Centrale Raad van Beroep, 12-03-2015 / 13-3717 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:738

Inhoudsindicatie
De straf die vanwege (het) plichtsverzuim is opgelegd, te weten voorwaardelijk strafontslag en overplaatsing, bleek, zo staat in rechte vast, wel te kwalificeren als onrechtmatig wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. De minister heeft deze straf ongedaan gemaakt door in het nieuwe besluit van 1 juni 2010 alsnog te volstaan met een schriftelijke berisping en het herroepen van de overplaatsing. De overplaatsing als zodanig kon niet meer ongedaan worden gemaakt, omdat appellant inmiddels per 1 september 2008 ontslag op eigen verzoek was verleend. Niet is onderbouwd dat de minister er actief voor heeft gezorgd dat appellant ontslag op eigen verzoek heeft ingediend, dan wel dat sprake was van dusdanige dwang dat appellant niet anders kon dan ontslag nemen. Geen schadevergoeding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-12
Publicatiedatum
2015-03-18
Zaaknummer
13-3717 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3717 AW

Datum uitspraak: 12 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

6 juni 2013, 13/241 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.E. de Hoop hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 13/3710 AW en 13/3719 AW plaatsgevonden op 15 januari 2015, waar appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. De Hoop. Tevens is verschenen De W. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Koene, D. Stoffels en J. Huizer.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant was werkzaam als senior penitentiair inrichtingswerker bij de [P.I. 1]. Op 11 december 2005 heeft appellant met collega’s De W en Van B een cel van een gedetineerde leeggeruimd, waarna kleding van de gedetineerde vernield bleek te zijn. Appellant heeft op

11 december 2005 een verklaring ondertekend waarin stond dat de kleding van de gedetineerde al kapot was tijdens het leegruimen. Naar aanleiding van een klacht van de gedetineerde is een nader onderzoek ingesteld door het Bureau Integriteit en Veiligheid (BIV) van de Dienst Justitiële Inrichtingen.


1.2.

Op 9 november 2006 is appellant de toegang tot de [P.I. 1] ontzegd, waarbij appellant naar buiten is begeleid en hij zijn toegangspas heeft moeten inleveren. Bij besluit van

11 februari 2008 heeft de minister appellant voorwaardelijk strafontslag opgelegd met een proeftijd van twee jaar wegens ernstig plichtsverzuim. Appellant werd verweten dat hij een verklaring heeft ondertekend die niet juist was en lange tijd de werkelijke toedracht van het kledingincident heeft verzwegen. Ook is in dit besluit bepaald dat de ontzegging van de toegang niet wordt opgeheven. Bij besluit van 2 juli 2008 is appellant overgeplaatst naar de P.I. Roermond. Appellant heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Bij besluit van

7 oktober 2008 heeft de minister het besluit van 11 februari 2008 deels herroepen, in die zin dat de proeftijd van twee jaar wordt omgezet in een duur van één jaar en drie maanden. Het verplaatsingsbesluit van 2 juli 2008 is gehanhaafd. Appellant heeft vervolgens beroep ingesteld.


1.3.

Appellant is met ingang van 1 september 2008 ontslag op eigen verzoek verleend.


1.4.

Bij uitspraak van 24 juni 2009 (08/1840) heeft de rechtbank Roermond beslist op het beroep van appellant. Geoordeeld is dat de minister op juiste gronden heeft aangenomen dat sprake is van plichtsverzuim en dat de verweten gedragingen aan appellant kunnen worden toegerekend, zodat de minister bevoegd was appellant disciplinair te straffen. Het beroep van appellant is gegrond verklaard, omdat verweerder het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen. De stukken en verklaringen in onderling verband bezien gaven geen blijk van een andere positie dan die van Van B, die alleen een schriftelijke berisping had gekregen. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat gelet hierop ook de voortzetting van de ontzegging van de toegang en de overplaatsing een deugdelijke grondslag ontberen. Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.5.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de minister in een nieuw besluit op bezwaar van

1 juni 2010 aan appellant een schriftelijke berisping opgelegd wegens plichtsverzuim. Daarbij is tevens het besluit tot overplaatsing van 2 juli 2008 herroepen. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.


1.6.

Bij brief van 25 mei 2011 heeft appellant verzocht om vergoeding van door hem geleden materiële en immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen en onrechtmatige besluitvorming. Appellant heeft verzocht om een vergoeding vanwege verlies van inkomsten tijdens dienstverband en na beëindiging dienstverband van in totaal € 222.887,07 en schade als gevolg van beëindiging van de opleiding tot psycholoog, ten bedrage van € 15.951,00. Daarnaast heeft appellant verzocht om € 75.000,00 aan immateriële schadevergoeding voor de aantasting van zijn eer en goede naam en voor geleden psychische schade.


1.7.

Bij besluit van 16 januari 2012, aangevuld bij besluiten van 20 januari 2012 en

6 februari 2012, heeft de minister aan appellant de door de overplaatsing gemiste EBI-toelage en consignatievergoeding vergoed inclusief wettelijke rente. Voor het overige is het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Bij besluit van 6 november 2012 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en tevens bepaald dat appellant nog een nabetaling van de EBI-toelage en consignatievergoeding over de maand december 2006 krijgt, inclusief wettelijke rente.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Het bestreden besluit is vernietigd voor zover daarbij is nagelaten proceskosten in bezwaar toe te kennen. De rechtbank heeft appellant proceskosten in bezwaar toegekend en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover dat is vernietigd. Voor het overige is het bestreden besluit in stand gelaten.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de minister aansprakelijk is voor de door hem geleden schade, ten gevolge van onrechtmatig handelen en onrechtmatige besluitvorming in het disciplinaire traject.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant stelt schade te hebben geleden, omdat de minister naar zijn mening buitenproportioneel heeft opgetreden in het disciplinaire traject. Appellant is onder begeleiding uit de [P.I. 1] verwijderd, in het zicht van zijn collega’s, waarna hem de toegang is ontzegd. Leidinggevenden hebben vervolgens in een teamoverleg beschuldigingen geuit aan het adres van appellant. Appellant is ten onrechte overgeplaatst naar de [P.I. 2], waar iedereen op de hoogte was van het gebeurde en waardoor hij niet goed kon functioneren. Daarbij stak het appellant dat collega Van B alleen een schriftelijke berisping heeft gekregen, terwijl er voor hem verder geen gevolgen waren.


4.2.

Anders dan appellant stelt, kan het optreden van de minister worden gezien als een gerechtvaardigde reactie op het handelen van betrokkene. Toen de minister signalen bereikten dat er iets mis was met de afgelegde verklaring van appellant, heeft de minister appellant de toegang tot zijn werkplek ontzegd. Uit de in rechte vaststaande uitspraak van 24 juni 2009 volgt niet dat de ontzegging van de toegang op 9 november 2006 onrechtmatig was. Evenmin is gebleken dat de minister bij deze toegangsontzegging onnodig diffamerend is opgetreden. Dat iemand naar buiten wordt begeleid en zijn toegangspas moet inleveren, is een normale gang van zaken in een dergelijke situatie. Evenmin kan het inlichten van het team over de aanleiding tot deze maatregel als onrechtmatig worden aangemerkt. Niet is vast komen te staan dat leidinggevenden daarbij diffamerende of onnodig kwetsende uitlatingen hebben gedaan. Vervolgens heeft de minister door het BIV onderzoek laten doen. Dit kan evenmin als onrechtmatig of onnodig diffamerend worden aangemerkt. Naar aanleiding van dit onderzoek is appellant verweten dat hij een onjuiste verklaring heeft afgelegd en dat hij de werkelijke toedracht van het incident op 11 december 2005 lange tijd heeft verzwegen. Vaststaat dat dit op juiste gronden is aangemerkt als plichtsverzuim, op grond waarvan de minister bevoegd was appellant disciplinair te straffen.


4.3.

De straf die vanwege dit plichtsverzuim is opgelegd, te weten voorwaardelijk strafontslag en overplaatsing, bleek, zo staat in rechte vast, wel te kwalificeren als onrechtmatig wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. De minister heeft deze straf ongedaan gemaakt door in het nieuwe besluit van 1 juni 2010 alsnog te volstaan met een schriftelijke berisping en het herroepen van de overplaatsing. De overplaatsing als zodanig kon niet meer ongedaan worden gemaakt, omdat appellant inmiddels per 1 september 2008 ontslag op eigen verzoek was verleend. Niet is onderbouwd dat de minister er actief voor heeft gezorgd dat appellant ontslag op eigen verzoek heeft ingediend, dan wel dat sprake was van dusdanige dwang dat appellant niet anders kon dan ontslag nemen.


4.4.

Geconcludeerd wordt dat hetgeen volgens appellant schadeveroorzakend is geweest, te weten beschuldigingen aan zijn adres, het verwijderen uit de [P.I. 1], de toegangsontzegging in november 2006 en de omstandigheid dat hij door collega’s werd aangekeken op hetgeen gebeurd was, niet het gevolg is van de onrechtmatige besluiten tot opleggen van voorwaardelijk strafontslag en overplaatsing, maar het gevolg van wat hiervoor is gebeurd. Evenmin is gebleken dat de minister onzorgvuldig onderzoek zou hebben verricht of onjuiste mededelingen zou hebben gedaan over appellant. De schade vloeit voort uit het handelen van appellant, dat nu juist terecht is aangemerkt als plichtsverzuim, alsmede de legitieme reactie daarop van de minister.


4.5.

Over de gestelde inkomensschade wordt overwogen dat appellant de misgelopen EBI-toelage en consignatievergoeding wegens de ten onrechte opgelegde overplaatsing reeds vergoed heeft gekregen, inclusief wettelijke rente. De overig gestelde inkomensschade komt niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank heeft op juiste gronden overwogen dat, nu sprake is van een ontslag op eigen verzoek, inkomensschade na de beëindiging van het dienstverband wegens aanvaarding van een andere werkkring waaraan een lager salaris is verbonden, op grond van vaste rechtspraak (CRvB 30 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG3749) voor eigen risico komt.


4.6.

Evenmin heeft appellant recht op schadevergoeding wegens beëindiging van zijn opleiding tot psycholoog. Appellant heeft ter zitting toegelicht dat hij vanwege de gebeurtenissen op zijn werk zich niet meer op zijn studie kon concentreren. Echter, hiermee is niet onderbouwd dat sprake is van causaal verband tussen het stoppen met de studie en het ten onrechte opleggen van een voorwaardelijk strafontslag en de overplaatsing. Immers, vaststaat ook dat sprake was plichtsverzuim en dat de minister bevoegd was appellant hiervoor disciplinair te straffen. Dat appellant enkel en alleen gestopt is met zijn studie vanwege het niet direct opleggen van een juiste straf kan niet worden volgehouden.


4.7.

Appellant heeft tenslotte niet aannemelijk gemaakt dat ten gevolge van de besluiten tot oplegging van voorwaardelijk strafontslag en overplaatsing sprake is geweest van als aantasting van de persoon aan te merken geestelijk letsel waaraan appellant aanspraak op vergoeding van immateriële schade kan ontlenen. Volgens vaste rechtspraak (CRvB

30 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1216) is daarvoor onvoldoende dat - zoals in dit geval - sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door het onrechtmatig besluit. Appellant heeft de gestelde schade verder niet onderbouwd.


4.8.

Op grond van wat onder 4.2 tot en met 4.7 is overwogen treft het hoger beroep geen doel. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en K.J. Kraan en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2015.




(getekend) A. Beuker-Tilstra




(getekend) E. Heemsbergen






MK