Centrale Raad van Beroep, 10-03-2015 / 13-6954 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:729

Inhoudsindicatie
Marktplaats- en pokeractiviteiten. Intrekking bijstand. Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag. Afwijzing nieuwe bijstandsaanvraag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-10
Publicatiedatum
2015-03-18
Zaaknummer
13-6954 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6954 WWB, 13/6955 WWB, 13/6956 WWB

Datum uitspraak: 10 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 november 2013, 13/3495, 13/3491 en 13/4534 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.H. Matthijssen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Matthijssen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W. Rombouts. Tevens is verschenen B.M. Hoffman, de vader van appellant.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant ontving sinds 5 oktober 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.


1.2.

Nadat bij een heronderzoek op 23 augustus 2012 was gebleken dat appellant goederen kocht en te koop aanbood via de website marktplaats.nl (marktplaats) en zich tevens bezig hield met online pokeren, heeft het team Handhaving Sociale Zekerheid van de gemeente Oisterwijk (team Handhaving) een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan, informatie bij marktplaats opgevraagd, heeft op 23 oktober 2012 een gesprek met appellant plaatsgevonden en zijn de bankafschriften van appellant met betrekking tot de periode van

7 oktober 2009 tot en met 24 oktober 2012 geanalyseerd. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat appellant in de periode dat hij bijstand ontving 1862 keer heeft geadverteerd op marktplaats, dat op zijn bankrekening in totaal € 7.413,16 is bijgeschreven in verband met de verkoop van artikelen op marktplaats, dat tot een bedrag van € 11.733,25 is bijgeschreven aan kasstortingen door [naam] en dat een bedrag van in totaal € 15.925,35 is bijgeschreven aan pokeruitbetalingen. Verder is vastgesteld dat appellant op 18 december 2012 nog actief was op marktplaats met 216 openstaande advertenties. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport uitkeringsfraude van 18 december 2012.


1.3.

Naar aanleiding van de in 1.2 vermelde onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 10 januari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 mei 2013 (bestreden

besluit 1) de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, derde lid aanhef en onder a, van de WWB met ingang van 5 oktober 2009 ingetrokken op de grond dat appellant inkomsten heeft gehad, verband houdende met de in- en verkoop van goederen via marktplaats, gokken en kasstortingen, die hij had moeten melden. De door appellant aangereikte gegevens zijn onvoldoende verifieerbaar om te kunnen dienen als basis voor de vaststelling of hij vanaf

5 oktober 2009 steeds recht op bijstand heeft gehad.


1.4.

Appellant heeft op 5 oktober 2012 een aanvraag ingediend voor een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de WWB. Voorts heeft hij op 18 januari 2013 bijzondere bijstand aangevraagd voor de eigen bijdrage van advocaatkosten (advocaatkosten) ter hoogte van € 77,-.


1.5.

Bij besluit van 21 januari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 mei 2013 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag voor een langdurigheidstoeslag afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet voldaan heeft aan de aan het recht op bijstand verbonden verplichtingen zodat hij op grond van de Verordening langdurigheidstoeslag van de gemeente Oisterwijk (Verordening) geen recht heeft op een langdurigheidstoeslag.


1.6.

Bij besluit van 7 februari 2013 heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor advocaatkosten afgewezen.


1.7.

Appellant heeft op 17 juni 2013 beroep ingesteld tegen bestreden besluit 2 en de in 1.6 vermelde afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand. Het college heeft bij besluit van 10 juli 2013 het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand ongegrond verklaard.


1.8.

Appellant heeft op 16 januari 2013 opnieuw bijstand voor de kosten van levensonderhoud aangevraagd. Bij besluit van 7 februari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 juli 2013 (bestreden besluit 3) heeft het college deze aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant na de in 1.3 vermelde intrekking wederom onvoldoende inzicht heeft verschaft in zijn inkomsten waardoor zijn recht op bijstand niet is vast te stellen. Appellant verrichtte op het moment van de aanvraag immers nog activiteiten op marktplaats en de overgelegde gegevens zijn onvoldoende verifieerbaar om de inkomsten uit zijn marktplaatsactiviteiten met voldoende zekerheid te kunnen bepalen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de handhaving van de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellant prematuur beroep had ingesteld terwijl geen aanleiding bestond om te veronderstellen dat al een besluit was genomen, en het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft verder het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit 2 wegens strijd met de wet geen stand kan houden, maar dat appellant op grond van artikel 2, eerste lid, van de Verordening niet in aanmerking komt voor de langdurigheidstoeslag omdat zijn recht op bijstand over de relevante periode niet kon worden vastgesteld. De rechtbank heeft tot slot het beroep tegen het bestreden besluit 3 ongegrond verklaard op de grond dat appellant er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat er in de periode van 16 januari 2013 tot en met

7 februari 2013 sprake was van een wijziging in zijn omstandigheden ten opzichte van de situatie bij de intrekking van de bijstand en de door appellant overgelegde gegevens onvoldoende verifieerbaar zijn om de inkomsten te kunnen bepalen.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen de afwijzing van de bijzondere bijstand niet-ontvankelijk is verklaard, de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 2 in stand zijn gelaten en de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 3 ongegrond zijn verklaard.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Intrekking


4.1.

De hier te beoordelen periode ten aanzien van de intrekking van de bijstand loopt van

5 oktober 2009 tot en met 10 januari 2013 (te beoordelen periode).


4.2.

Vaststaat dat appellant in de te beoordelen periode 1862 keer heeft geadverteerd op marktplaats en goederen heeft verkocht via marktplaats. De verkochte goederen werden merendeels door de kopers betaald via de bankrekening van appellant en ook via contante betaling. Verder staat vast dat appellant vanaf 9 oktober 2009 ook actief was op

poker-websites, waarbij gespeeld kon worden voor geld. Betaling van de inleg en uitbetaling van gewonnen bedragen vond plaats via de bankrekening van appellant. Appellant heeft ter zitting van de Raad meegedeeld dat hij ten tijde hier van belang behalve op poker-websites ook heeft gespeeld in Holland Casino en in Jack’s Casino (casino’s). Tot slot is niet in geschil dat op de bankrekening van appellant in de te beoordelen periode regelmatig kasstortingen zijn gedaan, variërend van € 10,- tot € 823,25, tot een totaalbedrag van

€ 11.733,25.


4.3.

Appellant heeft van de in 4.2 vermelde opbrengsten van zijn marktplaats- en pokeractiviteiten (opbrengsten) en van de kasstortingen geen melding gemaakt aan het college. Hij heeft aangevoerd dat hij desalniettemin de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. In dat verband heeft appellant erop gewezen dat de via marktplaats verkochte goederen van geringe waarde waren en dat de verkoop deels ten behoeve van zijn vader plaatsvond en dat hij veel meer geld met pokeren heeft ingelegd dan dat hij heeft gewonnen. Appellant kan niet worden tegengeworpen dat hij de opbrengsten redelijkerwijs had moeten melden omdat hij zich die meldplicht niet heeft gerealiseerd.


4.3.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het aantal advertenties op marktplaats en het aantal verkopen via marktplaats in de te beoordelen periode maakt dat niet geoordeeld kan worden dat sprake is geweest van incidentele verkoop van privégoederen die in beginsel niet gemeld hoeft te worden. Gelet op de aantallen is sprake geweest van handel waarmee appellant inkomsten kon genereren, zodat appellant zijn marktplaatsactiviteiten en de daaruit genoten inkomsten redelijkerwijs had moeten melden bij het college. De Raad onderschrijft de overwegingen waarop dit oordeel is gebaseerd en maakt die tot de zijne. Daaraan wordt toegevoegd dat de stelling van appellant dat de verkochte goederen van geringe waarde waren op zichzelf van geen betekenis is voor het antwoord op de vraag of sprake is van handel in goederen waarmee inkomsten konden worden gegenereerd. Tevens doet aan dit oordeel niet af dat sommige advertenties misschien meerdere keren opnieuw zijn geplaatst. Het opnieuw “opbrengen” van oude advertenties past ook meer binnen handel dan bij incidentele privéverkoop.


4.3.2.

Appellant had daarnaast redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat (de opbrengst van) het gokken van belang kon zijn voor zijn recht op bijstand. Hierbij wordt gewezen op zijn verklaring ter zitting van de Raad, dat het doel van het gokken was om met de opbrengst uit de bijstand te komen. De stelling van appellant dat hij veel meer geld met pokeren heeft verloren dan gewonnen doet, wat daarvan ook zij, niet eraan af dat de gewonnen bedragen van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.


4.3.3.

De door appellant gestelde omstandigheid dat hij zich niet heeft gerealiseerd dat hij zijn activiteiten moest melden neemt niet weg dat hij redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen dat hij hiertoe verplicht was. Indien het voor appellant niet duidelijk was dat hij de opbrengsten moest melden bij het college, had het op zijn weg gelegen om daarover bij het college navraag te doen.


4.3.4.

Uit 4.3.1 tot en met 4.3.3 volgt dat de beroepsgrond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden faalt.


4.4.

Appellant heeft verder aangevoerd dat hij ten tijde hier van belang geen inkomsten heeft verworven en dat hij steeds bijstandbehoevend is geweest. Hij stelt dat hij de diverse kasstortingen voldoende heeft verklaard en dat de opbrengsten, te weten de daadwerkelijk gemaakte winstbedragen, zijn aan te merken als vermogen dat de toepasselijke vermogensgrens niet heeft overschreden. Appellant verwijst in dit kader naar de door hem aan de hand van zijn bankafschriften opgemaakte overzichten van de opbrengsten, waarbij hij bovendien de bij de gedingstukken behorende analyse van het college van zijn bankafschriften betwist omdat die analyse naar zijn mening aantoonbaar fouten bevat.


4.4.1.

Appellant heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat de kasstortingen geld betroffen dat al in zijn bezit was, doordat hij geld pinde, dit geld besteedde en daarna wat overbleef vervolgens weer via een kasstorting terugstortte op zijn bankrekening. Zijn betoog dat de kasstortingen voor een gedeelte geldleningen betreffen van vrienden en kennissen doet er niet aan af dat de periodieke kasstortingen over de onderhavige periode, waarover recht op bijstand bestond, konden worden aangewend voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud. Derhalve zijn de kasstortingen aan te merken als inkomsten in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB. Dit laatste geldt eveneens voor de periodieke opbrengsten uit de handel op marktplaats en het pokeren.


4.4.2.

De rechtbank heeft eveneens op goede gronden geoordeeld dat appellant er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de te beoordelen periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Appellant beschikt niet over een deugdelijke administratie van zijn inkomsten uit de marktplaats- en pokeractiviteiten. De door appellant opgestelde overzichten zijn niet als zodanig aan te merken. Vaststaat immers dat de verkopen via marktplaats ook deels contant zijn betaald en dat appellant ook heeft gegokt in casino’s, waarbij de opbrengsten niet uit zijn bankafschriften zijn af te leiden. De overzichten die appellant achteraf heeft opgemaakt aan de hand van de bijschrijvingen op zijn bankrekening geven dan ook geen volledig beeld van de inkomsten die zijn verkregen in de te beoordelen periode. De Raad merkt daarbij op dat de in 1.2 vermelde analyse van het college van de bankafschriften van appellant weliswaar enkele onjuistheden bevat, maar dat deze vaststelling niet afdoet aan de conclusie dat appellant er niet in is geslaagd om een eventueel (aanvullend) recht op bijstand aannemelijk te maken.


4.4.3.

Uit 4.4.1 en 4.4.2 volgt dat ook de beroepsgronden dat geen sprake was van inkomsten en dat appellant steeds bijstandbehoevend is geweest evenzeer falen.


4.5.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college heeft het recht op bijstand dan ook op goede gronden ingetrokken. Het betoog van appellant dat hij volkomen afhankelijk is van bijstand vormt geen dringende reden om van intrekking af te zien.

Bijzondere bijstand voor advocaatkosten


4.6.

Appellant heeft aangevoerd dat de beslissing op zijn bezwaar tegen de afwijzing van deze aanvraag erg laat is genomen. Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank hem, gelet op zijn bijstandbehoevende omstandigheden, te zwaar aangerekend dat hij beroep heeft aangetekend voordat de beslissing op bezwaar was genomen. Derhalve is dit beroep ten onrechte

niet-ontvankelijk verklaard.


4.7.

Nu de beslissing op bezwaar ten tijde van het te vroeg ingestelde beroep nog niet tot stand was gekomen, kan niet-ontvankelijkverklaring van dit beroep op grond van artikel 6:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht slechts achterwege blijven indien de indiener van het beroep redelijkerwijs kon menen dat dit wel het geval was. Hetgeen appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor deze conclusie. De beroepsgrond treft dan ook geen doel. De rechtbank heeft het beroep dan ook terecht en op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard.


Langdurigheidstoeslag


4.8.

Appellant heeft aangevoerd dat de intrekking van zijn recht op bijstand vanaf 5 oktober 2009 niet terecht is en dat daarmee ook de grondslag van de afwijzing van zijn aanvraag om een langdurigheidstoeslag daaraan is ontvallen. Deze beroepsgrond faalt. Gelet op 4.1 tot en met 4.5 staat vast dat ten tijde hier van belang het recht op bijstand van appellant niet kan worden vastgesteld. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat hieruit volgt dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 2, eerste lid, van de Verordening om in aanmerking te komen voor een langdurigheidstoeslag.


Aanvraag om bijstand


4.9.

De hier te beoordelen periode ten aanzien van de aanvraag om bijstand loopt van

16 januari 2013 tot en met 7 februari 2013.


4.10.

Indien periodieke algemene bijstand is beëindigd of ingetrokken en de betrokkene een nieuwe aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.


4.11.

Appellant heeft aangevoerd dat een wijziging van omstandigheden blijkt uit zijn grote schuldenlast, de stress en slapeloze nachten die de intrekking van zijn bijstand tot gevolg hebben gehad, wat zijn sollicitatieactiviteiten nadelig heeft beïnvloed, en het feit dat hij sinds 16 januari 2013 is gestopt met pokeren. Ten aanzien van zijn inkomsten uit de verkoop van goederen op marktplaats en uit pokeren verwijst appellant naar de door hem opgestelde overzichten.


4.12.

Niet in geschil is dat appellant ten tijde hier van belang nog goederen via marktplaats heeft verkocht om inkomsten te verkrijgen. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat gelet hierop geen sprake is van een relevant andere situatie dan ten tijde van de intrekking van de bijstand. De Raad onderschrijft de overwegingen waarop de rechtbank dit oordeel heeft gebaseerd en maakt die tot de zijne. De in 4.11 aangevoerde omstandigheden doen daaraan niet af. De aanvraag van appellant is daarom terecht afgewezen.


4.13.

Uit 4.1 tot en met 4.12 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en F. Hoogendijk en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) O.P.L. Hovens




HD