Centrale Raad van Beroep, 12-03-2015 / 13-6164 WSW


ECLI:NL:CRVB:2015:744

Inhoudsindicatie
Beëindiging plaatsing op WSW-wachtlijst op de grond dat uit houding en gedragingen van appellant ten aanzien van het bemiddelingstraject ondubbelzinnig is gebleken dat hij niet bereid is om een WSW-betrekking te aanvaarden. De Raad concludeert dat aanvaarding van een dienstbetrekking in de praktijk niet realiseerbaar is, zolang appellant zijn opstelling en houding ongewijzigd voortzet.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-12
Publicatiedatum
2015-03-18
Zaaknummer
13-6164 WSW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6164 WSW

Datum uitspraak: 12 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

16 oktober 2013, 12/2263 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2015. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is om medische redenen met ingang van 24 maart 2006 toegelaten tot de kring van personen als bedoeld in artikel 7 van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW). Deze WSW-indicatie eindigde op 24 maart 2008 en is verlengd tot 31 december 2013. In afwachting van een geschikte arbeidsplaats is appellant op de WSW-wachtlijst (wachtlijst) geplaatst.


1.2.

Het college heeft bij besluit van 18 juli 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

5 april 2012 (bestreden besluit), de plaatsing van appellant op de wachtlijst beëindigd, op de grond dat uit zijn houding en gedragingen ten aanzien van het bemiddelingstraject ondubbelzinnig is gebleken dat hij niet bereid is om een WSW-betrekking, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, of artikel 7 van de WSW te aanvaarden.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

Op grond van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder e, van het Besluit uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken wordt de plaatsing op de wachtlijst beëindigd met ingang van de dag dat betrokkene niet beschikbaar is om een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, of artikel 7 van de WSW te aanvaarden. De in de aanhef bedoelde dag wordt onverwijld geregistreerd.


4.1.2.

In artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de Regeling uitvoering sociale werkvoorziening en begeleid werken is bepaald dat de geïndiceerde beschikbaar is om een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, of artikel 7 van de wet te aanvaarden, tenzij uit zijn houding en gedragingen ondubbelzinnig blijkt dat hij niet bereid is een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, of artikel 7 van de wet te aanvaarden.


4.1.3.

Bij het mandaatbesluit Stichting Pantar (Pantar) inzake uitvoering Wet sociale werkvoorziening heeft het college Pantar aangewezen om een wachtlijst te beheren.


4.2.

Appellant heeft, samengevat, aangevoerd dat hij veelvuldig om passende bemiddeling heeft gevraagd. Hieronder moet volgens hem worden verstaan: het creëren van een sociale werkplaats bij een regulier bedrijf (zoals een bank of een pensioenfonds) dat aansluit bij de richting en het niveau van zijn opleiding (academisch niveau). Pantar heeft nagelaten deze bemiddeling te bieden. Een Persoonsgebonden Budget (PGB) is geen alternatief, omdat hij dan zelf een begeleider en werkgevers moet zoeken. Hij is daar om medische redenen niet toe in staat. Hem wordt voorts ten onrechte verweten dat hij heeft geweigerd zijn curriculum vitae en WSW-indicatie bekend te maken. Pantar mocht niet van hem vragen om deze informatie te verstrekken aan een bedrijf op het moment dat nog niet duidelijk is dat dat bedrijf een plek voor hem beschikbaar heeft, omdat daardoor zijn privacy wordt geschonden.


4.3.

De gedingstukken bevatten diverse voorbeelden van pogingen tot bemiddeling door Pantar. Deze pogingen zijn door de eisen van appellant steeds gestrand in de voorbereidingsfase. Appellant is verzocht om kennis te maken met een jobcoach. Verder is hem gevraagd om een curriculum vitae ter beschikking te stellen, zodat een potentiële werkgever kan beoordelen of plaatsing mogelijk is. Ook is hem gevraagd eerst een ervaringstraject of een tijdelijke werkplek te aanvaarden. Appellant wordt niet gevolgd in zijn betoog dat Pantar deze eisen niet aan hem mocht stellen. Het college heeft overtuigend toegelicht dat deze aanpak en werkwijze nodig is om tot een succesvolle bemiddeling te komen. Met het PGB heeft Pantar aan appellant vervolgens een redelijk alternatief geboden.


4.4.

Gelet op het vorenstaande concludeert de Raad dat aanvaarding van een dienstbetrekking in de praktijk niet realiseerbaar is, zolang appellant zijn opstelling en houding ongewijzigd voortzet. Het college kon dan ook tot de conclusie komen dat appellant niet bereid was een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, of artikel 7 van de WSW te aanvaarden en mocht de plaatsing op de wachtlijst beëindigen. De Raad slaat hierbij acht op het feit dat het college, voordat zij overging tot beëindiging van deze plaatsing, appellant uitdrukkelijk heeft gewezen op de noodzaak van de onder 4.3 beschreven werkwijze.


4.5.

Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en C.H. Bangma en M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2015.




(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans




(getekend) C.M. Fleuren




HD