Centrale Raad van Beroep, 12-03-2015 / 14-2128 MPW


ECLI:NL:CRVB:2015:749

Inhoudsindicatie
Appellant is met toepassing van het PTSS Protocol herkeurd. Dit heeft geleid tot een verlaging van de mate van invaliditeit met dienstverband van 70% naar 40%. In het geval van appellant stond het overgangsrecht van de ministeriële regeling van 27 juni 2008 niet aan verlaging van het percentage in de weg. Wat betreft de verbindendheid van het PTSS Protocol en de bedenkingen van appellant tegen de inhoud van dit protocol en de uitkomsten waar het toe leidt, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 13 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3830). Hetgeen appellant thans heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om daarover anders te oordelen. Ook de beroepsgrond dat, vanwege de ingrijpende verlaging van het invaliditeitspercentage die het PTSS Protocol mogelijk maakt, in de Regeling een overgangsrecht had moeten worden geformuleerd dat oude gevallen (beter) ontziet, slaagt niet. De beroepsgronden van appellant treffen evenmin doel voor zover zij zijn gericht tegen de concrete beoordeling van zijn invaliditeit door de verzekeringsarts.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-03-12
Publicatiedatum
2015-03-18
Zaaknummer
14-2128 MPW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2128 MPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

12 maart 2014, 12/9603 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [plaatsnaam], Hongarije (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2015. Voor appellant is

mr. Van der Meijden verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant is in 1983 als militair uitgezonden naar Libanon in het kader van de

UNIFIL-missie. In 1986 is hij uit de dienst ontslagen. In mei 2007 heeft hij verzocht om toekenning van een militair invaliditeitspensioen, op grond van psychische klachten die hij aan de uitzending heeft overgehouden. Naar aanleiding hiervan is hij onderworpen aan een sociaal medisch onderzoek, waarvan op 8 oktober 2007 rapport is uitgebracht. Daarbij is onder meer gebruik gemaakt van de resultaten van een onderzoek door de psychiater J.M.V. Mulder. Bij besluit van 9 oktober 2007 is aan appellant met ingang van 23 mei 2006 een militair pensioen toegekend naar een mate van invaliditeit met dienstverband van 70%.


1.2.

In 2009 heeft een herbeoordeling plaatsgevonden. Op grond van de bevindingen van de verzekeringsarts M. Blom is bij besluit van 2 juni 2009 bepaald dat het pensioen van appellant ongewijzigd blijft.


1.3.

In 2011 heeft opnieuw een herbeoordeling plaatsgevonden. De verzekeringsarts P.G. Verkerk heeft appellant onderzocht en op 29 juni 2011 rapport uitgebracht. Op grond van de uitkomsten van dit onderzoek heeft de minister bij besluit van 22 augustus 2011 bepaald dat het militair pensioen van appellant met ingang van 1 januari 2012 wordt berekend naar een mate van invaliditeit van 35%. Bij besluit van 10 september 2012 (bestreden besluit), zoals gecorrigeerd bij besluit van 30 november 2012, is het hiertegen gerichte bezwaar van appellant gegrond verklaard wat betreft de methode van afronding. De mate van invaliditeit is nader vastgesteld op 40%. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.


3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


3.1.

In artikel 13, eerste lid, van het Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen (Stb. 1997, 67) is bepaald dat bij de vaststelling van de mate van invaliditeit met dienstverband wordt uitgegaan van de War Pensions Committee-schaal (WPC-schaal). Ingevolge het tweede lid kan de minister in bepaalde gevallen afwijken van de WPC-schaal dan wel aanwijzingen geven ter nadere invulling van de toepassing ervan.

3.2.

Op 1 juli 2008 is in werking getreden de ministeriële regeling van 27 juni 2008

(Stcrt. 2009, 11661, Regeling). Deze is met terugwerkende kracht gewijzigd bij ministeriële regeling van 10 februari 2012 (Stcrt. 2012, 3183). Op grond van artikel 1 van de Regeling worden, voor zover hier van belang, bij de vaststelling van de mate van invaliditeit met dienstverband ter nadere invulling van de WPC-schaal de volgende protocollen gehanteerd:

a. het protocol voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid, dienstverband en invaliditeit bij militairen (WIA/IP Protocol), bij de Regeling gevoegd als bijlage 1;

b. het protocol voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid, dienstverband en invaliditeit bij militairen met een posttraumatische stressstoornis (PTSS Protocol), bij de Regeling gevoegd als bijlage 2.


3.3.

Appellant is met toepassing van het PTSS Protocol herkeurd. Dit heeft geleid tot een verlaging van de mate van invaliditeit met dienstverband van 70% naar 40%. Appellant is van mening dat daarmee zijn invaliditeit is onderschat. Vast staat dat zijn medische toestand niet wezenlijk is verbeterd. De verlaging van het invaliditeitspercentage is uitsluitend toe te schrijven aan de toepassing van het PTSS Protocol.


3.4.

Wat betreft de verbindendheid van het PTSS Protocol en de bedenkingen van appellant tegen de inhoud van dit protocol en de uitkomsten waar het toe leidt, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 13 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3830). Daarin is overwogen dat het PTSS Protocol over het geheel genomen geen dusdanige gebreken vertoont dat het niet of slechts onder toepassing van een correctiefactor aan een invaliditeitsbeoordeling ten grondslag mag worden gelegd. Het protocol als zodanig kan de voor een wet in materiële zin geldende terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan.


3.4.1.

Hetgeen appellant thans heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om daarover anders te oordelen. Dat in de WPC-schaal is bepaald dat invaliditeit wordt uitgedrukt in percentages tussen 1 en 100, wil niet zeggen dat de beoordelingssystematiek van het PTSS Protocol niet meer als nadere invulling van die schaal kan dienen. De WPC‑schaal ziet in beginsel op alle vormen van invaliditeit, zowel psychische als lichamelijke. Uit de bedoelde vermelding in de WPC‑schaal volgt niet dat iedere aandoening altijd moet kunnen leiden tot 100% invaliditeit. Bovendien voorziet het PTSS Protocol wel degelijk in een schaal die loopt tot en met 100%. Dat het maximum van 100%, gegeven de systematiek van het protocol, in de praktijk vrijwel nooit zal worden bereikt, doet hieraan niet af. Zoals in de uitspraak van 13 november 2014 is overwogen, ontbreekt een algemeen aanvaarde ("gouden") standaard voor invaliditeitsbeoordelingen en biedt de wijze van totstandkoming van het PTSS Protocol voldoende waarborg dat het daarin neergelegde stelsel in overeenstemming is met de actuele stand van de wetenschap. Dat toepassing van het PTSS Protocol zoals in het geval van appellant kan leiden tot een verlaging met enkele tientallen procenten, vloeit rechtstreeks uit dit geactualiseerde stelsel voort. Er is geen hogere wet of regelgeving die zich daartegen verzet.


3.5.

Appellant bestrijdt ook het in artikel 2 van de Regeling neergelegde overgangsrecht. Dit komt er voor zover hier van belang op neer dat, indien toepassing van het PTSS Protocol bij een herkeuring na 1 juli 2008 leidt tot een lager invaliditeitspercentage, het oorspronkelijk vastgestelde percentage van kracht blijft, tenzij het een herkeuring betreft van een voorlopig vastgesteld invaliditeitspercentage. Ingevolge het vierde lid is de laatstbedoelde uitzondering niet van toepassing indien sprake is van een eerste keuring en een of meerdere herkeuringen voor 1 juli 2008 en na die datum nog sprake is van een voorlopig vastgesteld invaliditeitspercentage en het invaliditeitspercentage binnen een relatieve bandbreedte van 20% stabiel is. In die situatie wordt op het moment van herkeuring na 1 juli 2008 het voorlopig vastgesteld invaliditeitspercentage omgezet in een definitief percentage.


3.5.1.

Appellant stelt zich op het standpunt dat, vanwege de ingrijpende verlaging van het invaliditeitspercentage die het PTSS Protocol mogelijk maakt, in de Regeling een overgangsrecht had moeten worden geformuleerd dat oude gevallen (beter) ontziet. Zijns inziens zou het protocol eigenlijk alleen op nieuwe gevallen moeten worden toegepast.


3.5.2.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Het van de Regeling deel uitmakende overgangsrecht is er, blijkens de Nota's van toelichting, wel degelijk op gericht om ten tijde van de invoering gevestigde posities te ontzien. De wijze waarop de regelgever die posities nader heeft bepaald, kan het terughoudende karakter van de rechterlijke toetsing in aanmerking genomen niet op voorhand als onaanvaardbaar worden aangemerkt. Het is overgangsrecht nu eenmaal eigen dat ergens een grens wordt getrokken en dat daardoor verschillen kunnen ontstaan in de behandeling van gevallen die, afgezien van de factor tijd, weinig of geen onderscheidende kenmerken vertonen.


3.5.3.

Dit neemt overigens niet weg dat het in artikel 2, vierde lid, van de Regeling neergelegde criterium van minimaal een eerste beoordeling en één herbeoordeling vóór de peildatum 1 juli 2008 een zekere scherpte mist. Daarbij is van belang dat het tijdstip van herbeoordeling afhankelijk is van allerlei factoren die in de praktijk nogal variëren en waarop de betrokken (ex)militair weinig of geen invloed kan uitoefenen. Uit de Nota van toelichting en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat het criterium dient om als het ware een bestaande lijn van voorlopige vaststellingen te kunnen construeren, waaruit onder bepaalde voorwaarden een voldoende stabiele situatie op de peildatum kan worden afgeleid. De maatstaf van minimaal één herbeoordeling is daartoe niet ongeschikt, maar verliest aan overtuigingskracht naarmate sinds de oorspronkelijke beoordeling een langere tijd is verstreken waarin het voorlopig vastgestelde percentage ongewijzigd is gebleven.


3.5.4.

In het geval van appellant lag tussen de beoordeling en de eerste herbeoordeling echter niet meer dan ruim anderhalf jaar. Daarmee verkeerde hij niet in een dusdanig gevestigde positie dat het criterium van minimaal één herbeoordeling in zijn geval buiten toepassing had moeten worden gelaten.


3.6.

In het licht van het vorenstaande faalt tevens het beroep van appellant op toepassing van de anti-hardheidsclausule neergelegd in artikel 13, tweede lid, van het Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen en/of in artikel 22 van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids en invaliditeitsvoorzieningen militairen. De aanzienlijke omvang van de verlaging van het invaliditeitspercentage kan op zichzelf niet worden aangemerkt als een (zeer) bijzondere omstandigheid op grond waarvan de minister gehouden was om aan die clausules toepassing te geven.


3.7.

De beroepsgronden van appellant treffen evenmin doel voor zover zij zijn gericht tegen de concrete beoordeling van zijn invaliditeit door de verzekeringsarts Verkerk. Aan de herbeoordeling door deze arts liggen uitvoerige gegevens van de behandelende sector ten grondslag. Over de aard en de onverminderde ernst van de psychische klachten bestaat geen wezenlijk verschil van inzicht. De door Verkerk toegekende scores zijn in voldoende mate te herleiden tot de daaraan voorafgaande beschouwingen. Deze geven blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn inzichtelijk en consistent. Weliswaar is het onderzoek door het gedrag van appellant stormachtig verlopen, waarbij zelfs een aan Verkerk toebehorende klok is gesneuveld, maar er zijn geen aanwijzingen dat het onderzoek daardoor niet goed kon worden uitgevoerd of dat bij Verkerk vooringenomenheid is ontstaan. Op de hoorzitting heeft Verkerk verklaard dat de sfeer op enig moment grimmig was, maar later weer is gedeëscaleerd. Voor zover appellant bedenkingen heeft tegen gebruikmaking van de zogeheten BIR-adviezen, heeft hij deze op geen enkele wijze geconcretiseerd. Het door appellant in hoger beroep overgelegde rapport van de psychiater Mulder van 13 mei 2014 is, voor zover de daarin toegekende scores hoger zijn dan die van Verkerk, door de verzekeringsarts R. Bhaggoe overtuigend weerlegd. De lichamelijk onverklaarde klachten waarop Mulder wijst, zijn door Verkerk en Bhaggoe in hun beoordeling van de psychische klachten meegenomen.


3.7.1.

Onder deze omstandigheden kan worden afgegaan op de bevindingen van Verkerk. De Raad wijst het verzoek van appellant om alsnog een onafhankelijke psychiater tot deskundige te benoemen af.


3.8.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2015.




(getekend) A. Beuker-Tilstra




(getekend) E. Heemsbergen



HD