Centrale Raad van Beroep, 12-03-2015 / 13-6605 WUV


ECLI:NL:CRVB:2015:746

Inhoudsindicatie
Vervolg op tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2014:2812. Verweerder heeft bij het nadere besluit de weigering om de periodieke uitkering van appellante met terugwerkende kracht opnieuw vast te stellen gehandhaafd op de grond dat artikel 59 van de Wuv geen toepassing kan vinden in de situatie van appellante. Dit standpunt van verweerder is in rechte houdbaar.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-12
Publicatiedatum
2015-03-18
Zaaknummer
13-6605 WUV
Procedure
Eerste en enige aanleg
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6605 WUV, 14/6617 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

In het geding tussen:

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)

Datum uitspraak: 12 maart 2015

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 1 november 2013, kenmerk BZ01646119 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2014. Daar is appellante verschenen, met bijstand van haar echtgenoot, [naam echtgenoot]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

Bij tussenuitspraak van 21 augustus 2014, nummer 13/6605 WUV-T, heeft de Raad verweerder opgedragen de in die uitspraak geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

Bij besluit van 30 oktober 2014 heeft verweerder ter uitvoering van deze tussenuitspraak een nieuw besluit op bezwaar genomen, kenmerk BZ01784877.

De behandeling van het beroep is voortgezet ter zitting van 29 januari 2014. Daar is appellante opnieuw verschenen, met bijstand van haar echtgenoot, [naam echtgenoot]. Verweerder heeft zich weer laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de onder het procesverloop genoemde tussenuitspraak. Het geschil tussen partijen betreft de weigering door verweerder om met terugwerkende kracht tot 1 januari 2010 de periodieke uitkering op grond van de Wuv van appellante opnieuw vast te stellen in verband met de terugvordering van appellante van te veel betaalde toeslag op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). De wijziging in die toeslag met terugwerkende kracht werd veroorzaakt door late melding van inkomsten van de echtgenoot van appellante uit een persoonsgebonden budget van de dochter.


1.2.

Zoals de Raad in de tussenuitspraak al heeft overwogen, is het standpunt van verweerder dat artikel 59a van de Wuv geen ruimte biedt voor een terugwerkende kracht juist.


1.3.

De weigering van verweerder om op grond van artikel 59 van de Wuv ambtshalve tot een hernieuwde vaststelling met terugwerkende kracht over te gaan achtte de Raad onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Om deze reden is het beroep tegen het besluit van 1 november 2013 gegrond en moet dit besluit worden vernietigd.


2. Met het besluit van 30 oktober 2014 is niet tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellante, zodat dit besluit op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht bij het beroep wordt betrokken. Met betrekking tot dit besluit komt de Raad tot de volgende beoordeling.


2.1.

Verweerder heeft bij het nadere besluit de weigering om de periodieke uitkering van appellante met terugwerkende kracht opnieuw vast te stellen gehandhaafd op de grond dat artikel 59 van de Wuv geen toepassing kan vinden in de situatie van appellante. In artikel 59 van de Wuv is limitatief bepaald in welke gevallen de periodieke uitkering opnieuw moet worden vastgesteld. Dit betreft met name veranderingen in de persoonlijke levenssfeer, zoals bijvoorbeeld huwelijk of overlijden. In artikel 59, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wuv is, voor zover hier van belang, bepaald dat de uitkering opnieuw wordt vastgesteld wanneer de uitkeringsgerechtigde geen aanspraak meer kan maken op de betaling uit een bron van inkomsten, tenzij hij het vervallen van die aanspraak heeft bewerkstelligd. In het kader van de uitvoering van de Wuv wordt het AOW-pensioen als één inkomstenbron gezien, ook als dat pensioen bestaat uit de “eigen” AOW en een toeslag in verband met het inkomen van de partner die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt. Voor deze werkwijze wordt aangesloten bij de artikelen 7 en 8 van de AOW. Het vervallen van de AOW-toeslag is een wijziging in de hoogte van het ouderdomspensioen van appellante en betekent niet dat de inkomstenbron is weggevallen. Er is dan dus geen reden om de uitkering op grond van de Wuv opnieuw vast te stellen. In de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp (kamerstuk 2007-2008, 31551, nr. 3) bij de invoering van de wijziging van onder meer de Wuv met ingang van 1 januari 2009, is expliciet vermeld dat een wijziging in de hoogte van een bestaande inkomstenbron op zich geen reden meer is om de uitkering ambtshalve opnieuw vast te stellen.


2.2.

Dit standpunt van verweerder is in rechte houdbaar. Op grond van de artikelen 7 en 8 van de AOW omvat het ouderdomspensioen van appellante mede de toeslag op grond van die wet. Het pensioen met toeslag geldt als één inkomstenbron. Het vervallen van de toeslag betekent een verlaging van het ouderdomspensioen van appellante. Tot 1 januari 2009 werd de uitkering voorlopig berekend en achteraf per kalenderjaar definitief vastgesteld. Elke inkomensverandering leidde toen tot herberekening bij de definitieve vaststelling van de periodieke uitkering. Dit leidde tot nabetalingen en terugvorderingen. Met ingang van

1 januari 2009 is een nieuw, vereenvoudigd systeem ingevoerd voor de wijze waarop rekening wordt gehouden met inkomsten naast de periodieke uitkering op grond van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen, waaronder de Wuv. Hiermee werd beoogd dat de uitkeringsgerechtigde in beginsel maandelijks hetzelfde bedrag aan periodieke uitkering zou ontvangen, waarbij ervan uitgegaan kan worden dat deze later niet meer met terugwerkende kracht wordt bijgesteld. Hierdoor werd ook de administratieve last voor de uitkeringsgerechtigden en verweerder aanzienlijk verminderd. Een (enkele) wijziging in een bestaande inkomstenbron is sinds de wetswijziging per 1 januari 2009 geen reden meer voor een nieuwe vaststelling van die periodieke uitkering op grond van artikel 59 van de Wuv, niet bij een verhoging en evenmin bij een verlaging van die inkomsten.


2.3.

Over deze wetswijziging en de gevolgen daarvan zijn belanghebbenden voldoende ingelicht, zowel via mededelingen in het blad Aanspraak in december 2008 en december 2009 als bij een algemene mededeling in januari 2009 aan alle belanghebbenden.


2.4.

Gezien het vorenstaande wordt het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2014 ongegrond verklaard.


3. De Raad ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep, bestaande uit reiskosten voor haar en haar echtgenoot voor het bijwonen van twee zittingen van de Raad.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- verklaart het beroep tegen het besluit van 1 november 2013 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 30 oktober 2014 ongegrond;

- bepaalt dat verweerder aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van € 44,-

vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van

€ 28,88.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en C.G. Kasdorp

als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2015.




(getekend) A. Beuker-Tilstra




(getekend) E. Heemsbergen



HD