Centrale Raad van Beroep, 12-03-2015 / 12-6648 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:735

Inhoudsindicatie
Ontslag wegens verstoorde verhoudingen. Lid GMR. Appellant heeft aannemelijk gemaakt dat een verband bestaat tussen het ontslagbesluit en het (voormalige) lidmaatschap van de GMR. Het bestuur heeft zijn standpunt dat er andere oorzaken zijn voor de verstoring van de arbeidsverhouding, niet toereikend onderbouwd.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-12
Publicatiedatum
2015-03-18
Zaaknummer
12-6648 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/129
  • TAR 2015/84
  • Onderwijs Totaal 2018/704
Uitspraak

12/6648 AW

Datum uitspraak: 12 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Almelo van 11 juli 2012, 11/1039 (aangevallen tussenuitspraak) en 7 november 2012, 11/1039 (aangevallen einduitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats], Duitsland (appellant)

het bestuur van de Stichting het Stedelijk Lyceum Enschede te Enschede (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.E.R.M. Lathouwers hoger beroep ingesteld.

Namens het bestuur heeft mr. H. Eillert, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lathouwers. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Eillert, drs. P.N.J. Nieuwstraten en P.W.F. Breuer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1 augustus 1980 in dienst van (de rechtsvoorganger van) het Stedelijk Lyceum, laatstelijk in de functie van docent LC in een volledige aanstelling voor onbepaalde tijd.


1.2.

Appellant is laatstelijk in juni 2009 gekozen als lid van de Gemeenschappelijke Medezeggenschapsraad (oude GMR), maar maakte daar al geruime tijd deel van uit. In de notulen van de vergadering van de oude GMR van 21 april 2010 is vermeld dat met meerderheid van stemmen is besloten dat de oude GMR collectief aftreedt en dat het bestuur wordt verzocht verkiezingen voor een nieuwe GMR uit te schrijven.


1.3.

Verschillende leden van de oude GMR, onder wie appellant, hebben zich niet neergelegd bij deze besluiten van de oude GMR. Zij hebben zich onder meer op websites gepresenteerd als (leden van) de echte of wettige GMR en zijn betrokken geweest bij procedures bij de Landelijke Commissie Geschillen Wet medezeggenschap op scholen en de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam (Ondernemingskamer) die ten name van de ouder/leerlinggeleding van de oude GMR zijn gevoerd.


1.4.

Op basis van op 21 oktober 2010 gehouden verkiezingen is een nieuwe GMR aangetreden bij het Stedelijk Lyceum.


1.5.

Bij beschikking van 1 april 2011, nr. 200.078.595/01 OK, heeft de Ondernemingskamer geoordeeld dat de (oude) GMR niet is opgehouden te bestaan als gevolg van het besluit van de (oude) GMR van 21 april 2010 tot collectief aftreden. De Wet medezeggenschap op scholen (Wms) kent de mogelijkheid van collectief aftreden niet en het besluit van 21 april 2010 ontbeert daarom rechtsgevolg, zo overweegt de Ondernemingskamer.


1.6.

Het bestuur heeft appellant bij besluit van 15 juli 2011 ontslag verleend, voor zover van belang, op grond van redenen van gewichtige aard als bedoeld in artikel 9.b.3, aanhef en onder l, van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het voortgezet onderwijs 2008-2010 (CAO-VO).


1.7.

Bij beslissing op bezwaar van 20 september 2011 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft het bestuur het ontslag wegens redenen van gewichtige aard gehandhaafd.


2.1.

Appellant heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.


2.2.

Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank het bestuur in de gelegenheid gesteld een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe overwoog de rechtbank, samengevat, dat de in de bijlage bij het besluit van 15 juli 2011 genoemde geschillen en incidenten niet aan het ontslag ten grondslag kunnen worden gelegd. Het gaat daarbij om geschillen en incidenten die appellant in zijn hoedanigheid van lid van de oude GMR betreffen, dan wel incidenten waaruit niet blijkt van een verstoorde verhouding. De brieven van 25 augustus 2009 en 29 juni 2010 waarin appellant door een lid van het bestuur wordt aangesproken op zijn negatieve houding en gedrag ten opzichte van zijn collega’s, de locatieleiding, het bestuur en de organisatie in zijn geheel, zijn naar het oordeel van de rechtbank eveneens terug te voeren op appellants activiteiten voor de GMR. Voor een verstoorde verhouding met collega’s ziet de rechtbank onvoldoende steun in het dossier en voor het standpunt van locatiedirecteuren van het Stedelijk Lyceum dat appellant niet herplaatsbaar zou zijn, ontbreekt elke motivering.


2.3.

Wel is de rechtbank van oordeel dat de conclusie dat sprake is van een verstoorde verhouding met het bestuur kan worden gebaseerd op appellants betrokkenheid bij websites en op de omstandigheid dat hij zich is blijven uitgeven als voorzitter van de GMR. Ook heeft appellant zich negatief uitgelaten over de nieuwe GMR van het Stedelijk Lyceum. Volgens de rechtbank stond het appellant vrij om met het bestuur te twisten over de vraag of de GMR waarvan hij deel uitmaakte reglementair was opgeheven en door de nieuwe GMR was vervangen, maar daartoe kent de Wms geëigende procedures, waarvan appellant geen gebruik heeft gemaakt. De rechtbank gaat, nu daartegen niet in rechte is opgekomen, ervan uit dat de nieuwe GMR en de nieuwe medezeggenschapsregelingen die daartoe door het bestuur zijn vastgesteld, rechtsgeldig tot stand zijn gekomen.


2.4.

De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het bestuur zijn standpunt dat er geen zicht op herstel van de verstoorde verhouding bestaat onvoldoende heeft onderbouwd. Zij heeft het bestuur opgedragen het bestreden besluit op dit punt nader te onderbouwen.


2.5.

Bij brief van 14 september 2012 heeft het bestuur gereageerd op de in de aangevallen tussenuitspraak gegeven opdracht. Appellant heeft bij brief van 10 oktober 2012 een zienswijze bij de rechtbank ingediend.


2.6.

Bij de aangevallen einduitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank - met beslissingen over griffierecht en proceskosten - het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover dat ziet op het ontslag van appellant. De rechtbank heeft voorts bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit ten aanzien van het ontslag in stand blijven. Volgens de rechtbank heeft het bestuur met zijn reactie aannemelijk gemaakt dat niet alleen sprake is van een verstoorde verhouding tussen partijen, maar ook dat die verstoring zodanig is dat redelijkerwijs geen uitzicht meer bestaat op het herstel daarvan en dat, gelet hierop, het gebrek in het bestreden besluit is hersteld.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit ten aanzien van het ontslag in stand blijven. Appellant heeft aangevoerd, kort samengevat, dat hij ten tijde van de ontslagverlening nog lid van de GMR was, dat het ontslag verband hield met dit lidmaatschap en dat dit ontslag daarom op grond van artikel 3, dertiende lid, van het Wms geen stand kan houden. Volgens appellant heeft het bestuur niet aannemelijk gemaakt dat andere omstandigheden dan die verband houden met het lidmaatschap van de GMR tot een verstoring van de arbeidsverhouding hebben geleid.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

Op grond van artikel 9.b.3, aanhef en onder l, van de CAO-VO kan de werknemer ontslag worden verleend op grond van andere met name genoemde en aan de betrokkene schriftelijk meegedeelde redenen van gewichtige aard. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 19 oktober 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1100) moet gewaakt worden tegen een extensieve uitleg van het begrip “redenen van gewichtige aard”. Dergelijke redenen dienen in overwegende mate betrekking te hebben op de persoon van betrokkene en zijn directe werksituatie. Ook kan deze ontslaggrond worden toegepast wanneer sprake is van een impasse die redelijkerwijs slechts kan worden doorbroken door beëindiging van de dienstbetrekking.


4.1.2.

Artikel 3, dertiende lid, van de Wms bepaalde ten tijde van belang het volgende:

“De beëindiging anders dan op eigen verzoek van de betrekking van een lid van het personeel mag geen verband houden met de kandidaatstelling voor het lidmaatschap, het lidmaatschap of het voormalig lidmaatschap van de betrokkene van de medezeggenschapsraad. Een beëindiging van de betrekking in strijd met dit lid is nietig.”


4.2.

Appellant is jarenlang lid geweest van de oude GMR. Ongeacht of deze rechtsgeldig is opgeheven en vervangen door de nieuwe GMR, strekt het onder 4.1.2 weergegeven ontslagverbod ook tot bescherming van appellant. Hij kan immers in elk geval worden beschouwd als een voormalig lid van de medezeggenschapsraad als bedoeld in artikel 3, dertiende lid, van de Wms. De vraag of het opheffen van de oude GMR en het instellen van de nieuwe GMR rechtsgeldig zijn, hoeft in dit geding dan ook niet te worden beantwoord.


4.3.

Dit geding spitst zich toe op de vraag of het bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding die is veroorzaakt door buiten de sfeer van appellants (voormalige) lidmaatschap van de GMR gelegen omstandigheden. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de hiervoor onder 2.2 genoemde omstandigheden het standpunt van het bestuur niet ondersteunen. Hij onderschrijft de overwegingen van de rechtbank waarop dat oordeel is gebaseerd en verwijst daarnaar.


4.4.

Bij de beoordeling of overigens dergelijke omstandigheden zijn aan te wijzen, moet worden vooropgesteld dat het ontslagverbod van artikel 3, dertiende lid, van de Wms ertoe strekt te voorkomen dat leden van medezeggenschapsorganen onder vrees voor benadeling hun werkzaamheden uitoefenen. Gezien deze beschermende strekking mogen geen hoge eisen worden gesteld aan het verband tussen de beëindiging van de betrekking van een (voormalig) lid van een medezeggenschapsraad en het uitoefenen van aan het lidmaatschap van een medezeggenschapsorgaan verbonden taken. Alleen zo kan worden voorkomen dat betrokkenen terughoudend zijn bij de vervulling van hun rol als lid van een medezeggenschapsorgaan en zich niet met de nodige vrijmoedigheid durven uiten. In het verlengde hiervan moet worden aangenomen dat uit de beschermende strekking van het ontslagverbod eveneens voortvloeit dat een (voormalig) lid van een medezeggenschapsraad grote vrijheid geniet bij het uiten van kritiek en in de wijze waarop hij die formuleert.


4.5.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de betrokkenheid van appellant bij websites waarop zeer kritische uitlatingen over de nieuwe GMR en het bestuur zijn gedaan en het zich als voorzitter van de GMR presenteren terwijl hij dat niet was, voldoende grond vormden om een, van het lidmaatschap van de oude GMR losstaande, verstoring van de arbeidsverhouding aanwezig te achten. De rechtbank acht ook de inbreuk op het door het Stedelijk Lyceum gedeponeerde woordmerk en het publiceren van een vertrouwelijk e-mailbericht van belang.


4.6.1.

De Raad oordeelt dat ook indien ervan uit moet worden gegaan dat met het instellen van een nieuwe GMR een einde kwam aan het bestaan van de oude GMR, de activiteiten van appellant met websites en het claimen van het voorzitterschap van de oude GMR niet los gezien kunnen worden van diens (voormalige) lidmaatschap van de oude GMR. Dat appellant de instelling van een nieuwe GMR wellicht ook langs juridische weg op basis van de Wms had kunnen bestrijden, betekent niet dat hij niet ook, of in plaats daarvan, de feitelijke vervanging van de oude GMR door een nieuwe GMR op andere wijze aan de orde had mogen stellen, onder meer door het publiceren van kritiek op de handelwijze van het bestuur.


4.6.2.

In dat verband kan er niet aan worden voorbijgezien dat de Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat de oude GMR niet heeft opgehouden te bestaan als gevolg van het onder 1.2 genoemde besluit van 21 april 2010 tot collectief aftreden. De door het bestuur geraadpleegde in onderwijsrecht gespecialiseerde deskundige Z heeft verklaard, dat sprake is van een dilemma waarin de Wms of enige andere regeling niet voorziet. Het tussentijds einde van de zittingstermijn van de GMR en het organiseren van verkiezingen voor een nieuwe GMR waren destijds niet geregeld in de medezeggenschapsreglementen van het Stedelijk Lyceum. Hierin is eerst in de loop van 2010 voorzien door middel van met terugwerkende kracht in werking getreden nieuwe regelingen voor (verkiezing van) de GMR bij het Stedelijk Lyceum.


4.6.3.

In de loop van 2010 is aldus een juridisch onduidelijke situatie ontstaan. Met name was niet duidelijk wat de status van de oude en de nieuwe GMR was. In deze periode was appellant betrokken bij een procedure die met de onder 1.5 genoemde beschikking van de Ondernemingskamer is geëindigd, waarin de geldigheid van de opheffing van de GMR per april 2010 aan de orde was. In dat licht is niet onbegrijpelijk dat appellant voor deze opheffing en de instelling van een nieuwe GMR in soms zeer krachtige bewoordingen aandacht heeft gevraagd bij collega’s en andere betrokkenen. Appellant heeft klaarblijkelijk gemeend zich op deze wijze tegen de door hem en andere leden van de oude GMR waargenomen aantasting van hun medezeggenschapsrechten te moeten verzetten. In ieder geval bestaat tussen het doen van deze uitlatingen en het zich presenteren als voorzitter van de oude GMR enerzijds en het lidmaatschap van de oude GMR anderzijds een onlosmakelijk verband. Dat appellant zich na de installatie van de nieuwe GMR mogelijk ten onrechte als lid en voorzitter van de oude GMR is blijven opstellen, is het rechtstreekse gevolg van zijn in de hoedanigheid van lid van dat (voormalige) gremium ingenomen standpunt dat de instelling van de nieuwe GMR niet rechtsgeldig was. De kwestie wie nu wel en wie nu niet medezeggenschapsrechten mag uitoefenen bij het Stedelijk Lyceum vormt een kernpunt van het functioneren van een lid van het al dan niet opgeheven medezeggenschapsorgaan.


4.7.

Hoewel appellant in niet mis te verstane bewoordingen uitlatingen heeft gedaan over het bestuur en de nieuwe GMR, kan niet gezegd worden dat deze uitlatingen geen verband houden met de vervulling van het lidmaatschap van de GMR. Termen als chantage en wanbeleid moeten worden bezien in de context waarin zij zijn gebruikt, namelijk een ernstig verschil van mening tussen GMR, leden van de GMR onderling en het bestuur over de te varen koers. Daarbij komt dat van het bestuur mag worden verwacht dat het professioneel omgaat met ernstige en heftig getoonzette kritiek. Van de overlegpartner van een medezeggenschapsorgaan mag, zoals dat heet, een dikke huid worden verwacht.


4.8.

Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, heeft het bestuur uit het opzetten van een website of het publiceren van een mailbericht niet redelijkerwijs kunnen afleiden dat appellant het oogmerk had de reputatie van de school of de schoolleiding te beschadigen. Ook deze gedragingen moeten worden gezien als een uitvloeisel van het geschil over de opheffing van de oude GMR en de instelling van een nieuwe GMR en hangen dus samen met het (voormalige) lidmaatschap van de GMR van appellant. Daarbij komt dat appellant de merkinbreuk direct heeft gestaakt nadat de rechter had geoordeeld dat hiervan sprake was. Wat de publicatie van het mailbericht betreft, moet worden opgemerkt dat het bericht

- waaruit blijkt dat bij de onderhandelingstaktiek van de nieuwe MZR aandacht wordt besteed aan het imago van de MZR naar het personeel - door een van de geadresseerden aan appellant ter hand is gesteld en geen evident vertrouwelijke gegevens bevat.


4.9.

Het bestuur heeft niet aannemelijk gemaakt dat andere omstandigheden dan die verband houden met het lidmaatschap hebben geleid tot een verstoring van de arbeidsverhouding. Tegenover de gemotiveerde betwisting van appellant dat hij zou hebben geweigerd op functioneringsgesprekken te verschijnen, heeft het bestuur ter zitting van de Raad volstaan met een simpele herhaling van de stelling dat dat wél het geval is geweest. Het bestuur heeft geen stukken, bijvoorbeeld uit het personeelsdossier van appellant, in het geding gebracht waaruit naar voren komt dat appellant heeft geweigerd, laat staan stelselmatig heeft geweigerd deel te nemen aan functioneringsgesprekken. Appellant heeft verklaard dat hij eenmaal tegen zijn leidinggevende heeft gezegd dat er nog discussie gaande was tussen de GMR en het bestuur over het invoeren van zogeheten biografische gesprekken, en dat het daarom misschien verstandiger was dit gesprek uit te stellen. Het bestuur heeft deze verklaring niet overtuigend betwist.


4.10.

Het bestuur heeft een verklaring overgelegd van de locatiedirecteur van Locatie Zuid dat sprake is van een verstoorde verhouding tussen directie én personeel van die locatie enerzijds en appellant anderzijds. Aan die verklaring hecht de Raad niet de door het bestuur bepleite betekenis, nu in de door appellant overgelegde verklaringen van een groot aantal personeelsleden van de locatie Zuid naar voren komt dat die personeelsleden de verklaring van de locatiedirecteur niet onderschrijven.


4.11.

Op grond van wat onder 4.2 tot en met 4.10 is overwogen heeft appellant aannemelijk gemaakt dat een verband bestaat tussen het ontslagbesluit en het (voormalige) lidmaatschap van de GMR. Het bestuur heeft zijn standpunt dat er andere oorzaken zijn voor de verstoring van de arbeidsverhouding, niet toereikend onderbouwd.


4.12.

Uit artikel 3, dertiende lid van de Wms, vloeit voort dat het ontslagbesluit van 15 juli 2011 ten onrechte is gehandhaafd bij het bestreden besluit en dat de rechtbank de rechtsgevolgen van dat besluit ten onrechte in stand heeft gelaten.


4.13.

In dit geding ten overvloede overweegt de Raad nog dat het hem gebleken is uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat, wat het bestuur betreft, de verhouding met appellant ernstig is verstoord. Ook ter zitting van de Raad is van die zijde verklaard dat, wat er ook gebeurt, appellant niet terug zal keren. Daar sluit de Raad de ogen niet voor, en het zal mogelijk lastig zijn om feitelijk nog tot werkhervatting en een vruchtbare samenwerking te komen. Het is echter aan partijen om gezamenlijk een passende oplossing te vinden voor de ontstane problemen. Dat er problemen zijn mag niet in de weg staan aan de conclusie dat het verleende ontslag een te nauw verband houdt met het (voormalige) lidmaatschap van appellant van de oude GMR.


5. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen einduitspraak moet worden vernietigd, voor zover daarin de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 15 juli 2011 herroepen.


6. Aanleiding bestaat om het bestuur te veroordelen in de kosten van appellant in hoger beroep. Deze worden begroot op € 980,- voor verleende rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraken voor zover aangevochten;

- herroept het besluit van 15 juli 2011;

- bepaalt dat het bestuur aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€115,- vergoedt;

- veroordeelt het bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 980,-.



Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en J.J.A. Kooijman en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2015.




(getekend) K.J. Kraan




(getekend) B. Rikhof




HD