand van een vaststelling van zijn vermogen en de zogenaamde interingsnorm, in aanmerking komt voor een uitkering.


1.3.

Bij besluit van 18 december 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de aantekening op de brief van 30 augustus 2012 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangezien met de notitie geen beslissing wordt genomen op een aanvraag om bijstand en de notitie slechts een mededeling van informatieve aard inhoudt. Daarbij is meegedeeld dat met toepassing van artikel 2, derde lid, van de Verordening commissie bezwaarschriften gemeente Sittard-Geleen 2012 (verordening) het kennelijk niet-ontvankelijke bezwaarschrift niet ter advisering is voorgelegd aan de commissie voor bezwaarschriften en dat van het horen is afgezien.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat de notitie op de brief van 30 augustus 2012 niet op rechtsgevolg is gericht maar slechts een mededeling van informatieve aard is over de geldende vermogensgrens en over een vermogensoverschot van € 4.100,- en geen sprake is van een besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat de beslissing over het afzien van het horen is gemandateerd aan de secretaris van de commissie bezwaarschriften, dat het bezwaar van appellant zonder twijfel kennelijk niet-ontvankelijk is en dat het bezwaarschrift daarom op grond van de verordening terecht niet voor advies aan de commissie is voorgelegd.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant blijft van mening dat de desbetreffende brief een besluit is als reactie op zijn verzoek om een WWB-uitkering. Dit blijkt uit het feit dat verwezen wordt naar de specifieke vermogenssituatie van appellant. De beslissing van de secretaris van de commissie tot het achterwege laten van een hoorzitting acht appellant voorts in strijd met de Awb.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De Raad ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of appellant voldoende procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep. In vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 23 juli 2013, ECLI:NL:CRVB: 2013:1119) is neergelegd dat eerst sprake is van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.


4.2.

De Raad stelt op grond van de uitspraak van de Raad van 10 december 2014, 13/4116 ZW vast dat appellant met ingang van 7 maart 2012 in aanmerking is gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).


4.3.

Gevraagd naar zijn procesbelang, heeft appellant bij brief van 30 december 2014 meegedeeld dat het bestreden besluit dateert van 18 december 2012, de aangevallen uitspraak van 12 juni 2013 en het (aanvullend) hoger beroep van 1 augustus 2013. Pas daarna, met de beslissing van het UWV van 27 september 2013 om over de gehele hier relevante periode een WIA-uitkering te verstrekken, werd de inkomenspositie van appellant veiliggesteld. Appellant heeft echter zelf alles moeten doen om zijn inkomenspositie veilig te stellen en het is volgens hem dan ook redelijk dat de kosten die hij daartoe heeft moeten maken totdat het UWV met een uitkering over de brug kwam, vergoed krijgt. Los hiervan merkt appellant op dat er geen duidelijkheid is over de verrekening tussen de gemeente en het UWV en hij er belang bij heeft te weten hoe deze verrekening heeft plaatsgevonden in verband met de hoogte van de nabetaling waarover dan nog rente is verschuldigd.


4.4.

Bij de in 4.2 en 4.3 vermelde stand van zaken kan appellant met het onderhavige beroep geen resultaat meer bereiken dat feitelijk voor hem nog van betekenis is. In dit verband kan de door appellant gestelde kwestie van de verrekening tussen de gemeente en het UWV geen procesbelang opleveren omdat deze kwestie geheel buiten de omvang van dit geding valt.


4.5.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9279), kan geen belang worden ontleend aan de door appellant gewenste proceskostenveroordeling, nu van de in artikel 8:75 van de Awb neergelegde bevoegdheid door de rechter ook gebruik kan worden gemaakt indien het beroep niet inhoudelijk is behandeld.

Wat de bezwaarfase betreft, stelt de Raad vast dat appellant niet heeft verzocht om vergoeding van de kosten in de bezwaarfase.


4.6.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 23 mei 2012, ECLI: NL:CRVB: 2012:BW6811) kan evenmin een procesbelang worden ontleend aan de door appellant verzochte vergoeding van het griffierecht.


4.7.

Uit 4.4 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.



Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2015.




(getekend) C. van Viegen




(getekend) M. Zwart




HD